H. BOUTER JR.

Elisa als erfgenaam en opvolger van Elia

(slot)

 

Wij zien Jezus

De geestelijke les voor ons kan aldus worden omschreven: 'Maar wij zien Jezus... met heerlijkheid en eer gekroond' (Hebr.2:9). Zoals Elisa getuige mocht zijn van Elia's verhoging, mogen wij het geloofsoog richten op de verhoogde Christus. Christus heeft daar de plaats van eer en heerlijkheid ontvangen die Hem rechtens toekwam, nadat Hij zijn werk op aarde had volbracht en zijn eenzame strijd voor de eer van God grootser en waardiger dan Elia had gestreden.

Wij, die zo in Hem geloven zijn begiftigd met zijn Geest, die ons vast met Christus verbindt en die ons ook zalft met geestelijk inzicht en toerust met geestelijke kracht voor onze taak als gezanten van de verheerlijkte Heer (2Kor. 1:21,22; Ef. 1:13). Dat is ons 'erfdeel' in de huidige bedeling. De verhoogde Christus heeft ons zijn Geest geschonken. Zo kunnen wij als mensen hier op aarde in de kracht van de Geest getuigenis afleggen van de Mens in de hemel. Op welke wijze kunnen wij dit doen? Hoe kon Elisa de taak van Elia overnemen en handelen in zijn geest en in zijn kracht? Doordat hij zijn eigen kleren aflegde en in twee stukken scheurde, en de mantel van Elia hanteerde om de macht van de dood te overwinnen en zich vervolgens in die mantel te hullen (vs. 12-14; vgl. 1 Kon. 19:19).

Evenzo zijn wij met Christus door de doodsrivier getrokken (de Jordaan spreekt daarvan), en wij zijn nu met Hem bekleed. Wij hebben Christus aangedaan (Gal.3:27). In de kracht van de opgestane Heer en van zijn Geest kunnen wij een overwinningsleven leiden en de kenmerken tentoonspreiden van de nieuwe mens die wij hebben aangedaan (Ef.4:20v.; Kol.3:3-15). Daartoe zijn wij immers bekleed met kracht uit de hoge (Luk.24:49). De kracht van de Geest is sterker dan de macht van zonde en dood; dat zal straks bij de wederkomst van Christus ook blijken door de opstanding van onze sterfelijke lichamen (Rom.8:11).

De mantel van Elia heeft in deze geschiedenis dezelfde functie als de staf van Mozes bij de doortocht door de Rode Zee (Ex.14:16), en de ark van het verbond bij de intocht in Kanašn (Joz.3:13v.). Steeds moet het water wijken voor de macht van de God van IsraŽl, die een pad baant voor hen die Hem toebehoren. Daarom roept Elisa hier de naam des Heren aan met de woorden: 'Waar is de Here, de God van Elia, ja Hij?' (vs.14). Want het wonder dat de wateren zich verdeelden, vond niet plaats door de kracht van Elia of Elisa (vs.8,14), maar door de machtige werking van hun God. In zijn kracht konden deze godsmannen een pad betreden dat de mens van nature absoluut niet kan begaan (vgl. Joh.13:36).

 

Het contrast met de profeten van Jericho

Laten wij tenslotte nog stilstaan bij de tegenstelling tussen Elisa en de profeten van Jericho, die bij alles wat er gebeurde op een afstand bleven staan en die geen ooggetuigen van Elia's hemelvaart waren (vs.7,15). Hun positie doet denken aan die van IsraŽl bij de SinaÔ, dat 'van verre' stond toen God Zichzelf aan zijn volk bekendmaakte (Ex.19,20,24). In feite hebben wij in 2Kon.2 te maken met een enigszins vergelijkbare Goddelijke verschijning, zoals blijkt uit de 'storm' en het 'vuur' (de vuurwagen getrokken door vuurpaarden) waarin de Here Elia ten hemel opnam (vs.1 en 11). Dit zijn namelijk verschijnselen die in het Oude Testament veel vaker voorkomen bij een openbaring of een persoonlijk ingrijpen van de Here God (Ex.3:2; 24:17; 1Kon.19:11,12; Job 38:1; 40:1; Ps.18:8v.; 50:3; 104:3,4; Jes.30:27; 66:15; Ezech.1:4; Hab.3:3v.; Zach.9:14).

Hierbij gaat het niet alleen om indrukwekkende natuurverschijnselen (die trouwens heel treffend passen bij Elia's karakter als oordeelsprofeet!). 'Stormwinden' en 'vuurvlammen' staan ook voor engelenmachten, zoals Hebr.1:7 bevestigt. Daarom kunnen wij ons Elia's wegneming als volgt voorstellen: de Here kwam Zelf als de Vorst van zijn hemelse legerscharen, omringd door zijn machtige engelen (die in 2Kon.6:17 opnieuw als vurige wagens en vurige paarden worden gezien), om zijn trouwe strijder ten hemel op te nemen. Wat een eerbetoon voor Elia: God nam hem weg (zoals eertijds Henoch en zoals straks de levenden die overblijven tot de komst van de Heer), opdat hij de dood niet zou zien maar - in een ondeelbaar ogenblik veranderd - de hemel binnenging (vgl. Gen.5:24; 1Kor.15:51,52; 1Thess.4:15-18; Hebr.11:5).

Zoals gezegd heeft alleen Elisa geopende ogen gehad voor de 'opname' van Elia, overeenkomstig vs.10 en volgende. Weliswaar waren de profetenzonen, zowel in Betel als in Jericho (vs.3,5), goed geÔnformeerd over deze ophanden zijnde gebeurtenis - wellicht door een profetische openbaring waarvan ook Elisa op de hoogte was gesteld. Zij hebben echter niet zoals Elisa met verlichte ogen aanschouwd hoe Elia in triomf ten hemel werd gevoerd. Dat blijkt wel uit de zoekactie die vervolgens door vijftig man van de profeten van Jericho wordt gehouden - een actie die zowel overbodig als tevergeefs was en waarin Elisa slechts met tegenzin toestemde (vs.7,16-18). Elia werd niet gevonden (vs. 17), evenmin als Henoch in zijn dagen 'gevonden werd, omdat God hem had weggenomen' (Hebr. 11:5). Mogelijk was er na Henochs wegneming ook een vergeefse zoektocht naar hem georganiseerd; de woorden 'en hij werd niet gevonden' kunnen hierop wijzen. Deze profeten redeneerden precies zoals Obadja, die bang was dat de Geest des Heren Elia plotseling naar een andere omgeving zou verplaatsen (vs.16; vgl. 1Kon.18:12 en ook Hand.8:39,40). Hun horizon bleef blijkbaar beperkt tot de aarde, zij hielden geen rekening met een werkelijke opneming in de hemel. Zo zijn er ook in onze dagen van godsdienstige verwarring enerzijds en openlijke afgodendienst anderzijds, vele goedwillende belijders die behoren tot de 'profeten des Heren' (1Kon.18:13; 22:5v.; vgl. 1Sam.19:18v.), maar die toch aardse dingen bedenken. Helaas hebben zij - althans in de praktijk van het christelijke leven - geen oog voor een hemelse Christus (Fil.3:19,20; Kol.3:1-4). Dit beperkte aardse gezichtsveld is helemaal in strijd met het ware, hemelse karakter van het christendom. Wij kennen Christus immers nu niet meer naar het vlees, d.i. als Messias op aarde (2Kor.5:16). Wij zien Hem als de verhoogde Mensenzoon gekroond met eer en heerlijkheid, gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Laat onze blik daarom, evenals die van Paulus, de gezant van de verheerlijkte Heer in de hemel, steeds op Hem zijn gericht. Dan zullen wij Hem als nieuwe, hemelse mensen (1Kor.15:48), als hemelburgers hier op aarde echt kunnen 'grootmaken' en kunnen 'vertonen' (Fil. 1:20; 2:15; 3:20) - evenals Elisa voortaan gehuld ging in de mantel van Elia en wandelde in de kracht van diens geest.