'Het Oosten' in bijbelse taal

H.P. Medema

 

Het Griekse woord voor 'oosten' (Gr. anatole) betekent 'opgang [van de zon]', net als bij ons het van het Latijn afgeleide woord Orient.
In het Hebreeuws zijn er verschillende woorden voor 'oosten'.
- mizrach is afgeleid van het werkwoord zarach, 'opgaan', en betekent eveneens 'opgang [van de zon]'. Met hetzelfde woord wordt meermalen de verschijning van de heerlijkheid van Jahweh aangeduid (Ps.112:4; Jes.58:10; 60:1,2; Mal.4:1,2).
- qedem is eigenlijk 'voorzijde', 'van voren', ervan uitgaande dat men met het gezicht in de richting van de opgaande zon staat.

Om enigszins te begrijpen hoe een IsraŽliet de term 'oosten' aanvoelde, is het van belang onze westerse gedachtengang opzij te zetten. Allereerst geografisch: wij zijn gewend ons op het noorden te oriŽnteren, maar dat is een gewoonte die eerst dateert van de uitvinding van het kompas. Oosterse nomaden evenwel konden elke dag, als ze verder wilden reizen, zich het gemakkelijkst oriŽnteren (let op dit woord: ook daar zit 'oriŽnt' in!) naar de plaats waar de zon opging.

Ten tweede wat het tijdsbegrip betreft; ook in dat opzicht dacht de IsraŽliet heel anders dan wij. Wij spreken van het verleden als van datgene wat achter ons ligt, en van de toekomst als datgene wat vůůr ons ligt. Soms deed de IsraŽliet dat ook, in dichterlijke taal (Spr.4:18, 25v.). Maar in het gewone, alledaagse Hebreeuws was de uitdrukkingswijze precies andersom: qadmoni of qadma (samenhangend met qedem, 'voorkant', 'oosten') betekent 'voorzijde' maar ook 'de tijd van vroeger' (o.a. Jes.23:7), terwijl acharit, 'achterkant', tevens het woord voor 'toekomst' is; 'het laatste der dagen' (bijv. Gen.49:1) betekent eigenlijk 'het achterste der dagen'. Men heeft het Semietische tijdsdenken wel vergeleken met een man die in een roeiboot vaart: de weg die hij al heeft afgelegd kan hij overzien, maar wat nog komt, ligt buiten zijn gezichtsveld.

Het oosten kan de richting zijn vanwaar de goede, Goddelijke dingen verschijnen, maar ook de plaats vanwaar het slechte opdoemt (vgl. bijvoorbeeld Openb.7:2 met 16:12). Het woordenpaar oosten en westen heeft dus niet per se een inkleuring van goed en kwaad.