Wel of geen staf of sandalen?

 

Willem J. Ouweneel

 

In vorige artikelen hadden we het over twee dingen die wij wél moeten opnemen en met ons mee dragen (een juk en een kruis). Nu gaan we het hebben over verscheidene dingen die de discipelen van de Heer niet mochten opnemen en met zich mee dragen: een staf, reiszak, brood, geld; twee onderklederen: 'Neemt niets mee voor onderweg, geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld; hebt ook niet elk twee onderklederen' (Lk9:3). Wat betekent deze uitspraak? En hoe verhoudt deze zich tot twee parallelteksten: 'Voorziet u niet van goud, zilver of koper in uw gordels, geen reiszak voor onderweg, geen twee onderklederen, geen sandalen, geen staf' (Mt10:9), en: 'Hij beval hun niets mee te nemen voor onderweg dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel; maar dat zij sandalen zouden aanbinden; en: 'Doet geen twee onderklederen aan' (Mk6:8v.)? Lk zegt: geen staf; Mk zegt: wel een staf. Mt zegt: geen sandalen. Mk zegt: wel sandalen? Hoe zit dat?

 

Wat de eerste vraag betreft: de Heer maakt zijn discipelen duidelijk dat zij met zo min mogelijk voorzieningen op pad moesten gaan voor Hem en dat zij erop moesten vertrouwen dat Hij onderweg voor hen zou zorgen. Overbodige luxe belemmert de discipel maar in zijn loop (vgl. Hb12:1). Bovendien is het een normaal beginsel dat de dienstknecht van de Heer van zijn arbeid leeft, 'want de arbeider is zijn voedsel waard' (Mt10:10) en: 'de arbeider is zijn loon waard' (Lk10:7; vgl. 1Tm5:17v.).. 'Zo heeft de Heer ook verordend voor hen die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven' (1Ko9:14). De Heer zou onderweg in alles voorzien via de gastvrijheid van degenen bij wie zij zouden logeren.

 

Natuurlijk kan men deze instructies niet zomaar toepassen op elke arbeid van een discipel; ze golden alleen maar voor de betreffende zendingsreis van de twaalf, en ook voor die van de (twee en) zeventig (Lk10:1,4). Immers, vlak voor zijn heengaan zei de Heer tegen zijn discipelen: 'Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft u soms iets ontbroken? Zij nu zeiden: Niets. Hij nu zei tot hen: Maar nu, laat hij die een beurs heeft, die nemen, evenzo ook een reiszak; en laat hij die er geen heeft, zijn kleed verkopen en een zwaard kopen' (Lk22: 35v.). Hier laat de Heer zien dat in andere situaties, zoals de crisis die op Hem en de discipelen afkwam, andere regels kunnen gelden. De Heer kan voor ons zorgen doordat anderen ons ondersteunen, Hij kan ook voor ons zorgen door ons aanwijzingen te geven hoe wijzelf voorzieningen moeten treffen. Als situaties verschillen, gelden er ook andere beginselen. In Lk 9 en 10 werden de discipelen nog met groot respect door de mensen ontvangen en was het niet nodig zelf allerlei extra spullen mee te nemen. Maar in een crisissituatie, of als we ons bewegen onder mensen die zeer vijandig tegenover ons staan, kan het nodig zijn zelf bepaalde voorzieningen te treffen als een goed soldaat van Christus (vandaar dat Hij zelfs over een zwaard spreekt, uiteraard in figuurlijke zin).

 

Dan wat de tweede vraag betreft: de schijnbare tegenstrijdigheden tussen Mt, Mk en Lk. Wat de sandalen betreft zou men eruit kunnen komen door erop te wijzen dat er twee verschillende woorden voor 'sandalen' worden gebruikt. In Mk 6:9 zou de Heer dan bedoelen dat de discipelen wel de eenvoudige leren zolen met riempjes mochten meenemen, maar geen gecompliceerdere schoenen met leren kap. Het verschil tussen de twee woorden is echter niet groot. Waarschijnlijk moeten we de oplossing eerder zoeken in het feit dat de Heer in Mt 10:9 spreekt over een 'zich voorzien van', dus het aanschaffen van zaken die op reis meegenomen moesten worden. Nee, lijkt de Heer te zeggen, neem eenvoudig mee wat je al hebt, de gewone staf in je hand en de sandalen aan je voeten, maar tref geen extra voorzieningen voor je reis. Het weinige dat je hebt is genoeg; ga niet eerst een betere staf of andere (extra?) schoenen kopen. Zoals je nu bent, ben je al helemaal bruikbaar voor Mij; Ik zal in al het andere voorzien.

 

Het gebruik van 'zich voorzien van' in Mt en 'meenemen' in Mk helpt ons te begrijpen - hoewel het best een moeilijk punt blijft - waarom de Heer in Mt 10 zegt: 'geen staf', en in Mk 6 'wel een staf'. In Lk 9:3 gebruikt de Heer echter hetzelfde werkwoord als in Mk 6:8, namelijk 'opnemen' of 'meenemen' (opnemen om het met zich mee te dragen). Dit werkwoord is echter ruim genoeg om ook de betekenis 'zich voorzien van' te kunnen omspannen. Met andere woorden: in Lk 9 zegt de Heer: 'Neem geen staf mee', terwijl in Mk 6 staat: 'Hij beval hun niets mee te nemen dan alleen een staf'. Maar dit verschil wordt door Mt 10:9 genoegzaam verklaard: neemt mee wat jullie bij je hebben, maar treft geen extra voorzieningen. Ga bijv. niet eerst kijken of je je oude staf niet beter door een nieuwere en mooiere zou kunnen vervangen.

 

Het klinkt allemaal misschien wat geforceerd, maar als we ervan wil­len uitgaan dat er geen tegen­strijdigheden tussen de Evangeliën bestaan, is dit de minst slechte ver­klaring die ik kon vinden. In ieder geval geef ik er de voorkeur aan boven verklaringen die het verschil zoeken in verschillende typen 'staf' waarop de Heer zou doelen (terwijl er één en hetzelfde Griekse woord gebruikt wordt). Laat de lezer door dit soort problemen echter niet van de wijs gebracht worden. De voor­naamste les blijft in alle gevallen dezelfde: de discipelen moesten zich licht kleden, geen extra voor­zieningen met zich mee torsen, want de Heer zou onderweg voor hen zorgen door de vriendelijke hulp van godvrezende mensen.

 

Nog even dit: de 'reiszak' (of 'knapzak') was een leren zak waarin eten en drinken en extra kleren konden worden meegenomen. Er zat vaak ook een beurs in voor het bewaren van aalmoezen. Zo'n reiszak was in die tijd namelijk een heel bekend attribuut van rondreizende arme predikers, die afhankelijk waren van de goedgunstigheid van hun luisteraars (vgl. 3 Jh 5-8). Zelfs zo'n reiszak moesten de discipelen niet met zich meenemen. Wat zij onderweg zouden ontvangen, zou voor het moment genoeg zijn. Ze hoefden er geen voorraad van aan te leggen. Er was wel veel geloof bij de discipelen nodig om op deze wijze op stap te gaan! Maar toen de Heer later vroeg: 'Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft u soms iets ontbroken?', konden zij antwoorden: 'Niets' (Lk 22: 35). Ook al kunnen wij deze instructies in onze omstandigheden niet (altijd) letterlijk zo overnemen, het grondbeginsel blijft hetzelfde: vertrouwen op de Heer.