CHRISTUS' GROOTHEID ALS HERDER

 

H. BOUTER JR.

 

Dit is het laatste deel van een serie over de grootheid van de Persoon van Christus als Koning, Profeet, Heiland, Hogepriester en Herder

 

'De God van de vrede, die uit de doden heeft teruggebracht de grote Herder der schapen'

Hebr. 13 : 20

 

Christus is niet slechts onze grote Priester (vgl. Hebr. 4: 14; 10 : 21), maar eveneens onze grote Herder: de grote Herder van de schapen, die door God uit de doden is teruggebracht (Hebr. 13:20). Ongetwijfeld zinspeelt dit vers in het slothoofdstuk, dat o.a. spreekt over de rol van voorgangers temidden van het volk van God, op het feit dat de Heer Jezus mťťrder is dan Mozes, de grote voorganger en herder van het volk IsraŽl. Want hoewel de Brief aan de HebreeŽn vooral de grootheid van Christus' priesterschap benadrukt en dus uitvoerig ingaat op het contrast met Ašron, wordt de tegenstelling met Mozes toch niet vergeten. Christus is groter dan Ašron, maar Hij is ook hoger dan Mozes. We vinden dit thema direct al na de inleidende hoofdstukken 1 en 2, die Christus tonen respectievelijk in zijn Godheid en in zijn mensheid. Hij is de Zoon van God (Hebr. l), maar tevens de Zoon des mensen die langs de weg van het lijden de heerlijkheid van de hemel is binnengegaan (Hebr. 2). Dit tweeledige karakter vormt de grondslag van zijn unieke hemelse priesterschap (de rol van Ašron), maar ook van zijn apostelschap, zijn taak als Gezant en Profeet van Godswege (de functie van Mozes). Daarom roept Hebr. 3: 1 ons ertoe op Hem te beschouwen als 'de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis'. Met het oog van het geloof aanschouwen wij Hem als de ware Mozes en de ware Ašron. Hij is groter dan Mozes, die als dienstknecht van God hier op aarde het Woord van God heeft gesproken (Hebr. 3 : 3-6). Hij is de Zoon Zelf, niet slechts een dienstknecht, en Hij heeft nu vanuit de hemel gesproken (Hebr. 12:25). Mozes gaf het volk van God aanwijzingen voor de dienst en voor de wandel door de woestijn, en zo weidde hij de kudde van God (vgl. Ex. 3: 1,12; Ps. 77:21). Christus is de Herder van een hťmels volk. Hij heeft ons verlost uit de macht van de overste van deze wereld en ons gebracht in Gods tegenwoordigheid (zoals Mozes IsraŽl verloste uit de hand van Farao en het leidde tot de berg Gods). Hij vergadert zijn Gemeente uit joden en heidenen en weidt haar als ťťn kudde in grazige weiden. Hij gaat ons voor, Hij wijst ons de weg door zijn Woord en Geest en maakt ons Gods gedachten bekend. Hij leidt ons al de dagen van ons leven, opdat wij nu reeds Gods tegenwoordigheid zouden genieten en 'in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen' (Ps. 23:6). En spoedig zal Hij ons de hemelse heerlijkheid binnenvoeren, die Hij voor ons heeft verworven op grond van zijn sterven als de goede Herder.

 

Vermoedelijk zinspeelt Hebr. 13:20 op de doortocht door de Rode Zee, omdat het omhoogvoeren van Mozes uit de wateren kan worden opgevat als een illustratie van het terugbrengen van Christus, de grote Herder van de schapen, uit de doden (vgl. Jes. 63:11-13). Zoals Mozes triomfantelijk omhoog werd gevoerd uit de zee, zo is Christus door Gods kracht teruggebracht uit de wateren van de dood waarin Hij werkelijk was gezonken om ons het leven te kunnen geven. Mozes kwam tevoorschijn uit de zee en hij stond aan het hoofd van een lange stoet van IsraŽlieten die hem volgden. Evenzo is Christus de Leidsman van een hemels volk, dat met Hem is verbonden in zijn opwekking uit de doden en nu aan de overzijde van dood en graf met Hem het loflied van de verlossing kan aanheffen. Onder zijn leiding zullen wij veilig het einddoel van onze pelgrimsreis bereiken. Hij is de overste Leidsman en Voleinder van het geloof (Hebr. 12:2). Hij is de grote Herder van de schapen, die Hij om zo te zeggen uit Egypte heeft uitgeleid, door de Rode Zee heeft heengeleid en nu voortleidt op de weg naar het hemelse Kanašn. Als de goede Herder heeft Hij zijn leven afgelegd voor de schapen, om hun het leven te kunnen schenken (Joh. 10:10,11). En nu Hij uit de doden is teruggebracht, voert Hij de zijnen aan als de grote Herder van de schapen'. In dit verband is het ook van belang te letten op de volgorde van de beide Psalmen 22 en 23. In Ps. 22 zien we hoe Christus zijn leven aflegt voor de zijnen en vervolgens in de opstanding het antwoord van God ontvangt op zijn bittere lijden, in Ps. 23 hoe Hij zijn schapen aanvoert op de weg door de woestijn.

 

In Hebr. 13:20 ligt het accent niet op het feit dat Christus Zelf in eigen kracht is opgestaan uit de doden, maar daarop dat Hij is opgewekt door God de Vader. God wordt hier voorgesteld als de 'God van de vrede', een benaming die in het Nieuwe Testament wordt gebruikt in verbinding met levensheiliging en het behalen van de overwinning over de macht van de boze (vgl. Rom. 16:20; 2 Kor. 13:11; Fil. 4:8,9; 1 Thess. 5:23). Vrede en heiliging worden ook samen genoemd in Hebr. 12:14. Door Christus' opwekking uit de doden door de God van de vrede is er nu een toestand van vrede en harmonie bereikt, een staat van rust en heiligheid die niet meer kan worden verstoord door de zonde en door de macht van de boze. Want Christus is eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven; het zondevraagstuk is daardoor voorgoed tot een oplossing gebracht. Wat Hij nu leeft, leeft Hij voor God, in de heiligheid van de hemel, in de tegenwoordigheid van de Vader door Wiens heerlijkheid Hij is opgewekt uit de doden (Rom. 6: 4, 10). De heerlijkheid van de Vader, de innerlijke voortreffelijkheid van alles wat de Vader is, vereiste dat Christus die juist was gestorven om zijn God en Vader te verheerlijken en al Diens voortreffelijkheid aan het licht te brengen, zou worden opgewekt uit de doden en zou worden binnengevoerd in de heerlijkheid van de hemel. Het handelen van God de Vader staat hier dus op de voorgrond. Het is de God van de vrede, die uit de doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen. En God heeft dit kunnen doen 'door het bloed van het eeuwig verbond', d.w.z. krachtens de waarde van het bloed van Christus dat voor altijd heeft voldaan aan zijn rechtvaardige eisen. De Herder is immers Zťlf het Lam geworden, dat geslacht is voor onze zonden en ons beveiligt tegen het oordeel. De auteur zinspeelt hier opnieuw op IsraŽls verlossing uit Egypte, die alleen tot stand kon komen door het bloed van het paaslam dat de IsraŽlieten behoedde voor de verderfengel. Zowel het sterven van het paaslam als de doortocht door de Rode Zee zijn beelden van de dood van Christus. Het bloed van het lam beveiligde IsraŽl tegen God als de rechtvaardige Rechter, die de dood van de zondaar eiste. Bij de Rode Zee trad God echter op als de Redder van zijn volk en bracht Hij zijn heil aan het licht door zijn volk te verlossen en de vijand te vernietigen. Zo vormde het bloed van het paaslam de grondslag voor IsraŽls verlossing uit Egypte en het omhoogvoeren van het volk van God uit de wateren van de zee. Evenzo beveiligt het bloed van Christus ons enerzijds tegen het oordeel dat ons rechtens moest treffen, terwijl het anderzijds ook de grondslag heeft gelegd voor onze verlossing uit de tegenwoordige boze eeuw en uit de macht van de boze. Dit laatste aspect zien wij in type in de doortocht door de Rode Zee. Wij zijn met Christus uit de doodswateren opgevoerd en daardoor ontrukt aan de macht van de tegenstander en aan het rijk waarvan hij de overste is. Wij wandelen nu in nieuwheid van leven en volgen Hem op de weg die Hij ons aanwijst als de grote Herder van de schapen.

 

Voor de gelovige HebreeŽn was het in de praktijk echter niet zo eenvoudig om de voetsporen van Christus te drukken, omdat dit inhield dat zij zich van het jodendom moesten losmaken en zich van deze religie moesten afzonderen. Hun plaats was voortaan met Christus 'buiten de legerplaats' (Hebr. 13:13), buiten het gevestigde godsdienstige stelsel dat de Messias had uitgeworpen. Met Hem moesten zij een plaats van smaad en van verwerping innemen buiten de joodse schaapskooi en zich wijden aan de christelijke eredienst waarvan Hijzelf het middelpunt vormt. In Joh. 10 had de Heer reeds aangekondigd dat Hij zijn schapen naar buiten zou leiden uit de stal, uit de omtuining van het jodendom. Hij had nog andere schapen waarvoor Hij zijn leven zou afleggen, nl. de gelovigen uit de volken, en die zou Hij ook toebrengen en zo zou het ťťn kudde en ťťn Herder worden (Joh. 10: 3,4,16). De Gemeente die Christus vergadert uit de joden en uit de volken vormt ťťn nieuwe kudde onder aanvoering van deze ťne Herder. De vroegere verschillen zijn weggevallen en zij vormen een nieuwe gemeenschap die Christus als haar enige Leidsman erkent. Hij geeft al zijn schapen leven en overvloed, vrijheid, bescherming, grazige weiden, en zo leidt Hij hen voort op de weg naar het beloofde land.

 

Het is goed te weten dat deze grote Herder ůnze Herder is, ja, het heel persoonlijk te weten: 'De Here is mijn Herder' (Ps. 23:1). Tevens kennen wij Hem dus als de ťne Herder, de goede Herder, de grote Herder, maar ook als de overste Herder van de kudde van God (1 Petr. 5:1-4). Hij schakelt anderen in om de schapen te weiden, maar deze herders staan onder zijn gezag. Christus is de Opperherder en bij zijn verschijning zal Hij allen die hier op aarde het welzijn van zijn schapen hebben gezocht, belonen met de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid. Wat een vooruitzicht!

 

Mijn Herder is de Heer;
dus zal mij niets ontbreken.
Geen herder mild en goed als Hij,
naar groene weiden voert Hij mij;
Hij gaat mij zachtkens voor
naar stille waterbeken.