Tenslotte

Gods moederlijke meegevoel

Willem J. Ouweneel

‘O God, die ons zo teder mint als onze trouwe Vader,
meer dan een moeder voor haar kind,
zorgt Gij voor ons te gader.'

'Gij hebt mij lief, zoals geen teed're moeder
haar zuigeling bemint.'

In de feministische theologie spreekt men tegenwoordig graag over het moederschap van God. Velen gaan zelfs zover dat zij God niet meer aanduiden als een Hij, maar als een Zij. Dit is natuurlijk in strijd met de Schrift. God wordt Vader, en nooit Moeder genoemd; Hij is altijd een Hij, nooit een Zij. Daaraan moeten wij ons houden.Toen God echter de mens schiep, schiep Hij hem niet alleen, ‘naar zijn beeld en gelijkenis', maar ook 'man en vrouw'. Zowel de man als de vrouw zijn beeld van God, zij het dat de vrouw dat in meer indirecte zin is (1 Kor.11:7); God is dan ook een Vader, geen Moeder. Toch is God niet een 'man’! De volheid van Gods gevoelens zijn zowel in de gevoelens van de man als in die van de vrouw terug te vinden, want beiden zijn naar de gelijkenis van God geschapen.

In Jesaja lezen we over de 'moederlijke' gevoelens van God dit prachtige woord: 'Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet. Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift' (Jes.49:15v.); en ook: 'Als iemand dien zijn moeder troost, zo zal ik u troosten' (Jes. 66:13). Het is opmerkelijk hoeveel aandacht de Schrift besteedt aan deze moederzorg van God, en wel naar het voorbeeld van de vogels. God wordt vergeleken met een moederarend, die haar jongen op haar vleugels draagt (Ex.19:4; Deut.32:11) of met een kloek, die haar jongen onder haar vleugels doet schuilen (Ruth 2:12). Zo 'draagt' de Heer ons, vooral als we nog babies in het geloof zijn, en zo beschermt Hij ons onder zijn 'vleugelen' als gevaar ons bedreigt (Ps.17:8; 57:2; 61:5; 91:4), of Hij bergt ons daaronder eenvoudig opdat we er genieten van zijn zorg en liefde (Ps.36:8; 63:8).

Maar diezelfde moederlijke gevoelens wil God ook aanwakkeren onder zijn volk. Hij wil niet alleen maar strenge, vermanende 'vaders', maar ook voedende, koesterende 'moeders'. Een prachtig voorbeeld daarvan zien we bij de apostel Paulus, die aan de Thessalonikers schrijft: 'wij waren vriendelijk in uw midden, zoals een voedende moeder haar eigen kinderen koestert... U weet immers hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, ieder van u vermaanden en vertroostten' (1 Thess.2:7,11). In de koesterende moederzorg was Paulus een volgeling van zijn Heer, die Zelf zijn afvallige volk had 'willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels' (Matth.23:37; Luk.13:34). Niemand kon strenger zijn dan de Heer; niemand kon ook zachter, tederder zijn dan Hij als het ging om het zwakke, het hulpbehoevende. Hijzelf is ons grootste voorbeeld als het erom gaat de ware 'moederlijke' gevoelens ook in ons eigen hart en in ons midden aan te kweken.