Goddelijke waarheid en menselijke geleerdheid

(3)

 

W.J. Ouweneel

 

Aan het slot van het vorige artikel in deze reeks kwamen we uit op de bekende paradox in de Schrift betreffende de raad van God enerzijds en de menselijke verantwoordelijkheid anderzijds. Het is niet onze bedoeling daar uitvoerig op in te gaan, te meer daar het nu juist zo uitkomt dat in het vorige nummer een artikelenreeks is afgesloten die zeer nauw op deze paradox betrekking had. Liever willen we nader ingaan op het centrale punt in deze huidige artikelenreeks, namelijk het gevaar van de overschatting van het menselijk verstand. We hebben gezien hoe de mens in zijn vermeende geleerdheid heeft geprobeerd het wezen van God en van de persoon van Christus uiteen te rafelen. Op dezelfde wijze heeft de mens steeds weer geprobeerd zich van de genoemde paradox te ontdoen. Sommige ('bevindelijke') kringen leggen zoveel nadruk op de uitverkiezing en de wedergeboorte dat daarmee de menselijke verantwoordelijkheid om zich te bekeren helemaal ondersneeuwt. Andere ('evangelische') kringen echter leggen op de verantwoordelijkheid zoveel nadruk dat zij de uitverkiezing helemaal wegredeneren en aan de soevereiniteit van God eigenlijk geen plaats laten.

Vraagt u maar eens wat het eerst is: de bekering of de wedergeboorte. De bevindelijken antwoorden: de wedergeboorte (want zonder het werk van God in de ziel kan een mens zich niet bekeren). De evangelischen antwoorden: de bekering (want pas als een mens zich bekeert, schenkt God hem het nieuwe leven). Beide partijen presenteren dus een mening die zij onderbouwen met een 'logisch' antwoord, zoals het 'want' aangeeft. En toch deugt de logica van geen van beide partijen. Bekering en wedergeboorte zijn twee kanten van dezelfde medaille, die wij niet met ons logisch verstand kunnen uiteenrafelen. Dát te erkennen is pas de ware wijsheid. Had de menselijke (theologische) geleerdheid wat dat betreft maar vaker naar David geluisterd: 'Here, mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots; ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn' (Ps. 131 : 1). En: 'Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij' (Ps. 139 : 6).

Nu moeten wij op dit punt echter geen fout maken, en dat is het kind met het badwater weg te gooien. De mens heeft zich in de dingen van God vaak door zijn hovaardige logica laten meeslepen, maar daarmee is niet gezegd dat álle werkingen van het verstand alleen maar verkeerd zijn. Het denkvermogen is een van de grootste gaven die God aan de mens geschonken heeft, en vormt een van de belangrijkste geestelijke verschillen met het dier. Wij zien dit al onmiddellijk in de wijze waarop Adam namen aan de dieren geeft, namen waarin het wezen van elk dier uitgedrukt lag. Door de zondeval is dit verstand verduisterd geworden (Ef. 4 : 18); maar een verduisterd verstand is niet hetzelfde als een verdwenen verstand. Nog steeds kent de mensheid Godvijandige ongelovigen die niettemin over een enorm verstand beschikken. Dit grote verstand is echter tegelijk een duister verstand; het wordt beheerst door de duisternis van de zonde. Hetzelfde woord voor 'verstand' (dianoia) vinden we in Luk. 1 : 51 ('overlegging'), waar sprake is van de zondige hoogmoed, en in Kol. 1 :21 ('gezind'), waar sprake is van de vijandschap tegenover God.

Hetzelfde woord vinden we echter ook voor de gelovige. De nieuwe mens is niet verduisterd, hoogmoedig of vijandig, maar bij hem is het verstand verlicht door de Heilige Geest, in ware nederigheid en gehoorzaamheid. Zie het woord 'verstand' in Matth. 22 : 37 (+ par.); Hebr. 8 : 10; 10 : 16; 1 Petr. 1 : 13: 1 joh. 5 : 20. De gelovige ontvangt bij zijn bekering niet aan ander denkvermogen, ook de regels van de logica zijn voor hem niet veranderd, maar hij heeft een ander hart ontvangen, dat voortaan, in de kracht van de Heilige Geest, zijn denken moet en wil besturen. Wordt zijn denken door het vlees geleid, dan zal het zich in overmoed vergrijpen aan de ark (vgl. 1 Sam. 6 : 19) - zoals de theologie deed ten aanzien van de persoon van Christus - maar laat het zich leiden door de Geest, dan zal het in onderwerping aan Gods Woord en in nederigheid de heilige tweeduizend ellen tussen zichzelf en de ark in acht nemen (Joz. 3 : 4).

We noemden al het zelfstandig naamwoord 'denken', dat we meermalen in de Telosvertaling aantreffen. Het is het Griekse woord nous, dat soms ook door 'verstand' vertaald is. Deze nous is allereerst het 'denkvermogen', d.i. het vermogen om voorstellingen in de geest op elkaar te laten volgen, met elkaar te vergelijken, om vragen op te lossen, tot nader inzicht in kwesties te komen die ons bezighouden. Zowel de gelovige als de ongelovige beschikt over deze nous. Maar bij de ongelovige wordt de nous beheerst door de zonde: bij de heidenen is sprake van een 'verkeerd' denken (gedachtenleven) (Rom. 1 : 28), een 'vruchteloos' denken (Ef. 4: 17) - hoe knap ook, het leidt tot niets dat eeuwigheidswaarde heeft; een 'opgeblazen' (zelfingenomen), vleselijk denken (Kol. 2: 18), een ver- of 'bedorven' denken (1 Tim. 6: 5; 2 Tim. 3: 8) en een 'besmet' verstand (Tit. 1 : 15).

Bij de gelovige daarentegen is dit denkvermogen onder het beslag gekomen van het nieuwe leven en van de Heilige Geest. In Luk. 24 : 45 'opent' de Heer het 'verstand' van de discipelen, d.w.z. Hij scherpt hun denkvermogen aan en schenkt hun dieper inzicht. In Openb. 13 : 18 wordt gezegd dat wie 'verstand' heeft (wie [geestelijk-] 'intelligent' is), het getal van het beest maar moet berekenen. In Fil. 4 : 7 gaat de vrede van God alle 'verstand', d.i. alle menselijke denken en denkvermogen te boven. In 1 Kor. 14 : 14,15,19 is het 'verstand' het 'gezonde' (praktische, nuchtere) verstand van de geestelijke mens. In 2 Thess. 2 : 2 werden de gelovigen geschokt in hun 'denken', hun gedachtenleven. In ruimere zin betekent 'het denken' in Rom. 7 : 23 heel de innerlijke mens (vgl. vs. 22 en 14 : 5, waar nous ook ongeveer 'innerlijk' betekent). In Rom. 12 : 2 is sprake van de vernieuwing van de nous: heel de innerlijke gedachtenwereld van de wedergeboren mens moet door de Heilige Geest totaal worden omgevormd (vgl. Ef. 4: 23). Dan zullen gelovigen ook 'één van denken' zijn (1 Kor. 1 : 10), ja, zij hebben het 'denken' (de denkwijzen en de gedachteninhouden) van Christus (1 Kor. 2 : 16).

 

Samenvattend: niet denken als zodanig is verkeerd, maar het gaat erom of het denken door het vlees of door de Geest gestuurd wordt. Ook in de dingen van God heeft het denken een plaats,- maar dan niet het vleselijk denken, maar het door de Heilige Geest verlichte denken, zoals de daarnet aangehaalde Schriftplaatsen duidelijk maken. Dit denken streeft naar 'inzicht' in de dingen van God, 'vergelijkt' ze, maakt daarin 'onderscheidingen', probeert 'vragen' die naar aanleiding daarvan opkomen, 'op te lossen', enzovoort. Als men geestelijke mensen die zich systematisch en beroepshalve, in nederige onderworpenheid aan Gods Woord en Geest, op deze denkarbeid toeleggen, 'bijbelgetrouwe theologen' wil noemen, is dat ons best. Het probleem is echter, dat bij beroepsmatige 'theologen' deze nederigheid dikwijls ver te zoeken is geweest, zoals we gezien hebben. Oók zogenaamd 'bijbelgetrouwe' theologen hebben zich dikwijls misgaan aan een ongebreidelde overschatting van het eigen verstand en van het vermogen de hele waarheid van God 'in kaart te brengen’.

Maar daarmee is niet alle 'systematische onderscheiding' die men in de dingen van God probeert aan te brengen, om daardoor dieper inzicht in de waarheid van God te verwerven, veroordeeld. Neem nu de recente artikelen van br. J.G. Fijnvandraat over de betekenis van het werk van Christus. In zijn slotartikel bood hij een nuttig overzicht van vier verschillende opvattingen: de alverzoening, de algemene verzoening, de algemene voldoening en de particuliere voldoening. Dat zijn uitdrukkingen die we geen van alle in de Schrift terugvinden; ze zijn de vrucht van theologische arbeid. Maar ze zijn wel zeer verhelderend! Ze geven precies aan waar het om gaat. Theologen hebben, systematisch studerend, vergelijkend, onderscheidend, deze vier opvattingen geformuleerd. Door deze vier uitdrukkingen en de uitleg ervan komen de verschillende opvattingen opeens duidelijk op een rij te staan. We krijgen overzicht, helderheid. Daardoor wordt het ons gemakkelijker voor onszelf te onderzoeken welke van deze opvattingen het dichtst bij de Schrift ligt.

Dikwijls trekken we onbewust allerlei conclusies die niet door de Schrift gedekt worden; of we hangen onbewust een bepaalde visie aan zonder de consequenties ervan te overzien. We onderscheiden dan niet voldoende. Zodra we - in een geestelijke, nederige gezindheid en zorgvuldig luisterend naar de Schrift - wél systematisch gaan bestuderen, onderscheiden, vergelijken, leren we onze eigen gedachten over de Schrift uitzuiveren en afwijkende opvattingen scherper veroordelen. Dat is wat br. Fijnvandraat in genoemde artikelen deed: hij concludeerde dat ook 'onder ons' al te gemakkelijk 'logische' conclusies worden getrokken die niet noodzakelijk schriftuurlijke conclusies zijn. De meest opmerkelijke conclusie van zijn eigen onderzoek was wel, dat niet alleen de eerste twee, maar ook de laatste twee van de vier genoemde opvattingen grote bezwaren hebben, en dat we ons er wellicht mee tevreden moeten stellen helemaal geen keus tussen de leer van de algemene en die van de particuliere voldoening te (kunnen) maken.

Dat is nu een prachtige illustratie van wat we bedoelen: er is ruimte voor een denkend bestuderen, vergelijken en onderscheiden van de dingen van God (wie dat wil, mag dat wat ons betreft 'theologie' noemen, mits het maar geestelijk, in diepe nederigheid en in gehoorzaamheid aan de Schrift gebeurt); maar tegelijk is daar een duidelijke grens aan gesteld. Gods gedachten zijn nu eenmaal verre verheven boven onze gedachten (Jes. 55 : 8,9). Of het nu de leer van de alverzoening of die van de algemene verzoening, de leer van de algemene of die van de particuliere voldoening is, in al deze gevallen gaat het om leringen die gebaseerd zijn, niet alleen op luisteren naar de Schrift, maar op een verregaand conclusies trekken uit de Schrift, waarbij men zomaar met andere Schriftgegevens in botsing komt, zonder dit te (willen) zien.

Naast dit ene gevaar van de theologie en trouwens van élk Schriftonderzoek - de overschatting van het verstand, met alle consequenties van dien - is er echter nog een tweede gevaar. En dat is dat men gesystematiseerde Schriftkennis hoger gaat aanslaan dan de Schrift zelf. Systematische, onderscheidende kennis van de Schrift is van veel nut; dat blijkt wel uit het feit dat ook 'onder ons’ boeken verschijnen over 'de Gemeente', over 'de toekomst', over 'doop' of 'avondmaal' enz., terwijl de Schrift nooit systematische studies over zulke onderwerpen verschaft. Zulke studies zijn dan ook de vrucht van de persoonlijke, systematische, onderscheidende studie door de betrokken schrijvers. Het blijkt dat zulke studies erg nuttig zijn om andere gelovigen te helpen meer geestelijk inzicht in de betrokken onderwerpen te verkrijgen. Maar tegelijk steekt er in zulke studies een gevaar. Dat gevaar is, zoals gezegd, dat men onbewust zulke systematische studies hoger gaat aanslaan dan de Schrift zelf. De Bijbel is immers zo 'moeilijk', zo 'ingewikkeld', maar de genoemde boeken zijn veel 'gemakkelijker', 'overzichtelijker'. Men vraagt zich af waarom de Bijbel zelf de onderhavige 'stof' ook niet zoveel gemakkelijker en overzichtelijker heeft aangeboden!

Onbewust ontstaat de gedachte, dat de waarheid in de Bijbel toch op een tamelijk chaotische manier wordt weergegeven, terwijl er gelukkig 'leraars' zijn (al of niet theologisch gevormd) die de waarheid keurig voor ons ordenen, op een rijtje zetten. In de theologie heeft altijd het gevaar bestaan dat men dogmatische handboeken op een hoger niveau van 'orde' plaatste dan de Schrift zelf, soms zelfs met het argument dat de bijbelschrijvers veelal eenvoudige mensen waren. Gelukkig dat er theologen zijn die de ongeordende gedachten van deze ongeletterden voor ons in een systeem gerangschikt hebben, zou men dan kunnen denken! De oorzaak van deze onbewuste voorstellingen ligt weer in de grenzeloze overschatting van het (onderscheidende, ordenende) verstand.

De werkelijke verhouding is uiteraard precies omgekeerd. In de Schrift wordt de waarheid ons op een oneindig veel hoger 'niveau' aangeboden - zij is van een oneindig veel hogere 'orde' - dan in welk dogmatisch handboek of welk studieboek dan ook. Daarom ben ik ervan overtuigd, dat het veel meer nut, zegen en inzicht geeft een goede beschouwing over de Eerste Korinthebrief of de Efezebrief te lezen, dan een goede beschouwing over 'de Gemeente'. Beter een boek over Jesaja, Daniël of de Openbaring, dan over 'de toekomst'. Het is niet 'verkeerd' boeken over de Gemeente of de toekomst te lezen - ik heb ze zelf ook geschreven - maar er is een 'hogere weg’, en dat is de directe studie van de Schrift, boek voor boek, vers voor vers, woord voor woord. Zó heeft God ons de waarheid immers geschonken, en niet anders. Zó blijven we het beste bewaard voor eigen gedachten en conclusies. Elk boek over de Gemeente of de toekomst, hoe voortreffelijk ook, draagt het nadrukkelijke stempel van de auteur: hij heeft de behandelde Schriftgedeelten uitgekozen, hij heeft ze in een bepaalde volgorde geplaatst, hij is verantwoordelijk voor de indeling, de ‘systematiek' van zijn onderwerp. Dat is niet verwerpelijk. Maar een studie over een Bijbelboek draagt dit stempel véél minder, want daar is het de Heilige Geest die de volgorde en samenhang van de behandelde Schriftgedeelten al van tevoren heeft vastgelegd.

En dan is er nog een derde gevaar van alle systematische, vergelijkende, onderscheidende studies (zo men wil 'theologische' studies, maar we doelen net zo goed op bijbelstudies die 'onder ons' verschijnen). En dat is, dat men de daardoor geboden Schriftkennis als een doel op zichzelf gaat beschouwen. Schriftkennis is geen doel op zichzelf, maar een middel om tot geestelijke kennis van een inniger gemeenschap met God, met Christus, ja, tot aanbidding te komen. Daarover hopen we het nader te hebben in het vierde en laatste artikel in deze serie.