JOZEFS GESCHIEDENIS.

Praktische beschouwing.

DE VLUCHTENDE HELD.

Toen Jozef tot zulk een hooge trap van waardigheid was opgeklommen bij Potifar, dat alles aan zijn zorgend bestuur was toevertrouwd, bracht de vijand hem in een groote verzoeking. Al de beproevingen, die reeds zijn deel waren, waren gering, vergeleken bij deze zware verzoeking. En het was geen verzoeking van een uur of een dag, neen, dag aan dag kwam de slang met haar listige verleidingen. Zou nu Jozefs boog in stevigheid blijven? De strijd ging voort, het kwaad kwam telkens weer op hem aan! Doch, Gode zij dank! Jozef bleef in zijn kracht. De handen van den Machtige Jakobs sterkten hem. Uit zichzelf kon hij onmogelijk staande blijven, maar hij vond kracht in de tegenwoordigheid Gods. In de stille eenzaamheid had hij gemeenschap met zijn God; daarom was in den strijd God met hem.

Hier doen wij eenzelfde ontdekking op, als waarvan de dichter Beets spreekt:

Ik vond een man, een man van staal,
Een man van stalen moed,
Een man van onvermengd metaal -
En toch van vleesch en bloed.

Ik vond een man met vrijen nek,
Van eedlen geest bezield -
Juist kwam hij uit het bidvertrek,
Hij had voor God geknield!

Jozef dan bleef getrouw. Hoe goed was Potifar voor hem geweest, en welk een onverdeeld vertrouwen stelde deze in hem! Zou hij van dat vertrouwen ook maar in het minst misbruik maken? Maar - meer dan Potifar was God voor hem. Tegen Potifar zou hij een zoo groot kwaad doen, doch veel erger was, dat hij zou zondigen tegen God! Zoo vielen dan alle menschen bij hem weg, en bleef God alleen over. Deze zaak was voor Jozef geen zaak tusschen hem en Potifar, maar tusschen hem en God. Zondigen zou hij, als hij naar Potifars vrouw luisterde, zondigen tegen God. En zijn God wilde hij trouw blijven ten koste van alles.

Doch de verzoeking hield aan. En de booze zou tot het uiterste volhouden. Ja, wat was de vrouw van Potifar anders dan een werktuig in Satans hand om Jozef te doen vallen? Jozef moest vallen! De broeders hadden gezegd: wij zullen zien wat van zijn droomen worden zal; en de geest, waarin zij zoo spraken, was de geest van den duivel, die steeds tracht te verhinderen, wat God gesproken heeft. En hier vond hij nu een geschikt instrument: deze vrouw met haar begeerlijkheden, die ten slotte z ver ging, dat zij de hand sloeg aan den reinen Jozef. Toen echter redde Jozef zich door de vlucht. Hier baatten geen woorden meer; niet alleen niet om het werktuig van zooveel verdorvenheid tot inkeer te brengen, maar ook niet om zelf bewaard te blijven. Jozef was een mensch van gelijke bewegingen als wij. Hij was niet als de Volmaakte, die zeggen kon: de overste dezer wereld komt en vindt in Mij niets. [1] Jozef moest dus heengaan, zoo snel mogelijk; dt alleen was zijn behoud.

Jozefs daden schitteren in den gouden glans van reinheid en kuischheid. Doch zelf kende hij zijn hart, en hij wist, dat de mogelijkheid bestond, dat door te talmen de begeerlijkheid, die ook in hem was, ontving, en zonde en dood de gevolgen zouden zijn. [2] Daarom: n oogenblik dralen zou noodlottig zijn!

De verleidster echter had zijn kleed genomen, en meende hem daardoor in haar macht te hebben. Doch liever werd hij voor de menschen tot schande en spot, dan den wil van God te verzaken en zich voor God te bevlekken. Zij kon zijn kleed nemen, doch, Gode zij dank! niet zijn eer.

Hoe groot is hier Jozef als held in zijn vlucht!

Jozef wandelde met God. Een wandel met God is een wandel, gescheiden van het kwaad. Maar tegelijkertijd leert men juist, als men met God wandelt, meer en meer eigen zwakheid en machteloosheid kennen. De wandel in het licht ontdekt ons steeds meer aan onszelf, zoodat wij voortdurend meer leeren de verdorvenheid van het eigen vleesch. 't Zelfvertrouwen wordt al minder, en al meer leeren wij onze kracht zoeken in God. De bede: leid ons niet in verzoeking, wordt steeds meer een harte-bede, en als God toelaat, dat de verzoeking tot ons komt, redden we ons door de vlucht.

Hoe licht kan de gedachte in ons opkomen om het kwaad eens wat nader te bezien! Of de meening bij ons zijn, dat de verzoeking ons niet zoo spoedig schaden zal! Toen Jozef gedwongen was in de nabijheid van dit gevaar te vertoeven, heeft God hem bewaard, maar ten slotte kon hij zich alleen redden door de vlucht.

 

Onze Vaderlandsche geschiedenis verhaalt ook van een vluchtenden held.

Friedrich Wilhelm, de "groote keurvorst" van Brandenburg, was een dapper held. Als een naar geest en lichaam krachtig ontwikkelde knaap van vijftien jaar werd hij door zijn vader voor zijn verdere vorming naar Nederland gezonden. Daar stonden akkerbouw, handel en nijverheid in vollen bloei. Daar was een groot binnenlandsch verkeer langs tal van kanalen en straatwegen. In de havens brachten groote schepen de voortbrengselen van alle landen. En de stadhouder, Frederik Hendrik, was de bekwaamste veldheer van zijn tijd. Daar was dus voor den toekomstigen keurvorst van Brandenburg veel te zien en te leeren.

Maar kwaad kon hij er ook leeren. In Den Haag bracht een groot aantal voorname jonge mannen hun geld door in een vroolijk en ongebonden leven. Ze vormden een "bond van middernachtsvrienden," en ze noodigden ook den jongen prins Friedrich Wilhelm tot hun feesten, waarbij het er hun om te doen was, hem te midden van het vroolijke feest te verleiden tot ontucht. Doch toen op een avond de verzoeking rechtstreeks op den prins aankwam, vluchtte hij, en vertrok onmiddellijk uit Den Haag. Hij vreesde de macht der verleiding en wantrouwde zichzelf.

 

Gods Woord zegt: "Vlied de begeerlijkheden der jonkheid," en nog eens in het bijzonder: "Vlied de hoererij." God beveelt ons dus niet om te strijden tegen deze begeerlijkheden, maar ze te vlieden. Waarheen zullen we echter vlieden, waar immers deze begeerlijkheden wonen in ons bloed en in onze gedachten? We moeten vlieden tot Jezus.

Laat ook ons hoon en spot trotseeren, de vijandschap der wereld, om van haar gescheiden te blijven! Laat ons het gevaar ontvluchten, waar de vijand ons lagen legt! Het gevaar ontvluchten in daden, woorden, vormen, kleeding. Ontvluchten wat de zinnen prikkelt en niet welvoegelijk is. Al noemt de wereld ons dan bekrompen, al keeren zich vrienden van ons af, geen nood - we zijn in Gods weg. Laten we ons toch niet laten benvloeden door de meening van anderen. Er is veel zedelijk kwaad in de wereld, veel lichtzinnigheid. Zie eens naar de kleeding van velen in onze dagen! De wereld verwerpt een stemmig gewaad en versiersel van schaamte en ingetogenheid, en vele kinderen Gods volgen de wereld in dezen. [3] Men zegt vrij te willen zijn en zich niet te laten binden door enghartige begrippen. Maar men vergeet, dat een niet luisteren naar hetgeen de Schrift zegt, niets minder is dan ongehoorzaamheid aan God, en ongehoorzaamheid aan God is zondigen tegen God.

En wilt gij tegen God zondigen?

't Kwaad behoeft niet zoo ver te gaan, als dit van Jozef werd begeerd; maar wij hebben in alles te luisteren naar Gods Woord en "neen" te zeggen tegen de wereld.

Laat ons ook niet onderschatten het groote gevaar, dat voor ons altijd drin bestaat, dat de zonde nog in ons vleesch woont. Zullen wij daarom niet alles vlieden, wat de lust kan prikkelen en opwekken? Zouden we ook niet alle geschriften schuwen, die onzen geest kunnen schaden? Helaas vindt men ook nog in geloovige gezinnen bladen en illustraties, die daar niet behooren; n blad, dat dikwijls illustraties geeft, waardoor de zinnen geprikkeld worden, ziet men nochtans bij menig Christen in huis. Maar, hoor ik zeggen, dat blad neem ik alleen om de mooie natuuropnamen; en wat dat andere betreft, daar sta ik boven. Of: het gaat mij om de kunst, en ik sta boven den verderfelijken invloed van zulke voorstellingen. Maar het is niet zoo. We staan er niet boven. Paulus heeft wel gezegd: den reinen is alles rein, maar hij laat er dadelijk op volgen: "Den besmetten en ongeloovigen is niets rein, maar zoowel hun verstand als hun geweten is besmet." En wij weten, dat ook wij, die God kennen, deze besmetting nog in ons vleesch met ons omdragen. Daarom moeten we voor alles, dat tot zedelijk kwaad voeren kan, waken en er van

vlieden.

En vooral gij, jonge geloovigen! geeft liever alles prijs, dan u bloot te stellen aan gevaren, waarvoor gij vluchten

moet.


[1] Joh. 14 : 30;

[2] Jak. 1 : 15.

[3] 1 Tim.2 : 9 en 10; 1 Petr.3 : 3 en 4.