Goddelijke waarheid en menselijke geleerdheid

(slot)

 

W.J. Ouweneel

 

In het vorige artikel van deze reeks wezen we op drie gevaren van systematische, onderscheidende, vergelijkende (zo men wil: 'theologische') bijbelstudie:

(a) het gevaar van de overschatting van de reikwijdte van het menselijk verstand bij de overweging van de dingen van God;

(b) het gevaar dat men systematisch geordende Schriftkennis bewust of onbewust hoger aanslaat dan de Schrift zelf;

(c) het gevaar dat men Schriftkennis als een doel, in plaats van als een middel gaat zien, namelijk een middel om tot geestelijke kennis van de inniger gemeenschap met God, met Christus, ja, tot aanbidding te komen. Op dit derde gevaar willen we nu nader ingaan.

Om dit gevaar goed te onderkennen is het het allerbeste dat we nagaan op welke wijze de Schrift zelf de waarheid van God 'aanbiedt'. Laten we ons daartoe eens verdiepen in drie van de meest verheven gedeelten in de brieven van Paulus, namelijk Kol. 1 : 9-23. Ef. 1 : 3-23 en Ef. 3: 14-21. We willen naar aanleiding van deze drie gedeelten laten zien hoe Paulus ons de waarheid van God meedeelt:

(a) in een geest van gebed en voorbede; dit betekent dat de gelovige de waarheid van God als het ware slechts 'op zijn knien' kan leren kennen en dat we in dat opzicht ook voor elkr kunnen bidden;

(b) in een geest van dankzegging en aanbidding; dit betekent dat de gelovige de waarheid van God pas werkelijk zijn deel kan noemen als hij naar aanleiding daarvan God heeft leren danken en aanbidden;

(c) in samenhang met praktische vermaningen; dit betekent dat de gelovige de waarheid van God pas werkelijk 'bezit' als die ook in zijn praktische leven tot uiting komt.

In alle drie de genoemde Schriftgedeelten komen deze aspecten duidelijk naar voren.

 

Kolosse 1

(a) Het genoemde gedeelte in Kol. 1 begint met gebed, en wel een gebed voor de Kolossers dat 'u vervuld mag worden met de kennis van zijn [Gods] wil, in alle wijsheid en inzicht' (vs. 9). De wil van God heeft in elke brief van Paulus weer een andere betekenis en inhoud. Hier gaat het erom, dat het Gods wil is dat de harten van de Kolossers vervuld zijn van de heerlijkheid en de waardigheid van zijn Zoon (vgl. vs. 10-22,27,28; 2 : 3, 9,10,19; 3 : 1,11,13,14,16,24). Het is waardevol 'Schriftkennis' te hebben omtrent de verschillende 'aspecten' van de heerlijkheden van de persoon, de ambten en het werk van Christus. Waar het evenwel echt om gaat is: die persoon zlf in ons hart om te dragen en te koesteren. Drop is het gebed van de apostel gericht, opdat de Zoon van de liefde van de Vader (vs. 13) ook het voorwerp van onze liefde zal zijn. Het is in dat verband ook goed erop te wijzen, dat Paulus dit gebed pas uitspreekt nadat hij eerst met dankzegging heeft vastgesteld dat bij de Kolossers de juiste geestelijke voorwaarden aanwezig waren om zo voor hen te kunnen bidden (vs. 3-8).

 

(b) We merken in dit gedeelte ook duidelijk, de dankzegging op (vs. 12), waarvan men rustig kan zeggen dat die zich in de volgende verzen ontplooit tot de ware geest van aanbidding. Paulus maakt hier duidelijk, dat een de Heer waardige wandel, een geestelijk vruchtdragen in alle goed werk en een opgroeien door de volle kennis van God zullen plaatsvinden in voortdurende dankzegging jegens de Vader. Deze heeft ons immers bekwaam gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht en ons overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. Deze voortdurende dankbaarheid is omdat we met zijn Zoon in verbinding gebracht zijn; als Paulus in Kol. 3: 15 ons dan ook vermaant dat de vrede van die Christus in onze harten zou heersen, dan sluit hij de cirkel weer met de oproep: en weest dankbaar'. Precies zo even verder: 'Laat het woord van Christus rijkelijk in u wonen ... En doet ... alles in [de] naam van [del Heer Jezus, terwijl u God [de] Vader door Hem dankt' (vs. 16,17). 'Schriftkennis' te hebben omtrent de Vader en de Zoon is waardevol; te wandelen evenwel in een voortdurende geest van dankzegging en aanbidding jegens Hen is waar het cht om gaat.

 

(c) We zien in dit gedeelte ook duidelijk, hoe de heerlijkste waarheden omtrent Christus en onze positie in Hem verbonden worden met de meest praktische vermaningen voor onze wandel. We zagen dat al in vs. 9-11, en we zien het vooral ook in vs. 23. Dit vers lijkt wel een bijna onaangenaam contrast na de verheven verzen 15 tot 22. Maar dit contrast is opzettelijk. Het gaat niet aan zich te verlustigen in de Heer Jezus, Eerstgeborene, Schepper en Hoofd van de eerste n van de tweede schepping, zich te verheugen in de verzoening die wij in en door Hem hebben, terwijl men tegelijkertijd niet gegrond en vast blijft staan in het geloof en zich door dwaalleer laat meeslepen. Het is n ding alle waarheden omtrent de Heer te kunnen onderscheiden; het is een ander ding de Heer waardig te wandelen. Het is n ding alle geloofswaarheden op een rijtje te kunnen zetten; het is een ander ding gegrond en vast te staan in het geloof.

 

Efeze 1

Ook hier kunnen wij gemakkelijk dezelfde drie punten opmerken:

(a) In het eerste deel van Ef. 1 spreekt de apostel over onze geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus, ons kindschap, zoonschap en erfgenaamschap, onze behoudenis en onze verzegeling. In het tweede deel (vanaf vs. 15) begint Paulus dan voor de Efezirs te bidden, dat zij volle kennis (vs. 17) zouden krijgen van de God die de heerlijke Oorsprong van al deze zegening is. Hij stelt net als bij de Kolossers vast, dat ook bij de Efezirs de juiste geestelijke voorwaarden aanwezig waren om voor hen te kunnen bidden. Vervolgens stelt hij God voor als de 'Vader der heerlijkheid' (vs. 17); niet alleen maar de heerlijke Vader, maar de bron en de belichaming van zijn heerlijkheid die in zijn raadsbesluiten voor ons vervat ligt. Het is n ding als we precies zouden kunnen onderscheiden waar de raadsbesluiten van God allemaal betrekking op hebben. Het is een ander ding dat de verlichte ogen van ons hart gericht zijn op de Vader der heerlijkheid Zelf, in de volle kennis van Hem. Het is n ding als we precies weten uit te leggen wat onze roeping en onze erfenis inhouden (vgl. vs. 18); het is een ander ding als we met de ogen van ons hart hebben leren zien dat het hier om zijn roeping, zijn erfenis gaat, d.w.z. dat Hij er de heerlijke bron van is.

 

(b) Dit hele gedeelte is geschreven in de geest van aanbidding. De apostel begint niet met uit te leggen wat onze zegening is, maar Hem te prijzen die de bron van onze zegening is. En passant wordt hier intussen ook heel wat verklaard omtrent onze zegening en positie, en daar kunnen we veel van leren. Als we maar niet vergeten dat de teneur van dit gedeelte is de God en Vader van onze Heer Jezus Christus te prijzen. Anders gezegd: wat zou het jammer zijn als we grondige 'studie' zouden maken van dit 'leerstellige' gedeelte en er nooit toe zouden komen God te prijzen naar aanleiding van wat Hij aan de zijnen geschonken en wat Hij van hen gemaakt heeft. Letten we er in dat verband ook op, hoe Paulus zijn betoog steeds onderbreekt met verwijzingen naar lofprijzing.

 

(c) Uiteraard worden ook aan de uitstalling van de zegeningen in Ef. 1 praktische vermaningen voor onze dagelijkse wandel verbonden. In vs. 17 en 18 ligt de indirecte vermaning opgesloten dat wij ook zlf moeten streven naar wat de apostel ons hier toebidt. Het moet ook ons igen verlangen zijn dat wij door de geest van wijsheid en openbaring de Vader der heerlijkheid beter zouden leren 'zien', dieper zouden indringen in de volle kennis van Hem. Nog duidelijker worden de vermaningen natuurlijk, als we bedenken dat het betoog van Paulus ononderbroken wordt voortgezet in Ef. 2 en 3, en dat heel hst. 4-6 n lange vermaning is om het onderwijs van hst. 1-3 nu ook in het praktische persoonlijke en gemeentelijke leven te verwerkelijken.

 

Efeze 3 :14-21

(a) Hoewel het woord 'bidden' hier niet voorkomt, is het toch duidelijk dat het hier om een gebed gaat. Paulus buigt zijn knien voor de Vader, biddend dat Deze ons moge sterken, en wel met drie doeleinden (vs. 17,18):

Het gaat er nu niet om te proberen de bijzonderheden van dit gebed uiteen te zetten. Het is thans voldoende in te zien wat de teneur van dit gebed is. In het gebed van Ef. 1 ging het erom de ogen van het hart te richten op de God die zulke heerlijke raadsbesluiten met betrekking tot ons opgevat heeft; in het gebed van Ef. 3 gaat het erom dat Hij die het middelpunt, de vervuller en het einddoel van deze raadsbesluiten is, in onze harten woont. Het is n ding precies te kunnen onderscheiden hoe rijk wij in Christus gezegend zijn. Het is een ander ding dat de persoon in Wie wij zo rijk gezegend zijn, Zelf in onze harten woont, ja, dat wij vervuld worden van zijn onmetelijke liefde, die alle kennis te boven gaat, ja, vervuld worden tot de hele volheid van God.

 

(b) Dit gedeelte, en daarmee heel deze eerste helft van de brief, eindigt met aanbidding: 'Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid. Amen' (vs. 21). Het is buitengewoon zegenrijk voor ons hart eens alle plaatsen te overdenken waar de apostelen een dergelijke lofprijzing uitspreken en daarbij na te gaan hoe deze lofprijzingen steeds in verband staan met bepaalde uiteenzettingen of gebeurtenissen (zie verder o.a. Rom. 11 : 36; 16 : 27; Gal. 1 : 5; Fil. 4 : 20; 1 Tim. 1 : 17; 6 : 16; 2 Tim. 4 : 18; 1 Petr. 4 : 11; 5 : 11; 2 Petr. 3 : 18; Jud. : 25; Openb. 1 : 6). Hier in Ef. 1 volgt deze lofprijzing wel op een van de meest verheven gedeelten uit de geschriften van Paulus. Wie zou niet bij de overdenking van dit gedeelte zelf tot aanbidding komen? De bijbelbesprekingen en conferenties die ik over dit gedeelte tot dusver heb meegemaakt, behoren tot de indrukwekkendste van mijn leven. Zulke besprekingen waren geen theologische studieconferenties, maar samenkomsten die uitliepen op werkelijke aanbidding, een stukje hemel op aarde.

 

(c) Des te treffender is het te zien, dat juist hier de praktische vermaningen direct op de verhevenste lofprijzing volgen. Natuurlijk houdt het gebed zelf ook al indirect een vermaning in. Net als in Ef. 1 moeten wij ook zelf streven naar wat Paulus ons toebidt, opdat Christus daadwerkelijk in onze harten woont, terwijl wij in de liefde geworteld en gegrond zijn. Maar nog treffender zijn de vermaningen die volgen, en die te maken hebben met de onderlinge relaties van de gelovigen, relaties die in de praktijk maar al te weinig op het niveau van het slot van Ef. 3 staan. Het is n ding een nauwkeurige uitleg van ons gedeelte te kunnen geven. Het is een ander ding ook praktisch in het licht van dit gedeelte te wandelen. Dan zullen wij niet blijven steken in leerstellige kennis alleen, maar daadwerkelijk iets mogen proeven van het vervuld worden tot de hele volheid van God. Er is op aarde n in de hemel niets groters dat een mens zou kunnen bereiken.