De bevrijden des Heeren.[1]

 

Reeds dikwijls zijn over Psalm 107 opmerkingen gemaakt in betrekking tot zijn profetische strekking voor Isral. Maar thans willen wij hem eens van een ander oogpunt uit bezien, en wel inzoover hij ons waarheden voorstelt van toepassing op het heerlijk Evangelie van Gods genade.

Wonderschoon worden in dit lied het heil en de uitredding bezongen, die God verlorenen heeft bereid; de genadebedoelingen, die Hij heeft met de Zijnen, met den mensch in het algemeen.

"Looft den Heer, want Hij is goed; want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid."

Zoo luidt de aanhef van onzen Psalm. Dit is een woord, dat allen wel willen hooren. Ook de niet‑bekeerden. De goedheid Gods, de liefde Gods, het is iets, waarover de mensch gaarne iets verneemt, gaarne spreekt.

Maar toch kan niet ieder mensch met vrijmoedigheid deze woorden op de lippen nemen. Letten wij maar op hetgeen volgt.

"Dat zulks de bevrijden des Heeren zeggen!"

Dezer dagen werd zoo terecht door iemand de opmerking gemaakt, dat de herders in Bethlehems velden met "groote vreeze vreesden." En waarom dat? Zij waren toch oppassende mannen. Uit het vervolg blijkt zelfs, dat zij geloovig waren. Want zij zeiden niet: "Laat ons zien of het woord geschied is," maar: "Laat ons zien het woord, dat geschied is." Waarom vreesden zij dan? Wel, zij wisten, dat zij zondaars waren. En de engel des Heeren deed hen denken aan een heilig en rechtvaardig God.

Willen we groote blijdschap hebben, dan moet groote vreeze voorafgaan.

Wat wordt er in deze dagen veel gesproken over groote blijdschap! Overal zingt men van het Kindeke Jezus, van de kribbe, van groote vreugde. Maar men vergeet, dat Jezus Christus op aarde is gekomen om zondaren zalig te maken. Daaraan moest veel meer worden gedacht; vooral ook in de prediking. Men hoort zoo gaarne iets liefelijks; over een lief Kindeke in een stillen, heiligen nacht; over een God der liefde. Maar men vergeet, dat de God der liefde Zijn Zoon voor zondaren op aarde deed komen, en dat de Heer Jezus voor dezulken aan het kruis moest sterven. Daarom moet erkenning van schuld, groote vreeze het eerste zijn, en dan kan er groote blijdschap volgen.

Wie van de menschen kunnen in waarheid den Heer loven en prijzen voor Zijn goedertierenheid, die in der eeuwigheid is? Is diezelfde God, die zoo vol van goedheid is, niet een God van recht? Is het niet vreeselijk, te vallen in de handen van den levenden God, die een verterend vuur is?

De eerste nadering tot God moet zijn met een verbroken hart, met een beschuldigd geweten.

O, dat allen, die zoo gaarne een woord over Gods goedheid hooren, er toch aan dachten, dat rst het oordeel over onszelf moet worden erkend! Wij zijn schuldig en moeten ons bekeeren. Eerst dn volgt het Evangelie. Helaas wordt in de verkondiging van de blijde boodschap in onzen tijd daaraan door zoo velen niet gedacht. Men wordt als het ware gedrongen, de "groote blijdschap" aan te nemen. Maar er wordt niet gevraagd, of er "groote vreeze" is voorafgegaan. En toch ‑ God roept zondaren tot bekeering. Niet dezulken, die in 't algemeen toestemmen, dat alle menschen zondaren zijn, maar die van zichzelf erkennen schuldig te staan voor God.

Laat ons maar zien, wat in het begin van onzen Psalm wordt gezegd.

"Dat zulks de bevrijden des Heeren zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft. En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee."

We vinden hier drie dingen.

1e. het zijn bevrijden des Heeren.

2e. ze zijn bevrijd uit de macht van den vijand.

3e. ze worden door den Heer verzameld uit alle windstreken tot n geheel.

De bevrijden des Heeren!

Niet door menschen dus. We zingen zoo terecht: "Wie is voor mij op aard gekomen? Het is de Heer!" En: "Zoo ik den weg vind tot den Vader, 't is door den Heer!"

Tot tweemaal toe lezen wij in 1 Kor. 6 en 7: "gij zijt voor een prijs gekocht." Dat wil zeggen: duur gekocht. Wij waren in de macht der zonde. En moesten vrijgekocht worden. Dat kon echter alleen, doordat Christus voor ons Zijn bloed stortte. God moest bevredigd worden. Er moest een prijs betaald worden voor onze verlossing, die voldeed aan de eischen van Gods heiligheid.

Daarom is dit zoo belangrijk: de bevrijden des Heeren. Gered uit de slavernij der zonde, niet door onze eigen inspanning; door ons aangenaam te willen maken voor Hem. Vergeefsche pogingen! Neen, het is de weg om te erkennen, dat men gebonden is door de macht der zonde en niet los kan komen. Maar dan te zien op den grooten Bevrijder. "Hij maakt vrij! Halleluja!"

Die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft!

De zondaar is door Satan gegrepen; is in diens hand. Maar de hand des Heeren is sterker dan die van den duivel. Hij verlost uit de macht van den zielemoorder. Door Christus is hij verslagen op het kruis. En een ieder, die zich in de hand des Heeren overgeeft zooals hij is, wordt door Hem volkomen van alle booze machten bevrijd, en ontvangt Zijn zaligheden, zoodat hij met een dankbaar hart zingen kan:

 

Alle roem is uitgesloten!
Onverdiende zalighen
Heb ik van mijn God genoten,
'k Roem in vrije gunst alleen!

 

Doch er volgt nog iets.

Die Hij verzameld heeft!

De Heer, die eenmaal de Isralieten uit de vier windstreken zal verzamelen, vergadert ook nu de Zijnen. Hij vereenigt ze tot n lichaam. Hij wil ze ook verbinden in praktische gemeenschap met elkander. Losgekocht door den Heer, vrijgemaakt van den booze, zijn zij n met elkander en n met Hem, en wil Hij ook, dat zij zich als zoodanig openbaren.

Eerst als we deze drie dingen goed verstaan, kunnen we ook goed verstaan de goedertierenheid des Heeren.

Natuurlijk zijn al de bevrijden des Heeren, al de uit Satans macht losgerukten, verzameld door Hem tot n lichaam. Maar eerst als we het verstaan, kunnen we er van genieten en kan de Heer er door verheerlijkt worden.

In het Evangelie van Matthes lezen wij van vergaderd zijn. Niet van zelf vergaderen. Hier is het evenzoo: Hij heeft hen verzameld.

De Heer vergadert de Zijnen door Zijn Geest, opdat zij zich verlustigen zouden in Hem, in Zijn Persoon, die het Middelpunt der Zijnen is.

*    *   *

In de verzen 4‑32 van onzen Psalm vinden wij den toestand beschreven, waarin de natuurlijke mensch zich bevindt. Vervolgens in de verzen 33‑43 de heerlijke gevolgen, die het verlossingswerk heeft voor hen, die zich in deze droevige omstandigheden bevonden, maar er uit werden verlost.

Wij hebben gelezen, hoe God uit de benauwdheid weet te redden, en wel in vierderlei opzicht:

1e uit de woestijn; een land dor en mat.

2e uit de gevangenis; in boeien geklonken.

3e uit ziekte en dood.

4e uit allerlei beproevingen.

Het getal vier staat in betrekking tot de wereld, tot de aarde. Men denke aan de vier jaargetijden, vier windstreken, enz. Welnu, hier hebben we dan vierderlei soort van ellende; want van alle kanten omgeeft ons op deze aarde moeite en verdriet.

De eerste soort van ellende vinden we in vers 4-9.

In de woestijn verdwaald, hongerig, dorstig, in een weg der wildernis en geen stad ter woning.

Z is het met allen, die God niet kennen, en die tot inzicht zijn gekomen van de armoede dezer wereld. Ze weten niet, waar ze heen moeten gaan, zoodra ze ontdekt hebben, dat het hier niet te vinden is.

Dit bewustzijn van eenzaamheid doet de ziel tot God roepen. Want zulk een ziel is overstelpt. En wat blijft er dan anders over dan roepen om hulp? Roepen tot God? Roepen om vrede, om rust, om zekerheid van behoud?

O, toen wij geestelijken honger en dorst kregen, hoe schrikkelijk was toen voor een tijd onze toestand! Maar hoe heerlijk, dat er En was, die ons roepen hoorde; die wonderlijk wist uit te helpen; die ons niet deed naar onze zonden; die ons "redde uit onze angsten," en ons leidde in den "rechten weg tot een stad ter woning." En toen we dit ervaren hadden, toen we z tot God, tot den Heer Jezus hadden geroepen, en al onze nooddruft werd vervuld, hadden we behoefte om den naam des Heeren te prijzen.

In vers 10‑16 vinden we een geheel anderen toestand. Zagen we in het eerste den honger der ziel, de behoefte aan zielevoedsel, hier is alles donker, hier is de ziel in de gevangenis.

Dit is k erg. Er staat: in de schaduw des doods. Dus niet alleen in duisternis, maar in een plaats, waar men voortdurend aan den dood herinnerd wordt. Opgesloten, zonder vooruitzicht er uit verlost te worden. Bijna levend begraven.

Voor ons geldt het natuurlijk geestelijk. Maar is geestelijk in de gevangenis zijn soms minder erg?

Als men onschuldig is, kan men nog zeggen: mijn onschuld zal mij misschien bevrijden. Maar n is er geen hoop. Men is terecht opgesloten. En er is geen helper.

't Is alsof de gevangenen naar alle kanten hebben uitgezien om te ontkomen. De deur is gesloten en gegrendeld, het venster is te hoog en wel verzekerd, nergens is uitkomst. Geboeid liggen ze daar.

Maar gelukkig, als ze dan ook nog gebrken worden! "Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft!" Zoodra iemand erkent, dat hij een ellendige gevangene der zonde is, en nergens uitkomst ziet, is hij gekomen, waar hij wezen moet: Klein voor God. God verbreekt al wat hoog van oogen of hart is.

En dan wordt het zooals hier staat: de banden vallen af. Dan worden de grendelen verbroken, dan springt de cel-deur open, dan wordt alles licht; en de menschen, die in de duisternis zaten, worden dan in de volle vrijheid gevoerd!

Zoodat ze gaan zingen: Looft den Heer! En ook:

ja, Gij verbraakt de sterke boeien,
Waarin de zonde ons hield gekneld!

Er is echter nog een derde toestand op aarde, die den mensch er toe brengt, tot God te roepen. Dat is: ziekte en dood. Men wordt zelf krank, komt aan de grenzen van den dood, of men ervaart dit bij de zijnen.

Zie, dat wordt ons in vers 17-22 aangetoond.

De menschen vragen wel eens: Hoe is het toch mogelijk, dat er zulk een oorlog is geweest, waardoor zoo velen omkwamen; dat er zooveel ziekte en dood is, en zoo vele menschen in de kracht des levens worden weggerukt. Ach, dat komt door den mensch zelf! De mensch heeft de zonde in de wereld gebracht, en daardoor strijd en ziekte en dood.

Maar gaat men nu met den nood tot God? Als in Achabs tijd hongersnood is, gaan Achab en Obadja grassprietjes zoeken. Hun arbeid is echter vergeefsch. Achab had zich tot God moeten bekeeren; tot Hem moeten roepen. Zoo is het ook nu.

Conferentie op conferentie houden de overheden. Ze overleggen en overleggen. Doch niets baat. Als ze maar eens met Hem gingen rekenen!

En zoo is het met ieder mensch persoonlijk. God laat verliezen en krankheden komen, ook dure tijden, ook werkeloosheid of achteruitgang, opdat we door nood en dood tot Hem zouden leeren gaan.

Er moet tot God geroepen worden op het krankbed, op het sterfbed. Tot God geroepen worden door de betrekkingen. Hier is geen schaduw des doods, maar de dood zelf! De "poorten des doods" zijn de macht des doods. Men is als het ware reeds "in den kuil." Is er dan nog redding mogelijk? O, als er maar een roepen tot den Heer is! Doch k - een luisteren naar den Heer. Want er staat hier: "Hij zond Zijn Woord uit en heelde hen."

Wat gebruikt de Heer vooral op het ziekbed, op het sterfbed? Het Woord! Om terecht te brengen. Balsem uit Gilead! We kunnen er nooit genoeg aandacht aan schenken. Zijn Woord doet wonderen.

En de menschen, die daar beangst, ten doode gedoemd, nederlagen, beginnen nu te zingen! De jubel breekt uit. Ze moeten "de wonderwerken des Heeren aan de menschen vertellen." ja, nog meer. "Lof-offeren" worden door hen geofferd. Zoo is het bij een zieke, die beter wordt. Men denke aan Hiskia. Tot den Heer is er geroepen: Heer, heel toch! En als dan de Heer uitgeholpen heeft, zijn er lof-offeren in het hart. Geestelijk toegepast is het nog schooner. Men denke aan Saulus. Hij had zich tegen den Heer verzet. Nu werd hij blind. Maar hij riep tot den Heer, en toen kwam het woord der genezing: Sta op en laat u doopen, en uw zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren."

In de vierde plaats zijn er nog algemeene beproevingen. We vinden die in vers 23-32. De zee met haar stormen! Waar zal men heen vluchten? Nood leert bidden! "Roepende tot den Heer in de benauwdheid, die zij hadden, zoo voerde Hij hen uit hunne angsten."

Het is altijd dezelfde Heer, Hij, die de stormen doet komen, doet ze ook weer stilstaan. (Vers 25 en 29.) Maar dan moet de ziel van angst versmelten; dan moet alle eigen wijsheid zijn vergaan.

En wat is dan het gevolg? Ze worden dan door Zijn machtige hand gevoerd naar de haven hunner begeerte. En ze hebben dan behoefte, Hem te verhoogen in de gemeente des volks, en te roemen in het gestoelte der oudsten.

Dn is het eerst volmaakt. Ze zijn bevrijd en verzameld

Niet als geredden blijven ze alln staan, maar anderen menschen doen ze zien, dat ze door Hem bevrijd zijn; en in het midden der gemeente roemen ze hun Redder.

Velen zijn er, die bekeerd zijn, maar die niet van Hem getuigen; die Hem niet in de gemeente verheerlijken. God wil, dat allen Hem leeren kennen, en dat dan allen tezamen Hem verheerlijken.

En voor dezulken, voor de verlosten, blijkt dan alles veranderd te zijn. Eerst werden de rivieren tot woestijnen, watertochten tot een dorstig land, het vruchtbaar land tot zouten grond. Ter oorzake van de zonde. Maar nu wordt de woestijn tot een waterpoel en het dorre land tot watertochten. Nu worden de hongerigen verzadigd en hebben de dwalenden een stad ter woning. Vrede, vreugde en vruchtbaarheid! En dat niet, omdat zij zoo goed zijn geweest, maar omdat de Heer zoo goed is, omdat Hij alles, nu er schuld beleden en tot Hem geroepen is, ten goede deed keeren.

Zal dit nu altijd zoo blijven? Zullen de verlosten altijd voorspoed hebben? Neen, er blijven bezwaren. Er zijn er zelfs, die hierdoor teruggaan. Lezen we niet: "Daarna verminderen zij, en komen te onder, door verdrukking, kwaad en droefenis." Hoe is dit te verklaren? Ach, de bevrijden des Heeren vergeten zoo licht om bij de goedheid des Heeren te blijven. En dan moet de Heer weer nieuwe moeilijkheden zenden. Eerst om ze te redden. Daarna om de geredden te bewaren. Maar - het is n heel anders dan te vren. De Zijnen zijn als nooddruftigen. Ze gevoelen zich in alles van Hem afhankelijk. En waar Hij de prinsen dezer aarde veracht, en hen doet dwalen in het woeste, waar geen weg is, daar brengt Hij Zijn nooddruftigen uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt hun huisgezinnen als kudden, tot vreugde der oprechten en tot beschaming der boozen.

O, laten wij, die tot de vrijgekochten des Heeren behooren, wijs zijn! Dat is: waarnemen, wat de Heer doet. Hij wil, dat wij Zijner heiligheid deelachtig worden. Daarom kastijdt Hij ons als Vader. In Psalm 32 lezen we niet: den weg, dien gij gaan wilt, maar: den weg, dien gij gaan zult of moet. De weg, dien God ons aanwijst, is de goede voor ons. En als we dien gaan, leidt Hij ons, onderwijst Hij ons, terwijl voortdurend Zijn oog raadgevend op ons gericht is. In Zijn oog kunnen we als het ware zien, welke richting we moeten uitgaan. Daarom is gemeenschap met Hem zoo noodzakelijk. "Den nooddruftige" stelt Hij in een hoog vertrek. We moeten het altijd in afhankelijkheid bij Hem zoeken en blijven zoeken. Dan verstaan we, dat al wat Hij doet welgedaan is. Ook als Hij geliefden van onze zij of uit ons midden wegneemt.

Laten we dan verstandiglijk letten op de goedertierenheden des Heeren. Die wijs is, begrijpt, dat de beproevingen tot zegen zijn. De "bevrijden des Heeren" verstaan, dat al wat over hen komt "goedertierenheden des Heeren" zijn, en daarom roepen zij uit onder al wat gebeurt: "Looft den Heer!"



[1] Naar een voordracht, gehouden op een der Conferentie‑avonden eind December 1922, opgeteekend door een der hoorders.