H. BOUTER Jr.

Elisa als metgezel en opvolger van Elia

2Kon.2:1-18.

Voordat Elia ten hemel werd opgenomen maakte hij samen met Elisa een tocht langs enkele van de bekendste plaatsen in IsraŽl: van Gilgal ging de reis naar Betel, daarna naar Jericho, en tenslotte naar de Jordaan. Elisa trad later zelf ook op in al deze plaatsen (vgl. 2Kon.2:18v.; 4:38; 6:2v.). Maar afgezien daarvan zijn deze plaatsen zeer bekend uit de vroegere geschiedenis van het volk van God. Gilgal was de plaats van de besnijdenis, het uitgangspunt voor de verovering van het beloofde land (Joz.4:19; 5:9; 10:43). Betel kennen wij al uit het boek Genesis als de plaats waar God Zichzelf openbaarde aan de aartsvader Jakob en waar Hij hem zijn onvoorwaardelijke beloften van zegen schonk; Betel was de plaats waar God wilde wonen (Gen.28 en 35). Bij Jericho openbaarde God Zichzelf aan Jozua als de Vorst van het heer des Heren, de Aanvoerder van zijn legermacht (Joz. 5). Jericho was het geweldige bolwerk dat de IsraŽlieten de toegang versperde tot het beloofde land, maar dat viel voor de macht van IsraŽls God (Joz. 6). De Jordaan was de rivier die de IsraŽlieten belette het land binnen te gaan, waarvan de wateren echter werden afgesneden voor de ark van het verbond des Heren, zodat geheel IsraŽl op het droge kon overtrekken (Joz. 3 en 4).

 

Monumenten van zondigheid

Helaas was het in de dagen van Elia en Elisa niet meer zo dat deze plaatsen uitsluitend getuigden van de grote daden van God. Het waren veeleer monumenten van de zondigheid van het volk geworden, plaatsen van verwording en afgodendienst. Jerobeam had de kalverendienst, die stamde uit Egypte, ingevoerd te Betel en te Dan (1Kon.12:28v.; vgl. Ex.32). De profeten Hosea en Amos veroordelen de afgodscultus te Betel, samen met die van Gilgal (Hos.4:15; 9:15; 12:12; Am.4:4; 5:5). Jericho stond evenmin gunstig bekend. Het was de stad van de vloek, die volgens Gods bevel helemaal niet herbouwd had mogen worden. In de dagen van Achab was dit toch gebeurd door een inwoner van Betel, die zijn overtreding van het woord des Heren moest betalen met het leven van zijn eigen zonen (Joz.6:26; 1 Kon. 16:34). Het is merkwaardig dat juist dit feit enerzijds wordt gekoppeld aan Achabs ongerechtigheden (het sluit de opsomming daarvan in 1Kon.16 af), en anderzijds aan het plotselinge optreden van Elia als oordeelsprofeet. Het is alsof met de herbouw van Jericho het toppunt van de ongerechtigheid is bereikt en het oordeel over het volk en zijn goddeloze vorst onafwendbaar is geworden.

 

Buiten het beloofde land

Zullen deze dingen niet aan het geestesoog van de profeet zijn voorbijgegaan tijdens de laatste reis die hij op aarde heeft afgelegd? Zal hij niet hebben stilgestaan bij de bewijzen van Gods goedheid ten opzichte van zijn volk, de vele blijken van Gods trouw? De geschiedenis van deze plaatsen - Gilgal, Betel, Jericho, de Jordaan - getuigde immers heel duidelijk daarvan. Anderzijds zal hij echter ook hebben gedacht aan alle ontrouw van het volk van God, waarvan deze plaatsen helaas evenzeer getuigden. Op deze wijze heeft Elia afscheid genomen van zijn aardse loopbaan - denkend aan alles wat God voor IsraŽl had gedaan, maar tevens denkend aan IsraŽls verval en afval van de levende God. God nam hem buiten het beloofde land op in zijn heerlijkheid, nadat hij met Elisa over de Jordaan was getrokken. Het lijkt erop dat God hem dit eerbewijs niet kon schenken in het land dat zozeer van God was afgeweken. Het kon niet gebeuren in Gilgal, of in Betel, of in Jericho, of aan deze zijde van de Jordaan. Elia moest telkens verder trekken, totdat God hem in het Overjordaanse wegnam van deze aarde. Wij zouden haast zeggen: het is een variant op wat er met Henoch gebeurde. Hij wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen (vgl. Gen.5:24; Hebr.11:5). Hij behaagde God en God eerde hem door hem op te nemen in de hemel.

 

Metgezel en opvolger

Deze laatste reis van de profeet is echter ook van grote betekenis geweest voor Elisa, die hem trouw vergezelde en niet van zijn zijde wilde wijken. Voor Elisa was deze lange tocht enerzijds een goede gelegenheid om zich voor te bereiden op het afscheid van zijn leermeester, en anderzijds was het een goede introductie tot zijn eigen loopbaan. Wij zien hem hier naast zijn geŽerde meester wandelen, wiens werk hij zou moeten voortzetten. Hij was niet alleen de metgezel van Elia, maar ook diens opvolger. Zijn meester was in de hemel, en hij moest diens taak hier beneden voortzetten.

 

Wandelen aan de hand van de Meester

Dat is voor ons als christenen, die verbonden zijn met een Heer in de hemel, ook een belangrijke les. Wij dienen een verheerlijkte Heer en mogen Hem hier op aarde 'vertegenwoordigen', en wij doen dit in de kracht van de Heilige Geest die Hij ons heeft nagelaten. Zoals de geest van Elia op Elisa rustte, heeft Christus ons zijn Geest geschonken opdat wij leesbare brieven van Hem zouden zijn. Maar wij hebben ook behoefte aan de nodige voorbereiding om Hem op waardige wijze te kunnen dienen. Wij zullen moeten wandelen aan zijn hand en Hem moeten volgen waar Hij ons leidt. Hoewel Elisa hier tot driemaal toe op de proef wordt gesteld, blijft hij onafscheidelijk aan Elia's zijde (2Kon. 2:2,4,6). Samen trekken zij verder en gaan zij zelfs op het droge door de Jordaan, de doodsrivier. 'Zo gingen zij beiden verder' (vs. 6). Deze uitdrukking herinnert aan de woorden van Gen.22: 'Zo gingen die beiden tezamen' (vs. 6,8). Wij kunnen ook denken aan de trouw van Ruth, die zich vastklemde aan haar schoonmoeder: 'En zij gingen beiden voort...' (Ruth 1:19).

 

Confrontatie met het verval

Wanneer wij met de Heer wandelen, leidt Hij ons van stap tot stap voort, van de ene 'halteplaats' naar de andere. Wij zullen dan ook evenals Elia en Elisa de situatie van Gods volk in ogenschouw moeten nemen. Wij zullen op onze beurt worden geconfronteerd met het diepe verval, het bederf dat zijn intrede heeft gedaan temidden van de belijdende christenheid. Wij zullen ons gaan realiseren dat de verborgenheid van de wetteloosheid die in de dagen van de apostelen al werkzaam was (2Thess.2:7), heeft geleid tot ernstige misstanden die een treffende overeenkomst vertonen met die ten tijde van Achab en Izebel. Het is dan ook niet zonder reden dat in de brief aan de gemeente in Thyatira sprake is van de verderfelijke invloed van 'de vrouw Izebel... die leert en misleidt om te hoereren en afgodenoffers te eten' (Openb.2:20; vgl. vs.14). De kerk van Christus heeft maar al te vaak een onwettige verbinding met de wereld gesloten, en zij is helaas ook het toneel geworden van afgoderij (denk aan de Mariaverering, de beeldendienst, etc.). Wij zullen deze dingen onder ogen moeten zien, evenals Elia en Elisa op hun reis doordrongen zullen zijn van de ernstige situatie waarin IsraŽl verkeerde. Gilgal en Betel waren centra van afgodendienst geworden; Jericho was de stad van de vloek en het water was er niet te drinken (2:19). Maar tegenover al dit menselijk falen schittert Gods trouw, en de herinnering daaraan wordt door deze plaatsen evenzeer opgeroepen. Dat zullen wij evenmin uit het oog verliezen als wij denken aan Gods wegen met zijn volk in de genadetijd waarin wij leven.

 

Getuigenis van Christus' werk

Deze plaatsen leggen typologisch getuigenis af van de waarde en de vruchten van het werk van Christus voor ons. De Jordaan spreekt van de betekenis van Christus' dood: wij zijn met Hem gestorven en opgestaan en mogen nu 'het beloofde land' betreden. Een terrein vol geestelijke zegen ligt voor ons open in de hemelse gewesten. Nauw hiermee verbonden is de betekenis van Gilgal als de plaats van de besnijdenis en het uitgangspunt voor de verovering van Kanašn. Volgens Kol.2:11 hebben wij deel aan de besnijdenis van Christus, doordat wij met Hem zijn verenigd in zijn dood en opstanding. Dat is ons 'Gilgal', en daarvandaan mogen wij ons hemelse erfdeel in Christus in bezit nemen. Betel spreekt van de onveranderlijke trouw van God, van het feit dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn. God was trouw ten aanzien van Jakob, de stamvader van IsraŽl. Hij wilde wonen bij zijn volk, en Hij zou bij hen zijn Betel (= huis Gods) hebben. Evenzo is God trouw ten aanzien van zijn hemelse volk, de Gemeente van de levende God. Hij zal ook bij ons zijn Betel hebben. De Gemeente wordt opgebouwd tot een eeuwige woonplaats van God in de Geest (Ef.2:22; Openb.21). God zal ook met ons zijn heerlijke einddoel bereiken, dat kan door onze ontrouw en ons falen nooit ongedaan worden gemaakt. Het is goed en nodig dat wij ons dit telkens realiseren, hoewel wij tevens beschaamd ons hoofd zullen moeten buigen vanwege zoveel dingen die zijn binnengeslopen en die tot oneer van God zijn (dwaalleer, afgoderij, zondige en zelfs occulte praktijken).

 

Heling en redding

Jericho, oorspronkelijk het bolwerk van de vijand, bepaalt ons erbij dat de macht van de boze door Christus' overwinning in principe is tenietgedaan. Daarom zullen wij de duivel ook in de praktijk geen plaats geven (Ef.4:27), en moeten wij standhouden tegen zijn listen (Ef.6:11). Dat kan als wij onze hemelse Vorst daadwerkelijk volgen. 'Jericho' mag niet worden herbouwd! Het getuigt van diep verval als dit toch gebeurt, en de negatieve gevolgen daarvan zijn dan onontkoombaar. Dood en onvruchtbaarheid doen onvermijdelijk hun intrede (1Kon.16:34; 2Kon.2:19). Is dat ook niet de situatie waarin Gods volk maar al te vaak verkeert, een toestand van dorheid en doodsheid, van geestelijke onvruchtbaarheid? Wij kunnen daaraan niet achteloos voorbijgaan. Maar zelfs dan is er door Gods genade nog heling en redding mogelijk, zoals in het vervolg van de geschiedenis van Elisa ook blijkt. God brengt leven zelfs temidden van de dood, en dat is heel troostrijk. God laat zijn volk niet in de steek, hoewel het uiteindelijke oordeel in zijn regeringswegen vaststaat. Nadat Elisa met Elia langs deze belangrijke historische plaatsen was gereisd, en hij ook getuige was geweest van Elia's hemelvaart, kon hij beginnen met zijn eigen taak onder het volk. Dit was een noodzakelijke voorbereiding om het kanaal van Gods genade te kunnen zijn temidden van een zondig volk. Zo zijn wij gezanten van een Heer in de hemel, die een werk van genade mogen verrichten op een toneel dat volgens het profetische Woord en ook naar ons eigen besef getuigt van een onherstelbaar falen maar tevens van Gods onwankelbare trouw.

 

De weg langs Gilgal

Ondertussen is er historisch gezien wel een klein probleem met betrekking tot de route die Elia en Elisa hebben afgelegd. Als de plaats Gilgal bij de Jordaan inderdaad het beginpunt is geweest, dan zijn zij via een lange omweg weer naar die omgeving teruggekeerd. Was dat wel zinvol? En was die reis voor een dagtocht (heden, vs.3,5) niet te lang? Daarom denken sommige uitleggers niet aan Gilgal bij de Jordaan (hoewel het volgens velen wel identiek daarmee is), maar aan het Gilgal dat zich ca. 10 km. ten noorden van Betel bevond en dat mogelijk zowel de woonplaats van Elia als van zijn opvolger is geweest (2Kon.2:1; 4:38). Weer anderen situeren het nog noordelijker ter hoogte van Sichem (vgl. Deut.11:30). Hoe dit ook mag zijn, het is een lange tocht geweest waarbij de gehoorzaamheid van deze dienstknechten van God herhaaldelijk op de proef is gesteld. Elia werd telkens naar een andere plaats gezonden door de Here, en Elisa werd telkens weer voor de keuze gesteld om met hem mee te reizen. Gelukkig heeft Elisa volhard tot het einde, en hij heeft er zeker geen spijt van gehad.