W J OUWENEEL

 

De Man van Smarten

(4)

Dit is deel vier van een serie artikelen met een korte uitleg van Jes.52:13 tot 53:12, het bekende en geliefde gedicht over de lijdende Knecht van Jahweh, de Man van smarten.

 

Derde couplet (53:4-6)

Spreker: de profeet c.q. het overblijfsel
Onderwerp: het kruislijden van de Messias

 

Jesaja 53:4

Waarlijk, onze ziekten heeft Hij opgenomen
en onze pijnen, Hij heeft die gedragen;
wij echter hielden Hem voor een geplaagde,
een geslagene van God, en verdrukte.

Deze verzen vormen het middelste 'couplet' van het gedicht, dat dieper doordringt in het lijden van het kruis. Het begint met het passende en plechtige 'Waarlijk'. Vs.4 begint met een nadere uitwerking van twee zinsneden die we al in vs.3 tegenkwamen:

(a) Hij heeft 'onze ziekten' op Zich genomen (vgl. vs.3: 'vertrouwd met ziekte'). Letterlijk staat er: 'opgenomen', namelijk om ze te 'dragen' (vs.4,11; vgl. Lev.5:1,17).

(b) Hij heeft 'onze smarten' gedragen, ze als het ware op zijn schouders getorst (vgl. vs.3: 'een man van smarten') (zie 1Petr.2:24).

Let op het contrast tussen 'onze' en 'Hij'; dat hier een contrast bedoeld is, blijkt (a) uit het vooropstaan van 'onze ziekten' en 'onze smarten' in de twee betreffende zinsneden, (b) uit het in het Hebreeuws benadrukte 'Hij', en (c) het ingevoerde woordje 'die'. Dit contrast onderstreept het feit van de plaatsvervanging: het onschuldige zoenoffer neemt de plaats in van de schuldige. Tegelijk vormt het 'Hij' trouwens ook een contrast met het 'wij' in vs.4b.

In Matth.8:16v. wordt dit vers aangehaald en dan toegepast op letterlijke ziekten, die de Messias tijdens zijn leven op aarde 'op Zich' heeft genomen in de zin dat de zieken Hem ter harte gingen en Hij hun kwalen genas. Dat was iets dat Hem persoonlijk diep raakte; als Hij genas, 'ging er kracht van Hem uit' (Mark.5:30; Luk.6:19). Maar dit genezen van ziekten had niet direct te maken met het verzoenend, plaatsvervangend lijden van de Messias op het kruis; natuurlijk wel indirect, omdat elke bestrijding van de zonde en haar gevolgen (ook ziekten) uiteindelijk gegrond is in zijn kruiswerk. De feitelijke uitleg van vs.4 voert ons dan ook naar het kruis; termen als 'ziekte' en 'smart' (lett.: 'Pijn') duiden dan overdrachtelijk op het leed dat veroorzaakt is door de zonde (zie boven bij vs.3). 'Onze ziekten/smarten' betekent dan: de ellendige toestand waarin wij door de zonde verkeerden en die Hij tot de zijne maakte (vandaar 'genezing' in vs.5). Hij nam de zware last van onze verschrikkelijke zondetoestand met alle gevolgen ervan op Zich en droeg die verzoenend, plaatsvervangend voor ons.

De woorden 'van God' in vs.4b kan men op alle drie de genoemde omschrijvingen toepassen: 'van God geplaagd, geslagen en verdrukt', Het was op het kruis dat de Messias door God werd

(a) 'geplaagd', d.i. door een plaag getroffen (vgl. hetzelfde woord in Job 1:11: 'aantasten', en in 19:21: 'treffen'); zo'n 'plaag' kan enige ziekte aanduiden (1Kon.8:37v.; Ps.38:12) en speciaal melaatsheid (Lev.13:2vv.,22; 2Kon.15:5 SV);

(b) 'geslagen', d.w.z. God slaat Hem vanwege de op Hem gelegde zonden (vgl. 'doorboord' en 'verbrijzeld' in vs.5,10);

(c) 'verdrukt', met daarin de gedachte aan het toebrengen van vernedering, ellende, leed.

Een heel belangrijk punt in de gedachtengang hier is dat dit geplaagd, geslagen en verdrukt worden van de Messias niet gebeurde, zoals Israël destijds meende (en hier tot uitdrukking brengt), vanwege Diens éigen zonden, maar vanwege de zonden van zijn volk. Vs.5 geeft dat duidelijk aan. Israël is een 'godsdienstig' volk; het kent het verband tussen zonde en straf. Wie zondigt, wordt gestraft, en wie gestraft wordt, heeft kennelijk gezondigd (vgl. de vrienden van Job!). Maar het is in de tragische vergissing vervallen te denken dat de Messias om Diens eigen zonden gestraft was; in plaats daarvan had het volk alle walging op zichzelf, de schuldigen, moeten richten, en vol bewondering en genegenheid op Hem moeten zien die hun schuld op Zich nam. We hebben nu al driemaal (vs.3a,b,4) een aanwijzing (trouwens ook niet méér dan dat) gevonden dat de Messias hier gezien wordt als een melaatse. Het is frappant dat er een joodse traditie bestaat die meent dat de Messias een melaatse zou zijn. Dit komt ook tot uitdrukking in bepaalde antieke vertalingen, die hier kennelijk ook aan een melaatse gedacht hebben; sommige Griekse vertalingen lezen hier voor 'geplaagde': 'geïsoleerde', zoals een melaatse, en de Latijnse Vulgata leest zelfs ‘melaatse'.

Waarlijk, de gevolgen van ónze zonden heeft Hij op Zich genomen en ónze smarten heeft Hij gedragen (alsof het de zijne waren). Wij echter begrepen dat niet; wij dachten dat Hij vanwege zijn éigen zonden door God geplaagd, geslagen en verdrukt was.

 

Jesaja 53:5

En Hij werd doorboord om onze overtredingen,
werd verbrijzeld om onze ongerechtigheden;
[de] straf van onze vrede [was] op Hem
en door zijn kwetsuur werd ons genezing gebracht.

Het Hebreeuwse 'en' lijkt hier duidelijk 'maar' te betekenen. In vs.4 zegt het volk: 'wij dachten nog wel dat de Messias om zijn éigen zonden door God gestraft werd'. Maar dan volgt in vs.5 de tegenstelling: 'Maar wat zien wij nu? Dat Hij doorboord werd om ónze overtredingen, verbrijzeld werd om ónze ongerechtigheden!' Dit is een schokkende ontdekking; de visie van het volk op Jezus van Nazareth wordt hier totaal omgedraaid. Grote nadruk ligt hier op 'onze': het was niet om zijn eigen, maar om onze zonden dat Hij gestraft werd. Grote nadruk ligt hier echter ook op 'Hij’, dat helemaal vooraan geplaatst is. Het contrast is dan: wij die Hem voor een door God gestrafte hielden, hadden in werkelijkheid de straf verdiend, die Hij onderging.

'Overtredingen' zijn letterlijk zoiets als overschrijdingen van de morele grenzen die God gesteld heeft (zijn wet). 'Ongerechtigheden' zijn letterlijk zoiets als afdwalingen van de rechte weg, waardoor men zich schuldig maakt. De Messias stierf 'om' of 'vanwege' deze zonden, d.w.z. plaatsvervangend, om ze uit te delgen; niet 'door' Israëls zonden, d.w.z. door hun zondige toedoen. Dat is ook wel waar: Israël leverde zijn eigen Messias boosaardig over in handen van de heidenen, die Hem kruisigden, maar dat is hier het punt niet. Het gaat erom dat Hij de zonden van hen die geloofden, op Zich nam en de straf ervoor droeg. Vanzelfsprekend houdt dit in dat Hij dan Zelf zonder zonde moet zijn geweest; Hij heeft dan ook geen onrecht gedaan en geen bedrog gesproken (vs.9) en Hij is de Rechtvaardige (vs.11).

De woorden 'doorboord' (NBG, NIV; of 'verwond', SV, DT, EÜ, FD) en ‘verbrijzeld' zijn wel de sterkst denkbare om de vreselijke, hier vooral gewelddadige dood van de Messias te beschrijven. Het 'doorboren' is in zekere zin letterlijk vervuld (vgl. Ps.22:17; daar staat echter een ander Hebreeuws woord!), maar dat was wat ménsen Hem aandeden; de gedachte is hier meer dat Gód Hem 'doorboorde', en wel ten dode toe. Het is merkwaardig dat 'doorboren' (51:9; Job 26:13) en 'verbrijzelen' (Ps.89:11) gebruikt worden om het verslaan van de Rahab aan te duiden, het 'zeemonster' dat niet slechts Egypte, maar vooral de demonische machten áchter Egypte aanduidt. Dezelfde Messias die alle demonische machten op het kruis heeft verslagen en straks ook definitief met hen zal afrekenen, wordt op het kruis Zélf 'doorboord' en 'verbrijzeld'. God verloste het volk uit Egypte door een wonderbare nederlaag aan de vijand toe te brengen; maar de basis voor de verlossing was toch de dood van het Paaslam. De Messias gaat ten onder, opdat straks alle vijanden ten onder zullen gaan. De Messias werd inderdaad 'gestraft' (dit woord 'straf' vat het 'geplaagd', 'geslagen' en 'verdrukt' van vs.4 samen), maar dan om ónze zonden. Het was de 'straf van ónze vrede' (DT, FD), d.i. 'tót onze vrede' (EÜ), d.w.z. de straf die ons vrede aanbrengt (SV, NBG, NIV). Voor Hém was de straf, voor óns de daaruit voortvloeiende vrede. Dit is het bekende woord sjaloom, dat een heel rijke betekenis heeft: zegen, welzijn, geluk, heil, voorspoed (hier vooral wat betreft de verbroken relatie van de mens tot God). Het woord voor 'straf' betekent soms 'bestraffing' in de zin van 'terechtwijzing' of 'kastijding', maar hier heeft het woord duidelijk de betekenis van 'vergelding', zoals in Jer.30:14. De Messias moet hier betalen voor de zonden door anderen bedreven.

 

De 'striemen' (lett. enkelvoud, maar generaliserend bedoeld) die ons genezing aanbrengen, zijn niet de striemen van de Romeinse geseling. 1Petr.2:24 maakt duidelijk dat het gaat om de striemen die Hem op het kruis werden toegebracht door de slaande hand van God. Voor Hem was de slag, de kwetsuur, voor ons was de genezing van onze zonden. Het verband is heel merkwaardig: hoe kan juist een kwetsuur genezing brengen? Het antwoord luidt: Hij onderging de verwonding, opdat wij genezen werden; zoals Hij ook de straf droeg, opdat wij de vrede ontvingen. Genezing is nodig omdat de zonden ons 'ziek' maken (vgl. vs.4; 1:5v.); Hij werd op het kruis 'ziek', opdat wij gezond zouden worden.

 

Maar Hij werd om ónze overtredingen door God ten dode toe doorboord, om ónze ongerechtigheden werd Hij door Gods slaande hand gedood; Hij droeg de straf, die óns de vrede met God bezorgt, en door de geestelijke verwonding die God Hem toebracht, hebben wij genezing van onze zonden ontvangen.

 

Jesaja 53:6

Wij allen, als de schapen dwaalden wij,
[elke] man naar zijn weg wendden wij ons;
en Jahweh liet neerkomen op Hem
[de] ongerechtigheid van ons allen.

 

In vs.5 heeft het overblijfsel van Israël al over zijn eigen overtredingen en ongerechtigheden gesproken en daarmee zijn schuld erkend. Nú gaat de schuldbelijdenis nog dieper: het gaat maar niet om een aantal zonden die uitgeboet moeten worden, nee, de hele weg van het volk was door en door verzondigd. Zij gingen hun éigen weg, niet de weg van Gods wet; zij dwaalden rond als schapen zonder herder, want zijzelf hadden hun Herder de rug toegekeerd (vgl. 63:17; Num.27:17; 1Kon.22:17; Ps.119:176; Matth.9:36; 1Petr.2:25), terwijl Deze toch niets dan liefde aan zijn volk betoonde (40:11). Als de schapen eenmaal de herder kwijt zijn - en mogelijk valse herders volgen (Jer.50:6; Joh.10:8) - verliezen zij ook hun onderlinge verband: elk schaap gaat in zelfzucht en eigenliefde zijn eigen weg op, weg van God (vgl. 56:11). Daarmee is het schaap eenzaam, ellendig, reddeloos verloren; het zal tenslotte omkomen van honger of door een ongeval, of in de muil van een roofdier belanden (vgl. Amos 3:12).

 

Maar Jahweh heeft Zich over het volk ontfermd door hun zondeschuld hun niet aan te rekenen, maar die juist te leggen op de enige Israëliet die volkomen onschuldig was: hun eigen Messias. We denken hier onmiddellijk aan de Grote Verzoendag, waar Jahweh door middel van de hogepriester de zonden van het volk op de tweede bok legde, die ze wegdroeg in de woestijn (Lev.16:21v.). Jahweh neemt het initiatief; Hij wilde het lijden van zijn Knecht (vgl. vs. 10) ten behoeve van het heil van het zondig van Hem afgeweken volk. Israël wendde zich van Hém af, maar Hij wendde Zich niet van het volk af; Hij liet de zonde van het volk neerkomen op de Man van zijn welbehagen (vgl. 42:1).

 

Het werkwoord voor 'laten neerkomen op' (NBG) kan men ook weergeven als: 'leggen op' (DT, NIV), maar het woord is eigenlijk veel sterker: 'Jahweh liet Hem ons aller ongerechtigheid treffen' (EÜ), 'op Hem vallen' (FD); in feite: hard en zwaar treffen. We komen ditzelfde werkwoord in vs. 12 weer tegen met een heel andere betekenis: 'bidden'.

 

Het is merkwaardig dat vs.6 in het Hebreeuws met hetzelfde woord begint en eindigt, en wel het woord voor 'wij/ons allen'. De weg van ons allen was volkomen verdorven, maar de zonde van ons allen werd uitgedelgd door de Messias. De Goede Herder, in de steek gelaten dóór de schapen, geeft zijn leven vóór de schapen (Joh.10). Dit vers geeft geen aanleiding tot de alverzoeningsleer; de 'wij' zijn niet alle mensen, maar de boetvaardige Israëlieten van de toekomst (al strekt de hier beschreven verzoening en plaatsvervanging zich natuurlijk uit tot álle gelovigen van álle tijden).

 

Wij waren allemaal als schapen van de Herder afgedwaald, we waren elk onze eigen kant uitgegaan, weg van elkaar en weg van God; maar Jahweh heeft Hem zwaar getroffen met ónze zondelast.