CHRISTUS' GROOTHEID ALS HOGEPRIESTER

 

H. BOUTER JR.

 

Dit is het vierde deel van een serie over de grootheid van de Persoon van Christus als Koning, Profeet, Heiland, Hogepriester en Herder

 

'Daar wij nu een grote Hogepriester hebbenÖ laten wij naderen'

Hebr. 4:14; 7:4; 10:21

 

De brief aan de HebreeŽn schildert ons de grootheid en de heerlijkheid van de Persoon van Christus, vooral in verbinding met zijn priesterschap dat eeuwig en onoverdraagbaar is. Het is een geweldige bemoediging voor ons dat wij zo'n grote, unieke Hogepriester hebben. In drieŽrlei opzicht hebben wij met Hem te maken als onze grote Priester: met het oog op onze zonden, onze zwakheden en onze priesterdienst.

 

(1) Wat onze zonden betreft weten wij dat Christus als een barmhartig en trouw Hogepriester verzoening heeft gedaan voor de zonden van zijn volk (Hebr. 2:17). Dit werk heeft Hij eens voor altijd volbracht en daardoor heeft Hij een eeuwige verlossing voor ons verworven. Terwijl onder het oude verbond telkens opnieuw verzoening moest worden gedaan voor de zonden en het bloed van de verzoening ieder jaar opnieuw in het heiligdom moest worden gedragen (vgl. Lev. 16), is het werk van Christus eenmalig en van eeuwigdurende waarde. In overeenstemming met de raad van God heeft Christus in de volheid van de tijd een uniek werk volbracht. Op grond daarvan is Hij nu gaan zitten aan Gods rechterhand in de hoge, terwijl de Heilige Geest sinds de Pinksterdag hier op aarde is om van zijn Persoon en van zijn volbrachte werk getuigenis af te leggen. Wat een zekerheid is het door het geloof te weten dat wij door Christus' offer voor altijd volmaakt zijn en gereinigd zijn van de zonden (Hebr. 10:1-18).

 

(2) Nadat Christus het offer van zijn leven heeft gebracht en is opgestaan uit de doden, is Hij gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen. Daar treedt Hij nu op als bedienaar van het hemelse heiligdom en verschijnt Hij voor het aangezicht van God voor ons. Evenals Ašron de namen van de zonen van IsraŽl droeg op zijn schouders en op zijn borst wanneer hij in Gods tegenwoordigheid verscheen, zo, vertegenwoordigt Christus ons nu daarboven en treedt Hij voortdurend voor ons tussenbeide. Hij houdt Zich nu niet bezig met onze zonden, maar met onze zwakheden. Want de kwestie van onze zonden is door zijn verzoeningswerk voorgoed tot een oplossing gebracht. Wij zijn voor altijd gereinigd en geheiligd op grond van zijn offer en de verhouding tussen God als Schepper en Rechter en ons als zijn schepselen is volkomen in orde gebracht. Dat is de principiŽle kant van de zaak. Iets anders is de praktische, dagelijkse verhouding tussen God als Vader en ons als zijn kinderen. Dan kan er helaas wťl sprake zijn van zonden die het praktische genot van de relatie verstoren, en dan is Christus werkzaam als onze voorspraak bij de Vader (1 Joh. 2:1). Zijn voorbede bij de Vader en zijn werk aan ons hart en geweten leidt tot ons herstel, zoals de geschiedenis van Petrus in de EvangeliŽn zo mooi illustreert. Christus' tegenwoordige taak als Hogepriester bij God heeft echter uitsluitend betrekking op de zwakheden, de gebreken, de behoeften van diegenen die reeds eens voor altijd met God zijn verzoend door zijn offer voor de zonden. Hebr. 4 spreekt heel duidelijk over deze hogepriesterlijke taak van de Heer: 'Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eťn die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde. Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd' (vs. 15,16). Christus kon als de reine en heilige Zoon van God geen medelijden hebben met onze zonden. Hij kwam juist om voor onze zonden te boeten. Maar Hij heeft wel medelijden met onze zwakheden terwijl wij als pelgrims op weg zijn naar de heerlijkheid die Hij reeds is binnengegaan. Er zijn allerlei gevaren die ons bedreigen en met het oog daarop is de Heer voortdurend werkzaam als onze hemelse Hogepriester om ons te rechter tijd te hulp te komen. Hij is in staat om ons volledig te behouden, d.i. ons te behoeden en te bewaren en veilig aan het einddoel van de pelgrimsreis te brengen. Want Hij leeft altijd om voor ons tussenbeide te treden (Hebr. 7:25).

 

(3) Als onze hemelse Hogepriester is Christus ook werkzaam met het oog op de eredienst die wij als een heilig priesterdom in Gods tegenwoordigheid hebben te verrichten. Wij zijn immers niet alleen een volk van pelgrims, die op weg door deze wereld een medelijdende Hogepriester nodig hebben. Wij zijn ook een volk van priesters, die onze grote Priester mogen volgen op zijn gangen in het heiligdom. Zo was het ook met het volk IsraŽl in de woestijn: enerzijds was het op reis naar het beloofde land en had het behoefte aan priesterlijke voorbede om het einddoel te kunnen bereiken; anderzijds kon het God ontmoeten bij de tent der samenkomst en met de voorgeschreven offeranden in zijn tegenwoordigheid verschijnen. Het was Gods bedoeling dat de IsraŽlieten een 'koninkrijk van priesters en een heilig volk' zouden zijn (Ex. 19:6). Wij weten echter dat de wet niets tot volmaaktheid heeft kunnen brengen vanwege het falen van de mens en dat de weg tot het heiligdom zelf in feite gesloten was (Hebr. 7:19; 9:8). Slechts op grond van het verzoeningswerk van Christus, dat eens voor altijd is volbracht, is er in de huidige bedeling van de genade vrije toegang tot God. Als verlosten door het bloed van Christus mogen wij met een onbezwaard gemoed het heiligdom binnentreden en onze grote Priester volgen op zijn schreden. Als priesterzonen die geheel en al gereinigd zijn door het werk van Christus en gewijd door de zalving met de Heilige Geest, worden wij ertoe opgeroepen het heiligdom te betreden en als priesters in Gods tegenwoordigheid te naderen: 'Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees, en wij een grote Priester over het huis van God hebben, laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, de harten door besprenkeling gezuiverd van het kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water' (Hebr. 10: 19-22). Christus, de grote, de voornaamste Priester, is het Hoofd van deze familie van priesters die met de slachtoffers van hun lof en met het reukwerk van hun aanbidding tot God naderen. Hij leidt ons en geeft ons aanwijzingen door de dienst in Gods huis - precies zoals Ašron onder het oude verbond het hoofd was van de priesterlijke familie en het dienstwerk van de priester regelde.

 

In al deze opzichten zijn er ook grote contrasten met de oudtestamentische bedeling, waarin zwakke en sterfelijke mensen als hogepriesters werden aangesteld. Wij hebben nu te maken met betere en blijvende dingen. Christus is veel groter dan alle hogepriesters die onder het oude verbond optraden en daarom zijn de resultaten van zijn hogepriesterlijke taken ook zoveel rijker en heerlijker. Enkele aspecten hiervan zijn al aangestipt. Terwijl in IsraŽl de hogepriester elk jaar op de grote verzoendag het allerheiligste moest betreden om het bloed van de zondoffers op en voor het verzoendeksel te sprenkelen, is Christus met zijn eigen bloed eens voor altijd ingegaan in het hemelse heiligdom en heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. Zijn bloed getuigt voor de troon van God van een volbracht verlossingswerk, een werk dat heeft voldaan aan al Gods heilige eisen en dat ons tot in eeuwigheid beveiligt. Onder het oude verbond was alles tijdelijk en was de verzoening nooit volkomen. En ook wat betreft de huidige hogepriesterlijke dienst van Christus is er een groot verschil. Christus is in de hemel zelf ingegaan en Hij leeft daar altijd om voor ons te pleiten. Hij wordt niet moe om voor ons te bidden, Hij hoeft niet afgelost te worden door iemand anders. Dag en nacht draagt Hij ons op zijn sterke schouders en zijn liefdevolle hart en dankzij zijn voorbede worden wij bewaard en kunnen wij veilig het einddoel bereiken. Geen aards Kanašn, maar een hemels vaderland is de hoop die ons deel is. Hoe groot is Christus als onze hemelse Hogepriester! Hij heeft ons zelfs als een volk van priesters met Zichzelf verbonden en ons nu reeds vrije toegang verschaft in Gods heilige tegenwoordigheid. Daar mogen wij nu dienst doen, o.a. om te reukofferen, en wij mogen dat voortdurend doen. De toegang is vrij en wij hoeven niet zoals de priester Zacharia te wachten op onze beurt en op de aanwijzing van het lot om het heiligdom te kunnen betreden (vgl. Luk. 1:8,9). Wat een groot voorrecht is het om steeds in het heiligdom te mogen vertoeven en daar onder de indruk te komen van Gods heerlijkheid, zoals Hij die in Christus heeft tentoongespreid. In het licht van het heiligdom zien wij alles in overeenstemming met Gods gedachten.

 

Daarom is het goed en nodig dat wij nadenken over Christus' grootheid als onze hemelse Hogepriester. De Brief aan de HebreeŽn is eigenlijk ťťn vurig pleidooi om zijn heerlijkheid in ogenschouw te nemen, Hemzelf aandachtig te beschouwen, te aanschouwen hoe groot Hij is in al de facetten van zijn Persoon en van zijn werk. Hij is groter dan de engelen, groter dan de mensen, groter dan Mozes en Ašron, dan Jozua, ja zelfs groter dan Abraham. Hij is de Schepper van alle dingen, de Verlosser en de Erfgenaam van hemel en aarde. Hij is de Zoon Zelf, die Mens geworden is en die door het lijden van de dood heen is ingegaan in de heerlijkheid van de hemel. Daar troont Hij nu aan Gods rechterhand en daar mogen wij Hem met het oog van het geloof aanschouwen als de grote Apostel en Hogepriester van onze belijdenis (Hebr. 3:l). Het is een geweldige bemoediging voor ons dat wij zo'n grote Hogepriester hebben, en tevens een aansporing om te volharden in de loopbaan die wij als christenen hebben af te leggen. Wij mogen gelovig rusten in het verzoeningswerk dat Hij eens voor altijd heeft volbracht, wij mogen ons vertrouwen stellen op zijn hulp en macht temidden van de omstandigheden van het leven hier beneden. Onze hulp komt vanuit het heiligdom! Het is de Heer in de hemel die ons schraagt, onze 'grote Hogepriester, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de zoon van God' (Hebr. 4: 14). Omdat Hij daar is aan Gods rechterhand, deze unieke Hogepriester die zover is verheven boven mensen en engelen, kunnen wij met vrijmoedigheid met onze gebeden en smekingen naderen tot de troon van de genade ('Daar wij nu een grote Hogepriester hebben ... laten wij dus met vrijmoedigheid naderen', Hebr. 4: 14-16).

Deze medelijdende Priester pleit voor ons bij God en dat maakt de uitkomst zeker; zijn aanwezigheid en zijn voorbede garanderen een passend antwoord op onze nood.

Wij hebben dus alle reden om zijn grootheid als Hogepriester te beschouwen. Hij is veel groter dan Ašron, die hier op aarde slechts een tijdelijk priesterambt bekleedde. Christus is Hogepriester volgens een geheel andere orde, nl. die van Melchizťdek. Hij is naar deze nieuwe orde Hogepriester geworden tot in eeuwigheid, en dat niet op aarde maar in het hemelse heiligdom. Wanneer Hebr. 7: 4 ons ertoe oproept te aanschouwen 'hoe groot deze [Melchizťdek] was, aan wie zelfs de aartsvader Abraham een tiende van de buit gaf, dan is dat indirect ook een aansporing om te zien op Hem van Wie de koning van Salem slechts een type was. Laten wij Hem aanschouwen die nu gezeten is aan Gods rechterhand en zijn grootheid bewonderen! En tenslotte dient het besef dat wij zo'n grote Priester hebben ons ook ertoe te brengen niet alleen met onze smeekbeden maar ook met onze aanbidding als priesters vrijmoedig tot God te naderen ('Daar ... wij een grote Priester over het huis van God hebben ... laten wij naderen', Hebr. 10:19-22).