Namen van God in het Oude Testament

(slot)

R.A. Hakvoort

El Olaam (de eeuwige God)

In de vorige artikelen hebben we gezien dat de vele namen die God in het Oude Testament draagt, ons enerzijds iets leren over de geweldige grootheid en majesteit van onze God, maar anderzijds ook over Zijn liefde voor Zijn schepping, Zijn liefde voor de mens.

God had deze wereld, u en mij, zo lief dat Hij zelfs Zijn eigen Zoon voor ons heeft overgehad (Joh.3:16) om ons in een persoonlijke relatie met Hemzelf te brengen, om ons tot Hem terug te brengen en ons te leren vertrouwen op Zijn kracht. In dit slotartikel willen we nog een naam van deze God overdenken, weliswaar een naam die maar zelden in de Schrift voorkomt, maar toch een naam die Hem bij uitstek onderscheidt van alle anderen 'goden' in deze wereld: Onze God draagt de naam 'Olaam', de Eeuwige. Afgoden hebben een begin en een einde (vgl. Jes.44:9vv.), maar onze God heeft geen begin en heeft geen einde: Onze God is een eeuwig God!

Laten we eerst eens naar de betekenis van het woord 'olaam' kijken: Dit woord heeft een heel spektrum van mogelijke vertalingen, variŽrend van 'oud', 'van oudsher' tot 'altijd', 'eeuwigdurend'. Wanneer het echter op God wordt toegepast, heeft het echter altijd de betekenis 'eeuwig', 'eeuwigdurend' of 'eeuwigheid'. 'Olaam' is afgeleid van een stam die 'verbergen' betekent: Het wijst ons op 'iets dat verborgen is in de verre toekomst of in het vage verleden'. De betekenis is dus niet zozeer eeuwig in de zin van 'oneindig', maar veeleer in de zin van 'ontelbaar': 'Olaam' wijst op een tijd die verder ligt dan iemands gedachten kunnen reiken, verder dan een mens met zijn beperkte vermogens kan natrekken. Zo wordt met de 'dagen van weleer (olaam)' (Deut.32:7) niet de eeuwigheid bedoeld, maar de tijd van een vroegere generatie IsraŽlieten, een tijd die verder terug lag dan dat zij zelf hadden meegemaakt.

Maar wanneer dit woord op God betrekking heeft, heeft het wel degelijk de betekenis 'oneindig': 'El Olaam' is de naam van de 'eeuwige God', of beter: 'de God der eeuwigheden', de God die aan de bron staat van alles wat er tussen het verst afgelegen stukje van de tijd in het verleden en de eindeloze verte van een toekomende eeuwigheid gebeurd is en gebeurt. Zoals de naam 'Jahweh' ons iets laat zien van de eeuwige God in Zijn onveranderlijke Wezen, zo stelt de naam 'El Olaam' ons deze God voor als Degene die een werk verricht in de eeuwigheid die er tussen het begin en het einde van de tijd ligt. Hij is de God "die tijden en stonden verandert, die koningen afzet en aanstelt" (Dan.2:21). Zoals de naam 'Jahweh', 'IK BEN', getuigt van een God die geen verleden of toekomst kent, maar Eťn die boven de tijd staat, die eeuwig aan Zichzelf gelijk is, zo spreekt de naam 'El Olaam' ons van de God van de eeuwigheden, de God van de 'tijden en gelegenheden', de God die in de tijd een plan volvoert met de mens, dwars door de verschillende bedelingen heen; een God die Zijn doel bereikt: 'het voornemen der eeuwigheden' (Ef.3:10-11 en zie de noot in de Telos-vertaling).

El Olaam, de God der eeuwigheden, is dus Degene die aan de oorsprong staat van de grote kringloop van Goddelijke wegen en paden die met de regering en de loop van deze wereld in verband staan. Maar om zo'n God te zijn, moet Hij wel bůven de tijd staan, zodat er ook in de naam 'El Olaam' de bijgedachte ligt van 'Hem die boven de tijd is verheven'. Deze naam benadert dus toch weer heel dicht de betekenis van de naam 'Jahweh'. Als we nu de teksten gaan onderzoeken waar God Zich 'El Olaam' noemt, dan vinden we de beide bovengenoemde gedachten steeds terug. De eerste maal dat we deze naam tegenkomen, is in Genesis 21. In dat bijzondere hoofdstuk uit de Bijbel zien we hoe God 'eindelijk' Zijn aan Abraham gedane beloften vervult: Abraham krijgt op honderdjarige leeftijd een zoon, Izašk (vs. 1-7). Een nieuw tijdperk breekt er nu voor hem aan: de tijd van het 'vlees' is voorbij; nu komt de tijd van het 'geloof': Hagar wordt verdreven, en Izašk neemt IsmaŽls plaats in als erfgenaam (vs. 8-21). Aan het einde van dit veelbewogen hoofdstuk lezen we dan dat Abraham te Berseba een tamarisk plantte. "En daar riep hij de naam van Jahweh, de eeuwige God (El Olaam), aan" (vs. 33). Wanneer er een nieuw tijdperk in Abrahams leven aanbreekt, dan blijft God toch nog steeds dezelfde God. Abrahams omstandigheden veranderen, maar God is als het duurzame, onvergankelijke hout van een tamarisk, waarvan het altijd groene loof ons leert van de eeuwigheid van God, de El Olaam.

In Galaten 4 vinden wij de Goddelijke uitleg van Genesis 21: Hagar (zegt Paulus) is een beeld van de bedeling van de wet, de bedeling waarin de op de berg SinaÔ gegeven wet van de IsraŽlieten 'slaven' maakte - net zoals IsmaŽl een slaaf van Abraham was - (vs. 22-25). Maar er is ook een bedeling die van een ander beginsel uitgaat, namelijk de bedeling die verbonden is met het hemelse Jeruzalem, een beeld van de hemelse beginselen van genade die in deze bedeling de boventoon voeren, beginselen die gegrond zijn op het feit dat de Zoon van God op ťťn van de bergen van Jeruzalem voor zondaars aan een kruis stierf. Met deze stad zijn ook mensen verbonden: "kinderen van de belofte, naar het voorbeeld van Izašk" (vs. 28). Maar in het volgende stukje lezen we wat de diepere les ervan is, dat Hagar en haar zoon verdreven werden en de 'zonen van de vrije', net zoals Izašk, tot de erfgenamen worden gesteld (4:30-5:1): De bedeling van de wet (Hagar, IsmaŽl, de berg SinaÔ, het 'huidige Jeruzalem in slavernij') was voorbij; de bedeling van de genade (SaraÔ, Izašk, het hemelse Jeruzalem) was aangevangen. Dit is precies de boodschap van de HebreeŽnbrief. De tijd van de priesterdienst in een aards heiligdom was voorbij, het levietische priesterschap had afgedaan; nu is er een tijd aangebroken waarin er maar Eťn priester is, doch niet zoals in de tijd van de heerschappij van de berg SinaÔ "naar de wet van een vleselijk gebod", maar op een geheel andere wijze, naar een geheel ander 'ordening': naar het voorbeeld van Melchizedek: een priesterschap zonder einde, "naar de kracht van een onvergankelijk leven" (Hebr.7:16-17, zie ook het gehele hoofdstuk). Als God dan al dat oude wegdoet, dat toch immers op Zijn eigen bevel ingesteld was (zie bijvoorbeeld Hebr. 8:5), en nu iets geheel nieuws begint, betekent dat dan dat God is veranderd? Heeft er bij die wisseling van priesterschap, die wisseling van wet, het aanbreken van die nieuwe bedeling, een 'andere God de troon beklommen'? Nee, God is de El Olaam, de God die in de tijd "vele malen en op vele [verschillende] wijzen spreekt" (Hebr.1:1), maar die Zelf de Onvergankelijke, de Eeuwige blijft. Daarom lezen we aan het slot van de HebreeŽnbrief over die onveranderlijkheid van God: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid" (13:8). Deze tekst betekent nu juist niet (zoals sommigen dit vers uitleggen) dat God altijd dezelfde blijft en dus altijd op dezelfde manier handelt. Nee, God handelt juist op allerlei verschillende, elkaar soms bijna tegenstrijdige manieren - de hele HebreeŽnbrief is daar een voorbeeld van. Maar juist ondanks dat God in verschillende tijden steeds anders handelt, is Hij toch steeds Dezelfde God: Altijd blijft Hij Zichzelf gelijk! Hij is de El Olaam, de God die in de ogen van de mens veranderlijk lijkt, maar die 'geen verandering en geen schaduw van omkering kent' (Jak.1:17) en altijd de Eeuwige, de Onveranderlijke is! "U, Heer, hebt in het begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken van Uw handen. Zij zullen alle vergaan, maar U blijft; zij zullen als een kleed verouderen en als een mantel zult U ze samenrollen; maar U bent Dezelfde..." (Hebr.1:10-12; vgl. Ps.102:26-28).

Die bedeling van de genade was in de 'tijden van de eeuwen' verzwegen geweest. Maar er kwam een moment dat de 'God van de eeuwigheden' (Rom.16:26) een bevel uitvaardigde om dat wat tot dan toe altijd "verborgen was in God" (Ef.3:9), openbaar te maken, om een nieuw tijdperk in te luiden, een tijdperk met andere wetten en regels, met andere mensen en andere beloften, maar met dezelfde God, de 'eeuwige God', de "Koning der eeuwigheden, de onvergankelijke, onzichtbare, enige God" (1Tim.1:17; vgl. Ps.10:16 en Jer.10:10), de "God die leeft tot in de eeuwigheid der eeuwigheden" (Openb.15:7, Grieks). Maar blijft dit dan altijd zo doorgaan? Nee, er zal een moment komen dat er een lŠŠtste bedeling zal aanvangen, de "bedeling van de volheid der tijden" (Ef.1:10), een eeuwig koninkrijk. Nu zit de mens nog 'gevangen' in de eeuwige cyclus van baren en sterven, van planten en uitrukken, van doden en helen, van afbreken en opbouwen, een cyclus van tijden om te wenen en tijden om te lachen (Pred.3:1-8); maar er komt een tijd dat "het vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en het sterfelijke onsterfelijkheid" (1Kor.15:53). Zoals God Zelf een 'eeuwig God' is, zo heeft Hij de mens boven de dieren en de planten uitverkoren aan die 'eeuwigheid' deel te krijgen: God heeft in het hart van de mens "de eeuwigheid (olaam) gelegd" (Pred.3:11)! Wij mensen zijn niet bestemd om eeuwig in de tijdelijkheid gevangen te zitten: De God der eeuwigheden heeft Zich voorgenomen dat er een tijd zal komen dat de Heer Jezus "voor eeuwig Koning zal zijn" (Ps.146:10; vgl. 45:7; Ex.15:18). In die tijd zal al het "sterfelijke door het leven worden verslonden" (2Kor.5:4). Dan zullen wij eeuwig met de Eeuwige zijn (vgl. 1Thes.4:17).

Dan, dan zal ons hart van vreugde juichen,
als U ons voor eeuwig rusten doet;
dan zal onze knie zich dankend buigen:
U, Heer Jezus, maakte alles goed.

De uiteindelijke eeuwige rust die ons ten deel zal vallen als wij straks bij onze Heiland zijn, ligt vast verankerd in Wie God Zelf is: Omdat Hij een eeuwig God is, kan en zal Hij ons eeuwige rust geven; en omdat Hij de El Olaam is, de God der eeuwigheden, zal niemand zijn wil kunnen weerstaan, Zijn plannen kunnen dwarsbomen. Daarom kan HebreeŽn 6 spreken over de 'onveranderlijkheid van Zijn raad' (vs. 17); daarom lezen we ook in Psalm 33: "De raad des HEREN houdt eeuwig stand, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht." (vs. 11; vgl. Rom.11:29). Als de eeuwige God ons liefheeft, is dat een 'eeuwige liefde' (Jer.31:3; en vgl. Joh.13:1!). De HERE is toch een God, wiens "goedertierenheid tot in eeuwigheid is" (Ps.100:5). Laten wij daarom nooit de blik richten op een mens, een schepsel, maar op de Schepper, de Eeuwige God Zelf: "Laat toch af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want wat is hij te achten? Wendt u tot Mij, alle einden der aarde!" (Jes.2:22; 45:22).

God is een eeuwig God, 'zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven' (vgl. Hebr.7:3). "Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (Micha 5:1); "de eeuwenoude wegen zijn de Zijne" (Hab.3:6); "het getal van Zijn jaren is onnaspeurlijk" (Job 36:26). Deze deze God zal altijd Zichzelf gelijk blijven: "Hij leeft in eeuwigheid" (Deut.32:40), dat wil zeggen dat Hij absoluut zelfstandig is: Door niets dat in deze schepping gebeurt, is Hij beperkt of wordt Hij gehinderd: "Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God" (Ps.90:2). "Hij is de eerste, en bij de laatsten is Hij [nog steeds] Dezelfde" (Jes.41:4). Wat kunnen wij anders doen dan DaniŽl na te zeggen: "Geprezen zij de naam van God van eeuwigheid tot eeuwigheid..." (Dan.2:20)

God is onveranderlijk. En juist die onveranderlijkheid onderscheidt Hem van al Zijn schepselen: De schepping is als een oceaan, die steeds verandert, die steeds rusteloos in beweging is (vgl. Jes.17:12 en 57:20). Bij God is geen verandering, noch in Zijn Wezen, noch in Zijn wezenskenmerken, noch in Zijn raadsbesluiten. "Bij God is geen verandering of schaduw van omkering" (Jak.1:17). Hij is als een rots die uit de rusteloze oceaan omhoog rijst, onaantastbaar vast voor alle golven die zich op de klippen te pletter slaan (vgl. Deut.32:4). "Voorwaar, Ik, de HERE, verander niet." (Mal.3:6) Zijn kracht neemt nooit af, Zijn heerlijkheid vervaagt nooit.

Wat is het geweldig om zo'n God te bezitten! "Een eeuwig God (Elohiem Olaam) is de HERE, Schepper van de einden der aarde" (Jes.40:28). Als wij mensen moe worden, dan wordt onze God dat nooit; maar Hij versterkt ons juist met Zijn kracht! En als wij machteloos zijn en moedeloos terneer zitten, omdat wij de wegen van deze schepping niet meer begrijpen, dan is onze God nog steeds de Alwijze God, Wiens verstand niet is te doorgronden: "en de machteloze vermeerdert Hij sterkte". "Met wie dan kunnen wij Hem vergelijken dat Hij hem gelijk zou zijn?" "Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen; maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat" (Jes.40:25-31).

"Welzalig zijt gij, IsraŽl; wie is aan u gelijk? Een volk, verlost door de HERE, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer hoogheid is. Daar is niemand als God, o Jeschurun; Hij rijdt langs de hemel als uw helper en in Zijn hoogheid over de wolken. De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen." (Deut.33:26-27,29)

Voorgaande