De DrieŽenheid in Jesaja

(slot)

W.J. OUWENEEL

In het vorige artikel hebben we iets gezien van de heerlijkheid van de drieŽne God zoals deze straalt in Jes.6. We kijken nu naar een ander merkwaardig vers, en wel 48:16v.: 'Nadert tot Mij, hoort dit: Van de aanvang af heb Ik niet in het verborgene gesproken; ten tijde dat het geschiedt, ben Ik daar. En nu heeft de Here HERE mij met zijn Geest gezonden: Zo zegt de HERE, uw Verlosser... [enz.].'

 

De NBG-vertaling brengt midden in vs.16 een nieuwe alinea aan, om duidelijk te maken dat in vs.16b een nieuwe spreker aan het woord komt. In vs.16a spreekt God, en dat is natuurlijk altijd de drieŽne God: Vader, Zoon, Heilige Geest. Maar in vs. 16b gaat het om een andere 'mij' dan de 'Mij' (= God) in vs.16a. Wie is deze opmerkelijke 'mij' in vs.16b, die door de Here God 'met zijn Geest' gezonden wordt? Sommige uitleggers denken hier aan de profeet Jesaja, maar verscheidene uitleggers denken hier (m.i. terecht) aan de zogenaamde Knecht des Heren. Deze kennen we natuurlijk uit de vier 'liederen' van de Knecht des Heren in hfst.42,49,50 en 52:12-53:12. Maar een enkele maal komt Hij ook buiten deze vier gedeelten voor, namelijk hier in 48:16.

 

De Knecht is God Zelf!

Op zichzelf is daarmee dit vers natuurlijk nog geen heenwijzing naar de DrieŽenheid. Dat wordt het pas als we bedenken dat (a) deze Knecht des Heren de Messias is, en dat (b) nu juist Jesaja bijzondere nadruk legt op de Godheid van de Messias. Juist hij vertelt ons van de wonderlijke, maagdelijke geboorte van de Messias en van zijn naam, die zijn Godheid insluit: 'ImmanuŽl', d.w.z. 'God met ons' (7:14; vgl. 8:8,10). En nog duidelijker is de profeet in 9:5, waar hij niet alleen spreekt van een 'geboren Kind', maar ook van een 'gegeven Zoon', aan Wie hij minstens twee Goddelijke namen toekent: 'Sterke God' en 'Vader der eeuwigheid'; misschien is ook 'Wonderbaar' een Goddelijke naam. Juist bij Jesaja is er dus geen twijfel over dat de lijdende Knecht des Heren, die door God tot zijn volk wordt gezonden, Zelf God is.

In 48:16 lezen we dat de Knecht wordt gezonden 'met zijn [= Gods] Geest'. Hierin ontmoeten wij de derde persoon van de Godheid. We vinden deze 'combinatie' van de drie Goddelijke personen nog driemaal in Jesaja:

(a) 'En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van IsaÔ en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des HEREN' (11:1v.). Hier vinden wij de HERE, d.i. strikt genomen de drieŽne God, maar waarin de Vader als Zender van de Zoon en de Geest vooropstaat, en verder de Messias, die Zelf God is, en de Heilige Geest van God.

(b) 'Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd; hij zal de volken het recht openbaren' (42: l). Ook hier vinden we weer de HERE, de Knecht des Heren en de Heilige Geest. In het citaat van Matth.12:18-21 wordt bij de 'Knecht' uitdrukkelijk aan Christus gedacht.

(c) 'De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen... [enz]' (61:1). Ook hier vinden we weer de HERE, de Messias en de Heilige Geest. In het citaat van Luk.4:18v. past de Heer deze profetie op Zichzelf toe. Hij, God de Zoon, is de nederige Messias, die door God (de Vader) in de wereld is gezonden en gezalfd is met de Heilige Geest, de derde persoon in de Godheid.

 

De Vader, de Engel en de Geest

Ten slotte wijzen we op een ander, heel opmerkelijk gedeelte, en wel Jes.63:7-19. Het is een beetje te lang om geheel te citeren, maar let u op de volgende merkwaardigheden:

(a) 'Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en IsraŽl kent ons niet; Gij, HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam' (vs.16). Hier wordt God met zijn bijzondere naam 'Vader' aangeduid. Natuurlijk reikt dit bij lange na niet tot de volle openbaring van het Nieuwe Testament, waar God de Vader allereerst de eeuwige Vader van de eeuwige Zoon is, en vervolgens pas ook de Vader van de gelovigen, namelijk van hen die de Zoon als hun leven hebben ontvangen. Het geweldige is daar dus juist dat Hij die de Vader van de Zoon is, ook Únze Vader is geworden (vg. Joh.20:17; 1Joh.2:23b).

Omdat de Zoon in het Oude Testament nog niet geopenbaard is, is daar ook de Vadernaam nog niet geopenbaard (vgl. Joh.17:6,26). Vandaar dat God zelden als 'Vader' in het Oude Testament wordt aangeduid. Des te opmerkelijker zijn die weinige keren dŠt God als zodanig wordt beschreven, zŤlfs al betekent de naam 'Vader' daar niet veel meer dan 'Schepper, Verwekker, Oorsprong'. Een zo'n merkwaardige plaats is ons Schriftgedeelte (zie verder 64:8; Deut.32:6; Jer.3:4,19; 31:9; Mal.2:10; vgl. Ex.4:22; Deut.14:1; Hos.11:1). Al wordt hier de volle, rijke betekenis van de Vadernaam nog niet zichtbaar, het is toch heel bijzonder dat deze naam hier voorkomt in een gedeelte waar ook de beide andere personen van de DrieŽenheid genoemd worden.

(b) De tweede persoon van de Godheid vinden we hier onder de merkwaardige naam 'Engel zijns aangezichts' (vs.9). Een paar jaar geleden is al uitvoerig in de Bode geschreven over de 'Engel des Heren' in het Oude Testament, en dat willen we hier niet herhalen. Het belangrijkste waar het nu om gaat is dat de Engel aan de ene kant de Vertegenwoordiger van God is, Degene die Hem 'representeert', terwijl Hij aan de andere kant menigmaal met de HERE geÔdentificeerd wordt. Hij žs de HERE, en Hij is tevens diens representant, net zoals in Joh. 1 de Logos 'bij God' is, en anderzijds Zelf 'God' is. Uit Mal.3:1 blijkt duidelijk dat de Engel des Heren - Hij wordt daar de 'Engel des verbonds' genoemd - Dezelfde is als de Zoon van God, aangezien dit vers in Matth.11:10 en Mark.1:1 op Christus wordt betrokken.

In Gen.48:15v. zien we dat Jakob de Engel des Heren op hetzelfde Ďniveau' ziet als God: 'God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isašk gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood, zegene [enkelvoud!] deze jongelingen...' Het is interessant dat de oude kerkvaders in dit vers al de DrieŽenheid meenden te ontwaren: de Engel was natuurlijk God de Zoon vůůr diens vleeswording, de God van Abraham en Isašk was God de Vader, en de God die Jakob als herder geleid had, was God de Heilige Geest (vgl. Rom.8:14). Dat is wellicht wat vergezocht; maar het is zeker merkwaardig dat Jakob een drievoudige omschrijving van God geeft, gevolgd door een enkelvoudige werkwoordsvorm, waarbij een van de drie omschrijvingen (de Engel) duidelijk op God de Zoon slaat. Iets dergelijks hebben we in 1Thess.3:11: 'Maar onze God en Vader Zelf en onze Heer Jezus [twťť Goddelijke personen!] moge [enkelvoud!!] onze weg tot u banen.' Zie ook 2Thess.2:16.

(c) Ten derde vinden we in Jes.63 de Heilige Geest, die in vs. 10 en 11 ook inderdaad zo omschreven wordt, en in vs. 14 de Geest des HEREN wordt genoemd. Op zich is dit al bijzonder, want de naam 'Heilige Geest' is in het Oude Testament heel zeldzaam (zie nog Ps.51:13), terwijl die in het Nieuwe Testament juist zoveel voorkomt. Maar wat nog opmerkelijker is: in het Oude Testament treedt nog maar weinig aan het licht dat de Heilige Geest werkelijk een afzonderlijke Goddelijke persoon is, die in het Nieuwe Testament dan ook onderscheiden wordt van de Vader en de Zoon.

Juist in Jes.63 vinden we opmerkelijke eigenschappen van de Heilige Geest, die zijn persoon-zijn in het licht stellen op een wijze zoals we dat nergens in het Oude Testament duidelijker vinden. In vs.11 verblijft de Heilige Geest in het binnenste van de herders van zijn volk, dus duidelijk onderscheiden van Jahweh die deze Geest aan hen gaf (hoewel de Geest natuurlijk ook Zelf Jahweh is). In vs.14 is de Geest 'rustgevend', wat ook op de werkzaamheid van een persoon wijst. En in vs.10 lezen we zelfs dat de IsraŽlieten Gods Heilige Geest 'bedroefden'. Een of andere kracht die van God uitgaat - zoals men de Heilige Geest helaas dikwijls omschrijft - kan niet bedroefd worden; slechts personen kunnen bedroefd worden. Dat laat zelfs Jesaja al zien, al kende hij nog niet de volle waarheid van de drie Goddelijke personen: Vader, Zoon, Heilige Geest. Maar hij kwam er wel hťťl dicht bij, zo dicht als een oudtestamentische profeet maar kon naderen!