W.J. OUWENEEL

TenSlotte

Gelukzaligheid

Zaligheid, zaligheid,
als mijn ziel U, Heer, verbeidt.
Zalig is hij die bij die stromen...
tot frisse groei en bloei mag komen.
Van zond' en dood ben ik bevrijd,
en tot uw zaal'ge dienst gewijd.

 

Gelukzaligheid is die vreugdevolle toestand waarin een mens zijn hoogste verlangens vervuld ziet. De Schrift vertelt ons hoe men dat geluk kan leren vinden; wat voor soort mensen 'welzalig' genoemd kunnen worden. Kijken we maar eens naar de drie keer dat het woord 'welzalig' in Jesaja voorkomt. U zult zien dat ik voor alle drie die keren een passend lied gevonden heb!.

(a) 'Daarom verlangt de HERE er naar u genadig te zijn ... ; welzalig allen die op Hem wachten' (30:18). Eigenlijk staat er tw keer 'wachten' (St.vert.): de Heer 'wacht' met verlangen op de juiste tijd om ons genadig te zijn en wij wachten op Hem; wij wachten op zijn genadige uitredding in de zorgen van ons leven, wij verwachten het van Hem als wijzelf aan het eind van onze mogelijkheden zijn. En bovenal: wij wachten op zijn komst die een eind maakt aan alle zorgen en ons invoert in de hoogste gelukzaligheid. Maar let wel: we zullen niet pas 'welzalig' zijn wannr Hij komt, nee, het op Hem wachten kenmerkt ons al als welzaligen. Wie temidden van alle zorgen nu al naar Hem kan uitzien, is oneindig gelukkiger dan de mensen die geen hoop hebben.

(b) 'Welzalig gij die aan alle wateren zaait; die rund en ezel vrij laat ronddolen' (32:20). In vs. 18 is als het ware sprake van een 'zalig rustoord, zoete vrede', die God voor zijn volk heeft weggelegd, ondanks alle mogelijke stormen en rampen (vs.19). De tijd komt dat Gods volk 'aan wateren zaait', d.w.z. zich bevindt bij de 'bron van licht en leven, van gen, van geluk en vrede, van liefde en zegen', waar een rijke oogst altijd verzekerd is. Daar kan Isral zijn vee rustig vrij laten rondlopen, want zelfs al zou het de jonge scheuten afeten, dan nog zal er een overvloed aan gewas zijn. Zo ondervinden wij dat de bron van geestelijke overvloed in de Heer te vinden is! Wie weet heeft van de geestelijke zegen in de hemelse gewesten, het 'beloofde land' voor ons, weet nu al van dat 'goede land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de bergen ontspringen' en die rijke geestelijke oogst opleveren (Deut.8:7-9).

(c) 'Zo zegt de HERE: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid... Welzalig de sterveling die dit doet' (56:1v.). Hier ligt de derde bron van geluk: (a) op Hem wachten, (b) bij Hem (de bron van zegen) blijven, (c) Hem dienen. Dit laatste doen we volgens dit vers door de 'rechten' van God en onze medemensen te eerbiedigen. Eenmaal zullen Gods heil en gerechtigheid zich op aarde volmaakt openbaren (vs.1b); hoe belangrijk is het dat wij intussen reeds dat heil, die vrede, die zegen, die gerechtigheid uitstralen in onze eigen omgeving. Moge Hijzelf ons daarvoor de kracht geven.