Vraag & Antwoord: Wraakpsalmen

 

H. P. MEDEMA

 

Vraag:

Waarom wordt in de Psalmen zo vaak Gods wraak ingeroepen over mensen? Is dat niet in strijd met de gezindheid van liefde die wij moeten tentoonspreiden ten aanzien van onze medemensen?

Z. te A.

 

Antwoord:

Minstens zes onderscheidingen moeten we maken teneinde het probleem te verduidelijken:

 

1. Er is een onderscheid tussen verschillende aspecten van Gods wezen.

God is geduldig en liefdevol, maar ook rechtvaardig en heilig. Gelovigen moeten besef hebben van Gods liefde, maar ook van Gods heiligheid, en in hun gebeden zullen zij daarmee ook rekening houden. Het kan nooit de bedoeling van God (en daarom evenmin de wens van een gelovige) zijn dat geen Goddelijk gericht plaatsvindt over de zonden. Daarom zal de gelovige zich in zijn gebeden aansluiten bij Gods wezen.

 

2. Er is een onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze.

Dat onderscheid wordt pas zichtbaar wanneer de rechtvaardige Rechter recht doet (Mal.4:18). Gods regering draagt een moreel karakter; juist omdat God volmaakt is, moet Hij in zijn regering tenslotte verschillend handelen ten opzichte van rechtvaardigen en goddelozen. Daarom zal de gelovige zich in zijn gebeden aansluiten bij Gods beoordeling van goed en kwaad.

 

3. Er is een onderscheid tussen de boetvaardige zondaar en de zondaar die verhardt in het kwaad.

Zo is het dan ook mogelijk dat een Psalmdichter tegelijk zijn zonden belijdt en toch Gods gericht over zijn tegenstanders inroept (vele voorbeelden in de Psalmen). Daarom zal de gelovige in zijn gebeden steeds een ootmoedige houding innemen, maar we kunnen toch onderscheiden tussen zijn positie van verootmoediging en de verharde houding van de vijanden van God.

 

4. Er is een onderscheid tussen bedelingen van directe Godsregering en bedelingen van minder directe Godsregering.

Niet in alle tijden wordt onmiddellijk het goede beloond, en het kwade gestraft. Soms grijpt God rechtstreeks in de geschiedenis in (de zondvloed, oordelen over Egypte, etc., tenslotte straks Christus' komst), maar soms laat Hij in zijn geduld het kwaad ongestraft. Daardoor lijkt het alsof Hij onrechtvaardig is (Pred.3:16vv.; zie ook met name Ps.73!). De bedeling waarin wij leven wordt speciaal gekenmerkt door de lankmoedigheid van God; het is een periode van indirecte Godsregering. De bedeling van IsraŽl werd gekenmerkt door de gerechtigheid van God (en zo zal het ook in het Duizendjarig Rijk zijn); het is een periode van directe Godsregering - zie de beloning voor het goede en de straf op het kwade die Deut.28 in het vooruitzicht stelt. Nķ is het de tijd om te smeken om genade voor de wereld (1Tim.2:1vv.); straks, in de Grote Verdrukking, zal het overblijfsel van IsraŽl weer bidden om wraak (Openb.6:10), in overeenstemming met wat God dan aan het doen is. Steeds zal de gelovige zich in zijn gebeden aansluiten bij de tijd in Gods geschiedenis.

 

5. Er is een onderscheid tussen Gods handelen met individuele personen en Gods handelen met de wereldmachten.

De recente geschiedenis heeft daarvan iets laten zien: het verlangen dat Saddam Hoessein persoonlijk tot bekering zou komen werd overschaduwd door het verlangen dat hij als politieke machthebber aan zijn einde zou komen. Bij David vinden we iets dergelijks: hij heeft gestreden om de politieke macht van de opstandeling Absalom te breken, maar hij heeft tegelijk gewenst dat zijn zoon Absalom niets zou overkomen (2Sam.18).

 

6. Er is een onderscheid tussen liederen (klaagzangen, gebeden) en het daadwerkelijk zelf ingrijpen.

De Psalmdichters smeken dikwijls om het ingrijpen van Jahweh, maar juist die biddende houding toont dat zij niet het recht in eigen hand nemen. David is een duidelijk voorbeeld: nimmer wilde hij tegen Saul het recht in eigen hand nemen, maar meermalen roept hij om een Goddelijk ingrijpen, juist in de Psalmen (bijv. wat Saul betreft: Ps.18; 52; 54; 57; 59; 60:10vv. e.a.p.). Altijd zal de gelovige zich in zijn gebeden afhankelijk opstellen van God, ook als het gaat om het noodzakelijke gericht over Gods vijanden.