STEFANUS

(1)

 

J. KLEIN HANEVELD

 

De martelaarsdood van Stefanus was een keerpunt in de geschiedenis van het volk IsraŽl. Dat blijkt al uit de wijze waarop Stefanus de geschiedenis van IsraŽl van Abraham af onder de aandacht van zijn hoorders brengt. Hij vat die diep-treurige historie tenslotte samen in deze woorden: 'Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars bent geworden, u die de wet door beschikking van engelen hebt ontvangen en niet gehouden!' (Hand.7:51-53).

IsraŽl had Gods wet overtreden, Gods profeten vervolgd, Gods Zoon vermoord en stond nu op het punt het getuigenis van Gods Geest aangaande een verheerlijkte Christus aan Gods rechterhand te verwerpen, zoals zij dat ook met Christus in zijn vernedering hadden gedaan.

We dienen hierbij te bedenken dat de tragische geschiedenis van IsraŽl tevens de morele geschiedenis is van de mens in het algemeen in zijn natuurlijke toestand voor God. In IsraŽl heeft God een proef met de mens genomen. Dat was in zekere zin nodig geworden. Wel was in de loop van de geschiedenis, namelijk in de tijd van Adam tot Mozes, duidelijk gebleken dat de mens van nature een zondaar is (Rom.5:14). De mens had zich evenwel tegenover God kunnen verontschuldigen met een beroep op zijn onkunde door te zeggen: 'Wij kennen God ook zo weinig en we weten niet precies wat Hij eigenlijk van ons wil. Wanneer Hij ons zijn geboden maar bekend had gemaakt, zouden wij wel anders gedaan hebben.' In Romeinen 5:13 wordt dat zů gezegd: 'Zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.'

Daarom gaf God op SinaÔ zijn heilige wet. Hij gaf die niet aan het eerste het beste volk, maar aan een volk in de meest gunstige omstandigheden. Natuurlijk, want alleen dan zou Gods proef met de mens als afdoende kunnen worden beschouwd.

IsraŽl was hoog bevoorrecht. Het had zijn volksbestaan te danken aan de levendmakende macht van God. Daaraan herinnert Stefanus in zijn toespraak: 'Dit land waarin u nu woont... Hij beloofde het hem tot een bezitting te geven en zijn nageslacht na hem, terwijl hij geen kind had.' Bovendien had God zijn volk op een wonderbare wijze onder geweldige tekenen en wonderen verlost uit de slavernij in Egypte. Ook daaraan herinnert Stefanus. Daaraan had Jahweh Zelf hen herinnerd bij de wetgeving: 'Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.' Als van ťťn volk verwacht mocht worden dat het dankbaar en blij Gods geboden trouw zou onderhouden, dan was het van dit hoog bevoorrechte volk.

Wat was evenwel het resultaat? IsraŽl heeft Gods wet niet gehouden. Het heeft zich onmiddellijk na het ontvangen van de wet al schuldig gemaakt aan overtreding van het eerste en fundamentele gebod: 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.' Tegen Ašron zeiden zij: 'Maak ons goden, die voor ons zullen uitgaan... En zij maakten een kalf in die dagen en brachten offerande aan de afgod' (Hand.7:40,41).

De kwestie van de afgoderij werd het grote twistpunt tussen God en zijn volk gedurende al de eeuwen van zijn nationaal bestaan in Kanašn. Tenslotte werd het om die reden in ballingschap gevoerd 'tot voorbij Babel' (vers 43).

De geschiedenis van IsraŽl onder de wet toont aan hoe verdorven het hart van de mens is. De mens zonder wet is zonder meer een slaaf van zijn boze begeerten. Maar wanneer hij onder de wet wordt gesteld, treedt pas ten volle aan het licht hoe krachtig de werking van die begeerten in zijn hart is. Dan blijkt dat zijn wil boos is. Zo boos dat hij tůch gaat zondigen, ondanks het gebod van God. Hij komt ertoe het gezag en de rechten van God, aan Wie hij toch alles te danken heeft, te verachten en met voeten te treden. Hij wordt van een zondaar tevens een overtreder van Gods geboden. Hij blijkt zelfs zo verdorven te zijn dat de eenvoudige wetenschap dat iets verboden is, de boze neiging in hem doet opleven en hem prikkelt tot zondigen. De zonde is uitermate zondig geworden door het gebod (Rom.7:13).

Dit was ook het doel waartoe God zijn wet aan IsraŽl had gegeven. Romeinen 5:20 zegt: 'De wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding (niet: 'bedwongen zou worden', maar) zou toenemen.' De zonde bedwingen en overwinnen kan de wet niet. Maar: 'door de wet komt kennis van zonde' (Rom.3:20), d.w.z. daardoor leren we de zonde pas goed kennen in haar ware aard, haar diepe verdorvenheid.

 

Genade

Maar hiermee was Gods proefneming met de mens nog niet afgelopen. Ook nu nog zou de mens, zou IsraŽl zich bij God kunnen verontschuldigen. Ze zouden hebben kunnen zeggen: 'Als God eens niet met de zware eisen van zijn wet: 'gij zult niet en gij zult niet' tot ons was gekomen maar met het aanbod van genade, die bereid is alle schuld te vergeven en door heel ons verleden een streep te halen, dan zouden wij God niet hebben verworpen.'

Welnu, God heeft een overblijfsel van IsraŽl uit de ballingschap doen terugkeren naar het land der vaderen en zijn eigen Zoon tot hen gezonden met het aanbod van volkomen genade en vergeving.

'Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond ... vol van genade en waarheid ... Want uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden' (Joh. 1: 14-18).

De psalmdichter had reeds profetisch van Hem getuigd: ' Genade is uitgestort in uw lippen' (Ps.45:3, St.Vert.). In de synagoge in Nazareth verwonderden allen zich over de woorden van genade die uit zijn mond kwamen (Luk.4:22). God zond zijn Zoon niet in de wereld om de wereld te oordelen (ofschoon daar alle reden toe was!), maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. God toonde in Christus dat Hij de wereld liefhad; zů lief dat Hij zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat een ieder (wie hij ook is, al is hij nog zo ver afgeweken), die in Hem gelooft, niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven hebben (Joh.3).

 

Haat

Maar ook deze volheid van genade is door IsraŽl afgewezen. De Heer Jezus is door zijn volk verworpen. Zijn volmaakte liefde is beantwoord met volkomen haat. De mens heeft daarin getoond dat hij niet alleen een zondaar is en niet alleen een brutale overtreder van Gods heilige wet, maar ook een vijand van God. Hij haat God!

De Heer Jezus Zelf heeft gezegd aan het slot van Johannes 15: 'Als Ik niet was gekomen en tot hen gesproken had, hadden zij geen zonde.'

Wat betekent dat? Ze hadden toch zonde op zonde gestapeld, heel hun geschiedenis door? Dat wel, maar zij hadden zich kunnen verontschuldigen met de bewering: Als God ons maar volkomen genade had willen aanbieden, dan zouden we wel geluisterd hebben. 'Maar nu - zegt de Heer verder - hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde! Wie mij haat, haat ook mijn Vader. Als Ik niet de werken onder hen gedaan had die niemand anders heeft gedaan, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij zowel gezien als gehaat zowel Mij als mijn Vader. Maar het woord moet worden vervuld dat in hun wet geschreven staat: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat.'

Inderdaad, zonder oorzaak! Hun haat was het antwoord op zijn grenzeloze liefde.

 

Onkunde

En nog is daarmee die liefde niet uitgeput. Het eerste woord dat de Heer Jezus spreekt, wanneer men Hem kruisigt, is: 'Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.'

Wisten zij niet wat zij deden? 'Geen van de oversten van deze wereld heeft die gekend want als zij haar hadden gekend, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben' (1 Kor.2:8).

De diepe vernedering, de slavengestalte, waarin de Heer verscheen, kon door IsraŽl als een verontschuldiging worden aangevoerd, dat zij Hem niet hadden herkend. 'Hij had gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante dat wij Hem zouden hebben begeerd... Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht' (Jes.53).

Maar het gebed van de Heer werd verhoord. De Heilige Geest, door de verheerlijkte Heer uitgestort, legde getuigenis af van zijn tegenwoordige heerlijkheid. En het aanbod van genade aan IsraŽl werd herhaald, toen Petrus zei: 'En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten... Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt' (Hand.3:17-20).

Wanneer IsraŽl zich alsnog zou bekeren, zou God de Heer Jezus terugzenden uit de hemel en konden de profetieŽn in vervulling gaan. In Handelingen 4 wordt eenzelfde getuigenis afgelegd voor de oversten van IsraŽl, en hier in Handelingen 7 volgt de beslissende fase, wanneer Stefanus een laatste getuigenis aflegt voor overheid en volk. Een getuigenis door de Heilige Geest aangaande de Heer Jezus, de Zoon des mensen, in de heerlijkheid van God aan zijn rechterhand. De zonde van IsraŽl was tot een zeer grote hoogte gestegen, maar Gods genade en lankmoedigheid stegen daar boven uit. 'Waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden' (Rom.5:20).

Deze lange inleiding heeft tot doel het getuigenis van Stefanus en zijn dood te plaatsen in het kader van de heilsgeschiedenis.

 

Laatste aanbod.

Het ging om een laatste getuigenis, deze keer aangaande een verheerlijkte Christus aan Gods rechterhand, die alsnog zijn volk volkomen genade en vergeving aanbood.

Het was nodig dat dit getuigenis met grote liefde en geduld in de geest van genade werd afgelegd. De eer dit te mogen doen viel toe aan Stefanus, van wie dan ook in dit verband vermeld staat dat hij vol van de Heilige Geest, vol wijsheid, vol geloof, vol genade en vol kracht was (Hand.6:3,5,8). Hij is behalve de Heer Jezus Zelf de enige van wie gezegd wordt dat hij vol genade was.

En inderdaad openbaarde hij in zijn toespraak een volheid van genade van God tegenover een weerspannig en boosaardig volk. De beschuldigingen die tegen hem ingebracht waren, logen er niet om: hij zou lasterlijke woorden over de tempel en over de wet van Mozes hebben gesproken. Het waren valse beschuldigingen, maar Stefanus gaat daar voorlopig niet op in, ondanks de vraag van de hogepriester: 'Is dit inderdaad zo?' Ook vermijdt hij vooralsnog de bij de menigte al zo gehate naam Jezus te noemen; hij wil hen niet prikkelen.

Toch is zijn hele toespraak een prediking van die naam. Maar pas bij zijn terechtstelling, in zijn laatste ogenblikken, spreekt hij de naam uit die toch de hele tijd voor zijn aandacht heeft gestaan: 'Heer Jezus, ontvang mijn geest.'

Stefanus begint zijn toespraak rustig vertellend uit de boeiende geschiedenis van het voorgeslacht. En men luistert; hij boeit hun aandacht. Hij spreekt over Abraham, de stamvader van het volk, door allen hoog geŽerd. Dan gaat hij over op Jozef. Waarom op Jozef? Omdat Jozef een type is van Christus. Ook hij werd door zijn broeders miskend en verworpen, verkocht naar Egypte. En pas de tweede maal dat zij naar Egypte kwamen om brood te kopen, hebben zij Jozef herkend, zegt Stefanus. Zo is ook de Heer Jezus bij zijn eerste optreden in IsraŽl verworpen en zal pas, wanneer hij voor de tweede maal komt, als hun Messias worden herkend. Maar Stefanus noemt dit alles niet, hij duidt het slechts vaag aan.