W J OUWENEEL

 

De Man van Smarten

(3)

Dit is deel drie van een serie artikelen met een korte uitleg van Jes.52:13 tot 53:12, het bekende en geliefde gedicht over de lijdende Knecht van Jahweh, de Man van smarten.

 

Jesaja 53:2

En Hij schoot op als de loot voor zijn aangezicht,
en als de wortel uit aarde van dorheid.
Geen gestalte [was] van Hem en geen luister, en wij zien Hem,
en geen aanzien, en wij begeren Hema

(a D.i. dat wij Hem zouden begeren.)

Thans wordt de Messias - na een eerste verwijzing in 52:13 - uitvoeriger beschreven in zijn vernedering op aarde. De profeet schrijft in de verleden tijd, alsof de gebeurtenissen al achter hem liggen, iets dat we vaker in de profetieŽn aantreffen (zie Jud.:14). De verhoging van de Messias echter (vs.10b-12) wordt in de toekomende tijd beschreven.

Het 'En' aan het begin heeft hier, zoals dikwijls in het Hebreeuws, de betekenis van 'Want'. IsraŽl heeft de boodschap omtrent de Messias niet geloofd en de kracht van God in en aan Hem niet herkend, want Hij was een vernederde en voor het vlees geheel onaantrekkelijke Knecht. Dat betekent niet dat Hij werkelijk, in Gods ogen, zo onaantrekkelijk was. Waar IsraŽl zelf in de uitdrukking 'dorre aarde' als een onvruchtbare (of misschien: een godsdienstig dorre) natie wordt beschreven (vgl. 49:21; 54:1), en ook het huis van David afgestorven leek, daar wordt de Messias Zelf gezien als een frisse loot, een groene wortelscheut (vgl. 4:2 SV; 11:1,10: uit de tronk van IsaÔ).

In het spreken over 'loot' en 'wortel(scheut)' ligt de gedachte aan nietigheid en vernedering opgesloten. Het woord 'loot' betekent letterlijk 'zuigeling', d.w.z. een takje dat de levenssappen zuigt uit de boom (Job 14:7) of uit de aarde (Ezech.17:22v.). Zulke loten zijn onbelangrijk en zelfs verwerpelijk in de ogen van de mensen; ze worden van de boom afgesneden omdat ze het leven uit de boom zuigen. Ook wortelscheuten in de aarde zijn onooglijk, niet te vergelijken met bijv. de machtige ceders. De woorden 'voor zijn (Gods) aangezicht' kunnen dan ook wijzen op Gods beschermend waken over de tere spruit (vgl. 49:1).

Tegelijk bevatten de woorden 'loot' en 'wortel(scheut)' echter ook de gedachte dat Gods oog temidden van alle dorheid van IsraŽl met welgevallen op Hem kon rusten. Dat geeft een andere zin aan de woorden: 'voor zijn (Gods) aangezicht' (vgl. 1 Petr.2:4). De spruit is immers niet slechts teer, maar getuigt ook van levenskracht. De groene loot die fris en krachtig 'opschiet' uit de dorre aarde, bergt de belofte van leven en bloei in zich. Gods aangezicht is met welgevallen op deze frisse spruit gericht.

De IsraŽlieten zelf echter zagen aan Hem geen gestalte of luister of gedaante die voor hen aantrekkelijk was. Men 'zag Hem niet aan', d.w.z. met welgevallen. 'Gestalte' wijst gewoonlijk op fysieke schoonheid; zo bijv. in 1 Sam. 16:12,18, waar juist een rijsje uit de stam van IsaÔ mede om zijn schoonheid aantrekkelijk voor het volk is! Zie echter ook vs.5-13, waar de betrekkelijkheid van de schoonheid getoond wordt: de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan. Op 'schoonheid voor God' (vgl. Hand.7:20) komt het aan.

Het woord 'luister' betekent: pracht, majesteit, heerlijkheid, glans. Dat alles bezat de Messias niet in de ogen van het volk. Hij had geen 'aanzien', d.w.z. Hij was niet om aan te zien, en daarom 'begeerde' men Hem niet, d.w.z. men vond Hem niet aantrekkelijk, had geen welgevallen aan Hem. Sommigen (NBG, NIV) vertalen: 'gestalte noch luister dat wij Hem zouden hebben aangezien'; anderen (SV, DT, E‹, FD) verbinden deze laatste woorden met het volgende en vertalen: 'gestalte noch luister; zagen wij Hem aan, dan was er geen aanzien...' De eerste vertaling heeft het voordeel van een zekere parallellie; twee maal staat er dan: 'geen... dat wij Hem zouden hebben...' De tweede vertaling heeft het voordeel dat zij een verband legt tussen 'aanzien' (werkwoord) en 'aanzien' (zelfst.nmw.): 'zagen wij Hem aan, dan was er geen aanzien', d.w.z.: zagen wij Hem aan, dan bleek er niets te zijn dat men met welgevallen kůn aanzien. Er wŠs wel innerlijke schoonheid aan Hem (vgl. Joh.1:14!), maar die bleef voor de massa van het volk verborgen door hun ongeloof. De tweede vertaling lijkt grammaticaal ook juister. Het is mogelijk dat het ontbreken van uiterlijke aantrekkelijkheid hier al gezien wordt als het gevolg van zijn lijden (vgl. 52:14). In ieder geval lijkt het niet juist in ons vers een verwijzing te zien naar het natuurlijke uiterlijk van de Messias als zodanig. Het is juist opmerkelijk dat de hele Schrift ons over het fysieke uiterlijk van de Heer Jezus niets meedeelt.

Want de Messias is als een (nietige, maar frisse) loot opgeschoten onder Gods wakend en welgevallig oog, en als een wortelscheut uit IsraŽls dorre aarde. Hiji had uiterlijke schoonheid noch heerlijkheid; wij zien Hem aan, maar er is geen aanzien bij Hem dat wij welgevallen aan Hem zouden hebben.

Jesaja 53:3

Hij was veracht en ophoudende [onder de] mannen,
een man van pijnen, en een bekende [met] ziekte,
en [er was] als een verberging van gezichten voor Hema;
Hij was veracht, en niet hebben wij Hem geacht.

(a Of. ons. )

 

In dit vers, dat net als vs.2b het leven van de Messias op aarde tekent, worden ons zes kenmerken van zijn lijden gegeven:

(1) 'Veracht', als gevolg van zijn uiterlijk, dat door het lijden getekend was (vs.2b), maar ook als gevolg van de boosheid van de mens zelf. Het volk verwierp Hem in diepe minachting (vgl. Luk.19:14b).

(2) 'Ophoudende (of: een einde nemend) onder de mannen', d.i. ůf iemand die geen plaats meer heeft onder de mensen, d.i. door hen verlaten (FD, NBG) of verworpen is (NIV), ůf die de laatste (= laagste) plaats inneemt onder de mensen, de 'onwaardigste' (SV), ůf die aan zijn eind komt (vgl. 'vergankelijk', Ps.39:5); iemand die men bijna al niet meer tot de mensen kan rekenen (vgl. 52:14). DT leest: 'alleen gelaten (noot: op een afstand gehouden) door de mensen'. En E‹ (noot) leest: 'verlaten door de mannen (= de hooggeplaatsten)'. Sommigen denken hier aan een melaatse, die uit de mensengemeenschap gestoten werd (zie punt 5).

(3) Een 'man van pijnen', d.w.z. een lijder wiens bestaan geheel door smart getekend is. Het is merkwaardig dat het woord 'man' in de grondtekst direct achter het woord 'mannen' staat, waardoor een contrast ontstaat: Hij was verlaten door de besten van de mannen, maar Hij was toch Zelf ook een man, maar dan Eťn in de laagste staat.

(4) 'Bekend (= vertrouwd) met ziekte (of: pijn, verzwakking)'. Dit kan men letterlijk opvatten, als een aanduiding voor de pijn die het gevolg is van de Hem toegebrachte wonden, ůf in de ruimere betekenis van 'leed, ellende'. Letterlijk: 'een bekende van de ziekte', Iemand die door de ziekte dikwijls bezocht wordt. Iemand die het leed (vooral het verzoenend lijden) in al zijn facetten gesmaakt heeft, die alle leed van zijn volk te dragen kreeg. In 1:5b,6 vinden we dezelfde termen als aanduiding voor de zondige toestand van het volk, en ook in Jer.10:19 en 15:18 worden woorden als 'pijn' en 'wond' overdrachtelijk gebruikt. Het kan echter ook zijn dat dit vers al vooruitgrijpt op vs.4; de gedachte is dan dat de Messias vertrouwd is met ziekte zoals een arts dat is, dus als Iemand die Zich erbarmt over de zieken.

(5) Men verborg het gelaat voor Hem, d.w.z. ziekte en smart hadden Hem zo weerzinwekkend gemaakt dat men zich walgend van Hem afwendde (vgl. Job 19:14v.). Sommigen vertalen: 'als Iemand die het gelaat voor ůns verbergt'. De gedachte zou dan zijn dat de Messias gezien wordt als een melaatse die zijn gezicht gedeeltelijk moest verhullen (zie punt 2 en Lev. 13:45). Maar het ligt meer voor de hand te denken aan iets dat het volk Hem aandoet.

(6) Na een herhaling van het eerste kenmerk: 'veracht', volgt een versterking: men onthield Hem elke vorm van achting (vgl. FD), d.w.z. men beschouwde Hem als niets (vgl. E‹). Als de profeet hier in het 'wij' inbegrepen is, is dat omdat hij zich als IsraŽliet eenmaakt met het overblijfsel in de belijdenis van hun zonden. Met diep berouw herinnert het overblijfsel van het volk zich al deze wandaden die zij tegenover de Messias bedreven hebben.

 

De Messias was minachtend verworpen, verlaten door (of: de onwaardigste onder) de edelste mannen, een door smarten getekende, en vertrouwd met de ellendige gevolgen van de zonde, en als Iemand voor wie men met weerzin het gelaat verbergt; Hij was minachtend verworpen, zodat wij Hem alle achting onthouden hebben.