Jorams veldtocht tegen Moab

(slot)

 

H. BOUTER JR.

 

2 Koningen 3:1-27

 

Voordat Elisa zijn profetie uitspreekt, vraagt hij om een harp- of citerspeler (vs.15). Dit is niet zo vreemd als het op het eerste gezicht lijkt. De profeet heeft de muzikant nodig als een middel om te kalmeren na de opwindende discussie met koning Joram (vgl. 1 Sam. 16:14-23). De speelman kan zijn gehoor door muziek en zang herinnerd hebben aan Gods grote daden in het verleden, aan al de wonderen die de Here had verricht, en dat ondanks de zonden van zijn volk (vgl. Ps.78). De God die zijn volk telkens weer had verlost, is ook nķ nog machtig om te redden. Het is immers een van de doelstellingen van de profetie om een van God afgeweken volk bij zijn geschiedenis te bepalen, opdat het tot inkeer en verootmoediging komt. De zangers in 1Kron.25 profeteerden eveneens bij het spel van citers, harpen en cimbalen. Bij het spel van de citerspeler wordt de geest van de profetie ook vaardig over Elisa. De hand, d.i. de macht, van de Here komt op hem en hij spreekt de woorden die de Here hem in de mond legt: 'En hij zeide: Zo zegt de Here...' (vs.16,17).

Het is dus niet zomaar een vrijblijvend advies van de profeet, maar een gezaghebbende uitspraak van God Zelf: 'Zo zegt de Here'. De koningen zullen zich echter wel hebben verbaasd over het woord van Elisa: 'Men make in dit dal vele greppels, want zo zegt de Here: gij zult geen wind voelen en geen stortregen zien; toch zal dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken, gij met uw vee en uw lastdieren' (vs.16,17). Het beekdal moest ťťn groot greppelveld worden, en dat zou volgens de belofte van de Here zo vol water komen te staan dat alle dorst zou worden gelest - nota bene zonder zichtbare regenval!

Bovendien is dit nog maar een kleine zaak in de ogen van de Here: Hij zal ook Moab volledig in hun macht geven (vs.18,19). Misschien zijn deze laatste verzen een aanvulling van Elisa zelf op de eigenlijke godsspraak. Maar in ieder geval vereiste deze profetie geloof bij de hoorders, een onvoorwaardelijk vertrouwen in wat God zegt bij monde van de profeet. Geloofsgehoorzaamheid is echter precies wat God van de mens vraagt. Hij kan en mag het van ons vragen, en Hij zal ons geloof nooit beschamen.

De les die wij hier leren, is dat ons geloof in Gods Woord de weg effent om gezegend te worden en de overwinning op de vijand te behalen. 'Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan wie gelooft dat Jezus is de Zoon van God?' (1Joh.5:4,5; vgl. 2:14-17). Wanneer wij Moab hier zien als een type van de wereld die vijandig tegenover God staat en ook tegenover zijn kinderen, dan gaat het speciaal om de wereld in haar gedaante van hoogmoed, gemakzucht en zelfgenoegzaamheid, om de 'grootsheid des levens' waarover de apostel Johannes spreekt (vgl. Jes.16:6; Jer.48:11,29; lJoh.2:16). Kunnen wij de wereld ook in dit karakter overwinnen? Ja, maar dit is zeker geen eenvoudige opgave; het kan alleen langs de weg van ootmoed en zelfvernedering. Wij moeten hiertoe alles van onszelf prijsgeven: onze wijsheid, onze bekwaamheid, onze trots. Wij moeten leren zonder meer te buigen voor Gods Woord. Dat blijkt ook in deze geschiedenis. Voordat de IsraŽlieten de overwinning op Moab behaalden, moeten zij zich bukken en in het dal (het dal van de beproeving!) vele greppels graven.

Het is een heel karwei, dat zij vermoedelijk hebben verricht met de schopjes die tot hun uitrusting behoren (Deut.23:13). Als dit werk is voltooid, kan God hun zijn zegen schenken. Er komen letterlijk stromen van zegen. De greppels lopen de volgende morgen vol water, om de dorst te lessen van het leger, het vee en de lastdieren (vs.17,20). Het water dat uit de richting van Edom komt, is waarschijnlijk te danken aan een nachtelijke wolkbreuk in het gebergte SeÔr. De wind en de regen waren in Moab niet waarneembaar (vs.17a), maar het water van de wolkbreuk stroomt door de bergbeken snel naar het noorden en bereikte de IsraŽlieten Ďs morgens vroeg bij het brengen van het ochtendbrandoffer in de tempel te Jeruzalem (vs.20). Deze bijzonderheid wordt zeker niet zonder reden vermeld. De zegen voor het volk van God is steeds gegrond op de waarde van het offer. Dat gold voor IsraŽl, maar het geldt ook voor ons. De stromen van levend water, waarover Christus spreekt in verbinding met de uitstorting van de Heilige Geest, konden pas vloeien nŠdat Hij het offer van zijn leven had gebracht en was verhoogd in de hemel (Joh.4:14; 7:37-39). Dit 'water' van Gods Geest lest de dorst van ons hart, het verfrist en reinigt ons. De Geest werkt echter door middel van het Woord, dat eveneens met 'water' wordt vergeleken (Ef.5:26).

Zo breekt er een nieuwe dag aan voor het volk van God, een dag van hoop en verwachting na al het doorstane leed. Des avonds vernacht het geween, maar tegen de morgen is er gejuich (Ps.30:6). Gods Geest maakt alle dingen nieuw, en wil ook ons tot overwinnaars maken. Op deze dag van de overwinning helpt God zijn volk op een bijzondere wijze. De stralen van de opgaande zon kleuren het water bloedrood (vs.22,23). Mogelijk wordt dit effect nog versterkt door de kleur van de rode aarde uit Edom (= rood), die door de kolkende watermassa's is losgewoeld en nu aanspoelt in het dal. De Moabieten trekken hieruit de conclusie dat de legers van de drie koningen onderling in strijd zijn geraakt en elkaar hebben verslagen. Maar dit is een vergissing, zoals zij al spoedig merken (vs.24). Als de overmoedige Moabieten bij de legerplaats van IsraŽl komen, worden ze onverwachts overrompeld en verslagen. Merkwaardig genoeg wordt hetzťlfde water dat de dorst van de IsraŽlieten lest, dus tevens het middel dat leidt tot de ondergang van hun vijanden.

Geestelijk toegepast betekent dit dat onze zegen, die inderdaad daarin is gelegen dat wij (met Christus) zijn gestorven en dood zijn voor de wereld, juist het oordeel inhoudt voor deze wereld en voor de natuurlijke mens. Want de mens die zich in zijn hoogmoed niet met God wil laten verzoenen door de dood van zijn Zoon, zal zijn oordeel zelf moeten dragen. Hij ligt onder het doodvonnis en zal straks met de wereld veroordeeld worden (vgl. Joh. 12:31; 16:8).

Zoals Elisa heeft voorzegd, verslaan de IsraŽlieten de Moabieten en verwoesten zij hun steden en hun land, tot alleen de hoofdstad Kir-Chareset nog over is (vs.25; vgl. echter het voorschrift van Deut.20:19,20). Vanaf de omringende heuvels bestoken slingeraars de stad met stenen. Daarop doet koning Mesa met zevenhonderd man een vergeefse uitbraakpoging in de richting van de koning van Edom, de zwakste schakel in het leger van de bondgenoten (vs.26). Vervolgens dwingt hij zijn tegenstanders toch tot de terugtocht door zijn eerstgeboren zoon ten brandoffer te offeren op de stadsmuur, in het gezicht van de IsraŽlieten. Met dit mensenoffer, dat voor de Here en voor zijn volk een gruwel is, hoopt hij de toorn van de Moabitische afgod Kemos te stillen. Dit gebeurt inderdaad, en er komt nu een grote toorn (ook die van Kemos?) over IsraŽl, zodat zij van hem wegtrekken en naar hun land terugkeren (vs.27). Ongetwijfeld gebeurt dit onder Gods toelating, zodat de overwinning niet compleet is en Moab zich uiteindelijk toch kan onttrekken aan de macht van IsraŽl (vgl. 2Kon.13:20). Zo ondervindt het feitelijk afvallige IsraŽl eveneens Gods tuchtigende hand, en eindigt dit hoofdstuk - dat overigens vol is van Gods goedheid ten opzichte van zijn volk - met een anticlimax.