W J OUWENEEL

 

De Man van Smarten

(slot)

Dit is het slot van een serie artikelen met een korte uitleg van Jes.52:13 tot 53:12, het bekende en geliefde gedicht over de lijdende Knecht van Jahweh, de Man van smarten.

 

Jesaja 53 : 12 (spreker: Jahweh)
Daarom zal Ik toedelen aan Hem ondera de velenb
en met talrijkenc,d zal Hij verdelen buit,
daarvoor dat Hij uitgegoten heeft tot de dood zijn ziel,
en met overtreders is geteld;
en Hij heeft [de] zonde van velen gedragen
en voor de overtreders heeft Hij voorgebeden.

a Of: van. b Of: groten. c Of: machtigen. d Of: en talrijken/machtigen.

Aan het slot van de profetie komen we tot het zesde en zevende gevolg van het verzoeningswerk van de Messias. Het vers begint met een 'Daarom', dat terugverwijst naar vs.11 en/of vooruitgrijpt naar het 'daarvoor dat (= omdat) in het midden van vs.12.

Wat de uitleg betreft moeten we eerst kiezen tussen twee alternatieven: zijn de velen (of groten) en de talrijken (of machtigen) hier degenen die de Messias als deel of buit ontvangt (SV; DT noot) - en worden daar dan metgezellen of vijanden mee bedoeld - f zijn dezen juist de metgezellen van de Messias mt wie Hij zijn deel of buit ontvangt (DT, FD, NBG, NIV)? De mogelijkheid dat de 'groten' zijn vijanden en de 'machtigen' zijn metgezellen zijn (E), vervalt m.i. omdat het niet aangaat onder de 'groten' en de 'machtigen' twee tegengestelde groepen te verstaan.

Het probleem is er n van voorzetsels. Is het nu 'een deel geven onder of aan de velen/groten'? Op zoek naar de oplossing kijken we eerst naar de volgende regel. Vr het woord 'talrijken' staat in het Hebreeuws een woordje dat een voorzetsel kan zijn ('met machtigen zal Hij buit verdelen'), maar ook kan aangeven dat er een lijdend voorwerp volgt en dan onvertaald moet blijven. We krijgen dan: 'talrijken zal Hij [als] buit verdelen'. Omdat ditzelfde woordje echter even verder ook voorkomt en daar altijd door 'met' (eventueel 'onder'; FD, NBG) vertaald wordt, ligt het voor de hand dat bij 'talrijken' ook te doen. Een zelfde soort constructie is te vinden in Spr.16:19. Kiezen we voor de vertaling: 'met talrijken zal Hij buit verdelen', dan vertalen we de eerste zinsnede: 'Ik zal Hem een deel geven onder de velen'.

Anderzijds is het wel opmerkelijk dat de Septuaginta vertaalt: 'Daarom zal Hij velen als erfdeel ontvangen, en Hij zal [de] buit [eig. meerv.] van de machtigen verdelen'. Dit kunnen we dan zo opvatten dat de 'groten der aarde' Hem als erfdeel en de 'machtigen' Hem als buit toevallen. Als de Messias zijn rijk zal oprichten, zullen alle vorsten Hem onderworpen zijn (Ps.72:9-11). We kunnen het echter ook zo opvatten dat de Messias hier juist 'de velen' die Hij gerechtvaardigd heeft (vs.11) en wier zonden Hij gedragen heeft (vs. 12), als erfdeel en buit ontvangt. Zij zijn dan de buit die Hij in zijn zware strijd op het kruis veroverd heeft. Een nadeel van deze vertaling is dat 'een deel geven aan velen' dan eigenlijk betekent: 'de velen ten deel geven', wat toch niet hetzelfde is. Om deze en de eerder genoemde redenen geven we daarom de voorkeur aan de vertaling van DT, FD, NBG en NIV.

Kijken we nu nog wat nader naar het zesde en zevende gevolg van het werk van de Messias:

(6) 'Ik zal Hem een deel geven onder velen'. Het woord voor 'velen' betekent ook 'groten', dat een betere parallel vormt met 'machtigen'. Het ligt echter voor de hand hier 'velen' te vertalen (SV, NBG), net als in vs.11 en het slot van vs.12. Vanwege de parallellie lijkt het dan beter het tweede woord niet met 'machtigen', maar met 'talrijken' te vertalen (vgl. Spr.7:26 SV + NBG) . (DT, FD en E hebben 'groten' resp. 'sterken / machtigen'; NIV heeft dat ook, maar geeft in de voetnoten 'velen' resp. 'talrijken'.) Het zegevierende deel dat de Messias in het vrederijk toegemeten wordt, deelt Hij met de velen die Hijzelf gerechtvaardigd heeft en wier zonden Hij gedragen heeft. In het Nieuwe Testament krijgt dit bijzondere betekenis doordat degenen die deelhebben aan de eerste opstanding, met de Messias regeren de duizend jaren (Openb.20:4-6). Ook voor degenen die het vrederijk op aarde meemaken, heeft de Messias een bijzonder deel (Openb.7:14-17).

(7) 'Met talrijken zal Hij [de] buit verdelen'. Dit lijkt veel op het vorige, maar gaat het daar om een aandeel in de erfenis, hier gaat het om een delen in de overwinning over de vijanden van de Messias. Samen met zijn talrijke metgezellen (vgl. Hebr.1:9b; 3:14) zal Hij de op de vijanden behaalde buit verdelen. Ps.110:3 komt hier in het Oude Testament wellicht het dichtst bij. Zijn helden (vgl. Jol 3:11b) delen met Hem in de overwinning en in de glorieuze gevolgen ervan (vgl. Openb.2:26v.; 19:14v.).

Net als aan het eind van vs.11 worden we ook hier teruggevoerd naar het kruis als de grondslag voor de zegemacht van de Messias. Deze grondslag wordt hier nog eens samengevat in vier punten:

(a) 'Hij heeft zijn ziel uitgegoten in de dood', d.w.z. Hij heeft zijn leven prijsgegeven in de dood (vgl. Lev.17:11; Ps.141:8). Voor de derde keer lezen we hier over zijn ziel (vgl. vs.10 en 11). Verschillende uitleggers hebben taalkundig betoogd dat de uitdrukking: 'Hij heeft Zichzelf ontledigd' in Fil.2:7 in feite een vertaling is van de Semietische uitdrukking: 'Hij heeft zijn ziel uitgegoten'.

(b) 'Hij is met de overtreders geteld' (vgl. vs.4,8v.; Luk.22:37). Men kan ook vertalen: 'Hij liet Zich met de overtreders tellen'. Door gehoorzaam te worden tot de kruisdood (vgl. a) liet Hij toe dat Hij gevonnist werd als een misdadiger en ook tussen twee misdadigers werd gekruisigd (Mark.15:27v.).

(c) 'Hij heeft de zonden van velen gedragen' (eig. 'zonde', hier generaliserend bedoeld). Het 'Hij' heeft grote nadruk, waardoor een contrast met het voorgaande gesuggereerd wordt, dat men als volgt kan weergeven: 'want Hij' (NIV), 'Hij daarentegen' (E) of 'terwijl Hij toch' (NBG). Hij werd door zijn boze rechters gerekend onder de misdadigers, terwijl Hij in werkelijkheid de Zondeloze was, die als zodanig juist de zonden van misdadigers gedragen heeft en juist voor de misdadigers gebeden heeft.

(d) 'Hij heeft voor de overtreders gebeden'. De opstellers en de uitvoerders van het doodvonnis rekenden Hem tot de misdadigers, maar in werkelijkheid waren zijzelf misdadigers, voor wie Hij nota bene voorbede gedaan heeft (Luk.23:34). Net zomin als aan het slot van vs.11 moet hier gedacht worden aan het tussenbeide treden van de Messias thans in de hemel (vgl. Rom.8:34; Hebr.4:14v.; 1Joh.2:1v.); het gaat hier in alle vier de punten om dat wat op het kruis gebeurd is. Het woord 'bidden' is merkwaardig genoeg hetzelfde als 'laten neerkomen' in vs.6. De overeenkomst in betekenis kan men misschien aanvoelen als men het 'aanlopen' in vs.6 (SV) vergelijkt met de gedachte van het 'aanlopen' (bestormen) van de hemel met gebeden. Zo begint de profetie met de zegevierende woorden van Jahweh over zijn Knecht, en eindigt de profetie met Jahweh's verwijzing naar wat de Knecht op het kruis tot Hm zo indringend gezegd heeft.

 

Daarom zal Ik Hem een erfdeel geven temidden van zijn talrijke volk, en met die talrijken (of: machtigen) zal Hij de buit verdelen (die Hij in de strijd behaald heeft), en wel op grond van het feit dat Hij zijn leven heeft prijsgegeven in de dood en onder de misdadigers is gerekend, terwijl Hij (verre van Zelf een misdadiger te zijn) toch juist de zonden van zijn talrijke volk gedragen heeft en juist voor de misdadigers gebeden heeft.