De Correspondent

J. VAN DER BIJL

Als wij het goed hebben, is het voor de eerste keer in het lange leven van de 'Bode' dat er over de correspondent van de vergadering wordt geschreven. Een binnengekomen vraag gaf er aanleiding toe. Het kan nuttig zijn zich eens te bezinnen op iets dat we allang kennen en dat praktisch onmisbaar is. De 'vergadering van gelovigen' is geen organisatie. Maar er moet wel een adres zijn waaraan mededelingen gericht kunnen worden die voor het geheel bedoeld zijn. Hoe bezien we nu de broeder die de correspondentie in ontvangst neemt? Waar we in de Bijbel niets vinden over dit onderwerp, kunnen we niet meer dan een paar algemene beginselen aangeven.

 

De correspondent moet het vertrouwen hebben

Allereerst dient opgemerkt te worden dat deze broeder het algemeen vertrouwen in de plaatselijke geloofsgemeenschap moet hebben. Men moet er van op aan kunnen dat hij niets achterhoudt van wat voor het geheel van belang is. Daarom moet hij wel door de vergadering aangewezen worden. De broeders zullen zich dus bezig houden met de vraag wie van hen deze dienst het beste kan vervullen.

 

De correspondent moet onderscheidingsvermogen hebben

Het antwoord op de vraag wie geschikt kan zijn als correspondent hangt af van de vraag wat men van hem verwacht. Er is wel eens gezegd dat de correspondent alleen maar 'de brievenbus' is, die alles wat binnenkomt zonder meer netjes moet doorgeven aan de vergadering. Dat standpunt is niet vol te houden. Soms komt er van buiten de eigen kring wel eens bericht van een activiteit waarmee we helemaal niet gelukkig zijn. Eventueel na raadpleging van n of twee andere broeders kan zoiets regelrecht de papiermand in. En als er een uitnodiging komt voor een conferentie is het bepaald niet verstandig om aan allen alles van a tot z voor te lezen, met de routebeschrijving en met het nummer van post- of bankrekening er allemaal bij. Er is toch overal wel een tafeltje of prikbord voor mededelingen, waar iedereen nader kennis kan nemen van dat waar men belang bij heeft. Het gebeurt ook dat bepaalde zaken ter kennis worden gebracht, die eerst eens door de broeders moeten bekeken en besproken worden. Daarna bepalen zij welk gevolg er verder aan gegeven moet worden. Voor het geval een bericht van uitsluiting bekend gemaakt moet worden, zal dat uitsluitend worden voorgelezen aan de broeders en zusters in gemeenschap aan de tafel van de Heer. De broeder-correspondent is dus veel meer dan de brievenbus. Hij moet wel degelijk selecteren en weten wat en hoe of waar iets doorgegeven kan of moet worden. Die wijsheid zal hij moeten hebben, maar het is uiteraard wl correct in de broedervergadering te melden welke post er is binnengekomen. Eventueel kunnen hem vanuit de broedervergadering enige richtlijnen of suggesties gegeven worden.

 

Aan welke vereisten moet de correspondent voldoen?

Er is wel eens een profielschets gemaakt van de correspondent, waarin o.a. genoemd werd: hij moet
- nationaal bekend zijn in de vergaderingen
- goed bespraakt zijn
- leiding kunnen geven
- een roeping daartoe hebben.

Het valt te vrezen dat men met zulke vereisten voor ogen een soort 'geestelijk ambt' gaat creren, wat nu juist helemaal niet kan en mag. Laat het voor ons allen duidelijk zijn dat het correspondentschap een uitsluitend praktische functie is, waaraan op zichzelf absoluut geen geestelijk gezag verbonden is. Natuurlijk kan een broeder met gaven correspondent zijn. Maar zijn dienst in de vergadering heeft niets te maken met het feit dat hij correspondent is. Het eerste vloeit voort uit de genadegave die hij van de Heer ontving; het laatste is een werkje dat de broeders hem toevertrouwden. Wie dat op zich neemt, moet de wens hebben, niet om te heersen, maar om zijn medegelovigen in liefde te dienen.

De voorwaarde dat hij in het land bekendheid moet genieten, is niet juist gezien. Hij moet plaatselijk het volle vertrouwen hebben. Het feit dat de vergadering hem als correspondent voorstelt, wordt dan overal aanvaard en gerespecteerd.

Wil men van 'roeping' spreken, dan mag het in dezelfde zin zijn als een roeping om bijv. koster te worden. Liefde moet de drijfveer zijn en dienen het devies.

 

Welk mandaat heeft de correspondent?

De allereerste taak van de correspondent is de binnengekomen post op de juiste wijze te behandelen, d.w.z. er op de gepaste tijd en plaats kennis van te geven aan hen die het moeten weten. Als er geantwoord of gereageerd moet worden, is het aan de broeders om te bepalen of de correspondent dat altijd moet doen of soms andere broeders. Sommigen menen dat de correspondent ook alle aanbevelingsbrieven moet schrijven. Dat kan, maar dat hoeft niet. Men kan ook andere broeders vragen voor deze dienst. In een plaats waar regelmatig gasten uit het buitenland komen, is het wenselijk dat de correspondent hen te woord kan staan. Men wendt zich immers eerst tot hem voor inlichtingen.

In een grote vergadering is het fijn als meerdere broeders zich ter beschikking stellen voor de een of andere taak. Dat zal veel minder lukken in een kleine vergadering, waar men noodgedwongen 'moet roeien met de riemen die men heeft'. Het is niet ideaal (bijna) alles aan n persoon over te laten. Het kan best zijn dat de correspondent niet zelf alles voorleest wat voorgelezen moet worden in de vergadering. Als hij bijv. een zwakke stem heeft, kan hij dit heel goed aan een andere broeder overlaten.

Het mandaat dat de correspondent krijgt, hangt dus helemaal af van wat door de broeders ter plaatse beslist wordt. Dat kan van plaats tot plaats nogal verschillen. Zeker is het goed en nodig voor elke taak de Heer te vragen 'de juiste man op de juiste plaats' te geven.

Het lijkt ons niet overbodig nog eens te onderstrepen dat niemand mag denken dat hij als correspondent van de vergadering enig geestelijk gezag kan laten gelden. Hij oefent daarmee alleen een praktische funktie uit, die niets te maken heeft met de gang van zaken in het samenkomen als gemeente.

 

Als iemand dient, laat het zijn als uit
sterkte die God verleent, opdat in alles
God verheerlijkt wordt door Jezus Christus,
aan Wie de heerlijkheid en de kracht is
tot in alle eeuwigheid. Amen.

(1 Petr. 4:11)