H. BOUTER JR.

Elisa maakt het water van Jericho gezond

 

De man Gods als heilbrenger (2 Koningen 2:19-22)

Terwijl Elisa in Jericho verbleef (vs. 18), zochten de profeten van die stad drie dagen lang tevergeefs naar zijn voorganger Elia. Nadat zij verslag hadden uitgebracht van hun zoektocht is Elisa blijkbaar nog enige tijd bij hen gebleven, en heeft hij het wonder verricht dat in deze verzen wordt beschreven. Of dit op verzoek van de profeten van Jericho is gebeurd, is niet helemaal duidelijk. In vers 19 wordt alleen gesproken over 'de mannen van de stad', die met hun probleem bij Elisa komen. Omdat wij in 2 Koningen telkens zien dat Elisa zich beweegt in de kringen van de profeten, is het wel waarschijnlijk dat zij hierbij een rol hebben gespeeld; via hen was de roem van Elisa in Jericho verbreid. In ieder geval waren deze mannen bij Elisa aan het goede adres. Aan hem konden zij hun nood klagen, en hij was ook in staat om uitkomst te bieden. Omdat God door middel van de profeet in genade naar zijn volk omzag - Elisa betekent: 'God is redding', of: 'God heeft geholpen' - kon deze werkelijk voorzien in een oplossing. Hier leren wij direct al een praktische les: Gaan wij met onze problemen en zorgen naar de grote Profeet, de ware Man Gods, onze Heer Jezus Christus? Roepen wij tot Hem om hulp, zoals later de blinde bedelaar bij Jericho dat zou doen met de woorden: 'Jezus, Zoon van David, erbarm U over mij' (Luk. 8:35v.)? Hij is machtig om ons te helpen, maar dan moeten wij ons probleem wel aan Hem voorleggen. Misschien zal iemand zeggen: Maar hoe moet ik dan naar Hem toegaan? Hij is toch niet meer op aarde? Hij is niet meer te vinden in de nabijheid van Jericho, de stad van de vloek.

Maar hoewel Christus niet meer op aarde is, is Hij door zijn Geest ook nu nog werkzaam in de 'stad van de vloek', in een wereld die zucht onder de vloek van zonde en dood, een wereld die onder het oordeel ligt (en ook met vuur zal worden verbrand, 2Petr.3:7v.), omdat ze het bolwerk is van de macht van de boze. Christus heeft nog steeds een open oor voor allen die in hun nood tot Hem de toevlucht nemen. Door middel van het gebed kunnen wij echt met Hem spreken en alles wat ons bezighoudt aan Hem voorleggen. En Hij spreekt met ons door zijn Woord en Geest. Zo geeft Hij antwoord en schenkt Hij door zijn kracht verlossing en heil, ja, zelfs het leven in de dood.

Dit thema, dat God door middel van zijn gezant het leven werkt temidden van de dood, zien wij niet alleen hier bij de gezondmaking van het slechte water dat de dood veroorzaakte, maar ook bij vele andere wonderen van Elisa:
- hij zorgde voor water voor het dorstige leger, dat anders ten dode was opgeschreven (2Kon.3);
- hij hielp een van de vrouwen der profeten na de dood van haar man aan levensonderhoud (2Kon.4);
- hij beloofde de onvruchtbare Sunamitische een zoon, en wekte deze jongen later op uit de dood (2Kon.4);
- hij zorgde voor eetbaar voedsel toen de dood in de pot was (2Kon.4);
- hij wees de doodzieke Našman de weg ten leven, zodat diens lichaam weer gezond werd als dat van een kleine jongen (2Kon.5);
- hij voorzag de stervende bevolking van Samaria van levensmiddelen (2Kon.6,7);
- zelfs na zijn dood werd iemand opgewekt door aanraking met zijn gebeente (2Kon.13).

 

De welgelegen stad met de slechte bron

De mannen van Jericho klagen hun nood aan Elisa met de volgende woorden: 'Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte' (vs.19). Uiterlijk leek alles in orde. Jericho was een prachtige stad met palmen en balsembomen; daarom droeg ze ook wel de naam Palmstad (Deut.34:3; Richt.3:13; 2Kron.28:15). De ligging was fraai: in een vruchtbare vlakte, in de nabijheid van de Jordaan.

Maar dat was slechts de buitenkant. Tegenover het voordeel van de goede ligging stond ťťn groot nadeel: het water was slecht (d.i. kwaad, verdorven), en het veroorzaakte dood (zuigelingensterfte?) en misgeboorte (vs.21). Volgens vs.19 werd dit mede veroorzaakt door 'de landstreek', dat wil zeggen door het eten van de gewassen van het bouwland dat met het water uit deze slechte bron werd geÔrrigeerd. Misschien lijkt het in uw en mijn leven van buiten allemaal ook wel mooi, terwijl wij van binnen tobben met het probleem van zo'n 'slechte bron'. Eigenlijk heeft iedere gelovige daarmee te maken, want uit het hart van de mens komen allerlei boze dingen voort die hem verontreinigen, dingen waarvan het einde ook de dood is (Mark.7:21-23; Rom.6:21-23). Alleen Christus kan dit probleem tot een oplossing brengen, zoals in deze geschiedenis alleen de man Gods het verlossende woord kon spreken en de macht van de dood kon tenietdoen.

In onze tijd zou men de situatie in Jericho waarschijnlijk omschrijven in termen van een 'milieuprobleem'. Toch hebben helaas maar weinig mensen oog voor de gťťstelijke milieuverontreiniging die in onze dagen ongetwijfeld steeds meer toeneemt, maar die in feite al bestaat sinds de zondeval. Door te luisteren naar de verleidende woorden van de satan heeft het eerste mensenpaar reeds gedronken uit een slechte bron, en wij weten maar al te goed dat dit de dood tot gevolg heeft gehad. Zonde en dood hebben door de ongehoorzaamheid van de eerste mens hun intrede gedaan in de schepping, die nog steeds zucht onder de slavernij van de vergankelijkheid (Gen.3:17-19; Rom.5:12; 8:20-22). Bij Christus' wederkomst zal zij worden ontheven van de vloek waaraan zij omwille van Adams zonde is onderworpen, en dan zal het vrederijk aanbreken waarin IsraŽl zal worden gezegend met de volken. In profetisch opzicht spreekt het optreden van de man Gods van deze tijd van overvloedige zegen. IsraŽl zal genade vinden en weer als Gods volk worden aangenomen. Dit herstel wordt door Paulus heel treffend getypeerd als het 'leven uit de doden' (Rom.11:15). Zo brengt Elisa hier nieuw leven tevoorschijn, waar voorheen de dood heerste. Als christenen mogen wij weten dat er voor ons nu al verlossing is van de vloek van de zonde en de dood, die door de wet op het geweten van de mens wordt gebonden. Die verlossing is er, als wij in het geloof hebben geluisterd naar Gods bevel, naar het woord van de grote Profeet die ons heeft verlost van de vloek door voor ons een vloek te worden op het kruis van Golgotha (Gal.3:13). Toch blijft de definitieve verlossing van de zonde en de verlossing van onze sterfelijke lichamen ook voor ons een toekomstige aangelegenheid (Rom.8:23v.; 1Kor.15:51v.; Fil.3:20,21; 1Thess.4:15-18).

Het is echter duidelijk dat de redding, het herstel, de heling - zowel nu als in de toekomst - steeds tot stand komt door wat God in Christus voor ons doet, en niet door onze eigen inspanning of vindingrijkheid. Daarom is het zo treffend dat de profeet hier in vers 21 zegt: 'Zo zegt de Here: Ik maak dit water gezond'. Het is de Here die het wonder van de verlossing bewerkt, en die dat doet door middel van het optreden van Elisa, de man Gods. Evenzo handelt Hij in onze dagen verlossend en herstellend door middel van zijn Zoon, de Man Gods. Christus is machtig om ons te redden uit alle nood en dood. Van onze kant is echter gehoorzaamheid vereist aan zijn woord, geloof in de boodschap van God (vs.22; vgl. Rom.10:8v.).

 

Een nieuwe schotel met zout

Hoe voorzag Elisa, de man Gods, nu in de oplossing van het probleem? Hoe maakte hij de slechte bron gezond? Het bevel van de profeet luidde als volgt: 'Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in' (vs.20). Vervolgens ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en sprak toen de reeds geciteerde woorden: 'Zo zegt de Here: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen' (vs.21; vgl. Ex.15:26). En het wonder gebeurde: 'En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord dat Elisa gesproken had' (vs.22).

Twee dingen trekken hierbij de aandacht: (a) de nieuwe schotel die Elisa gebruikte, en (b) de werking van het zout als zuiverend en bederfwerend middel. In tegenstelling met het bittere water van Mara, dat zoet werd gemaakt door een stuk hout dat Mozes erin wierp (Ex.15:23-25), wordt het slechte water hier gezond gemaakt doordat Elisa zout erin werpt. Het is onduidelijk of wij zowel bij het bittere als bij het slechte water aan brak, zoutachtig water moeten denken. Dit lijkt in 2Kon.2 in elk geval erg onwaarschijnlijk, want men voegt geen zout toe aan zoutachtig water om dat drinkbaar te maken. Het verhaal suggereert eerder een giftige bron, die geneutraliseerd en gezuiverd moest worden. De reinigende en bederfwerende, smaakverhogende kracht van zout wordt ook elders in de Schrift voorondersteld. Zo lezen wij bij de voorschriften voor de (spijs)offers: ' ... bij al uw offergaven zult gij zout voegen' (Lev.2:13; vgl. Ezech.43:24). Het zout wordt in verbinding gebracht met de bestendigheid van de verbondsrelatie. Een 'zoutverbond' is een onverbrekelijk verbond (Lev.2:13; Num. 18:19).

In het Nieuwe Testament noemt Christus zijn discipelen 'het zout van de aarde' (Matth.5:13). De kracht en de zuiverheid van de verordeningen die God aan zijn schepselen heeft gegeven, wordt bij uitstek door de gelovigen in stand gehouden. Op een andere plaats zegt de Heer dat het zout goed is, en dat de discipelen zout in zichzelf moesten hebben om vrede onder elkaar te houden (Mark.9:50). Daarom wijst het zout op de kracht van het nieuwe leven dat Hij ons schenkt op grond van zijn dood en opstanding. Dat stelt ons namelijk in staat om zelf in nieuwheid van leven te wandelen, de onderlinge verhoudingen goed te houden en tevens naar buiten toe zuiverheid en zegen te verspreiden. Vooral op dit laatste punt doelt ook Paulus als hij, onder verwijzing naar de oudtestamentische offerwetten, opmerkt: 'Laat uw woord altijd in genade zijn, met zout besprengd, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden' (Kol.4:6).

Christenen zijn nieuwe schepselen in de opgestane Heer; zij hebben leven uit God ontvangen. De kracht van dit nieuwe leven is sterker dan de werking van het gif, het bederf van de zonde. Het zorgt voor een reine, zuivere bron in ons, 'een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven' (Joh.4:14). De 'stromen van levend water' die daardoor uit ons binnenste kunnen vloeien, verspreiden overal heil en zegen, voorspoed en vruchtbaarheid (Joh.7:38). Dan kan men zaaien op de akker van de Geest (Gal.6:8 (NBG)), om uit de Geest eeuwig leven te oogsten. Om in het beeld van 2 Koningen 2 te blijven: als men goed bronwater heeft, kan men ook weer gaan zaaien en goede gewassen oogsten, waaruit geen dood of misgeboorte voortkomen.

Tenslotte nog iets over de 'nieuwe schotel' die Elisa gebruikte. Reeds onder het oude verbond was het gebruikelijk om dingen die nieuw of gaaf waren, aan te wenden voor de dienst van de Here God. Zo lezen wij over gave offerdieren, dieren waarmee nog geen werk was gedaan en die geen juk hadden gedragen (Num.19:2; Deut.21:3). Wij lezen over een 'nieuwe wagen' (1Sam.6:7), en een 'nieuwe mantel' (1Kon.11:29,30). God geeft recht op het beste wat er is en wat niet door ander gebruik is ontheiligd. Zo is hier sprake van deze 'nieuwe schotel' met zout erin, die het wonder van herstel en genezing bewerkte.

Deze nieuwe schotel bepaalt ons bij de nieuwe dingen die met de komst van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest hun intrede hebben gedaan. Het oude is niet meer van nut, en is voorbijgegaan (Matth.9:16,17; 2Kor.5:17). Hij maakt alle dingen nieuw. Maar dit plaatst ons wel heel praktisch voor de vraag of wij werkelijk reine en heilige 'vaten' zijn die bruikbaar zijn voor de dienst van de Meester (2Tim.2:19v.). Ben ik een vat tot eer van Hem? Ben ik gevuld met dat wat bruikbaar is voor Hem, met de kracht van het nieuwe leven dat Hij mij door zijn Geest heeft gegeven? Laten wij daarom de les van de 'nieuwe schotel' met het reinigende en levensvernieuwende 'zout' erin ter harte nemen.