CHRISTUS' GROOTHEID ALS HEILAND

 

H. BOUTER JR.

 

Dit is het derde deel van een serie over de grootheid van de Persoon van Christus als Koning, Profeet, Heiland, Hogepriester en Herder

 

'Onze grote God en Heiland, Jezus Christus'

Tit. 2: 13

 

Het was in het Oude Testament een bekende waarheid dat God de Heiland was van zijn volk Isral. Hij was de Bron van heil, van verlossing voor zijn volk dat al zijn vertrouwen moest leren stellen op het heil des Heren. Zo zien wij reeds bij de uittocht uit Egypte hoe God zijn heil, zijn redding aan het licht brengt (Ex. 14:13). En gedurende de hele geschiedenis van Gods uitverkoren volk zien wij deze zorgende en heilbrengende liefde van God, die Isral telkens weer redde uit de hand van zijn vijanden. Met name in het boek Jesaja wordt God betiteld als de Heiland van zijn volk. Het heil dat Hij aanbrengt, is niet alleen in aardse zin te verstaan als de bevrijding van vijandige overheersers. God is ook de Verlosser van nog grtere vijandige machten die de mens bedreigen, namelijk die van zonde, dood en Satan. Hij verlost zijn volk van al hun onreinheden (Ezech. 36: 29). Hij opent voor hen de bronnen des heils en bekleedt hen met de klederen des heils (Jes. 12 : 3; 61 : 10). Het is duidelijk dat het heil hier een diepere, geestelijke zin heeft en verder gaat dan een tijdelijke bevrijding.

 

Het Nieuwe Testament sluit hierop aan, zoals reeds blijkt uit de uitlegging die de evangelist Matthes geeft van de naam Jezus: 'U zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk behouden van hun zonden' (Matth. 1 : 21). De naam Jezus betekent: 'Jahweh is heil', of 'Jahweh is verlossing'. En de evangelist legt hier een duidelijk verband tussen de betekenis van deze naam en de redding van Gods volk van hun zonden. Hij is de beloofde Heiland, die geboren is in de stad van David (Luk. 2:11). De profeet Zacharia had reeds gesproken over zijn komst: 'Ziet, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland' (Zach. 9:9 Statenvert.). Maar er is meer: Hij is niet alleen de Heiland van Isral, maar de Heiland van de wereld (zoals de Samaritanen erkennen in Joh. 4:42). Het heil is wel uit de joden, maar het bleef na de verwerping van de Messias door zijn eigen volk niet beperkt tot de joden. Het strekt zich uit tot joden n heidenen. Er is geen onderscheid meer, want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God. maar voor allen is er ook verlossing bereid door het verzoeningswerk van Christus, die nu de genadetroon is tot Wie mensen hun toevlucht mogen nemen (Rom. 3:23-25). De behoudenis, het heil, de verlossing is uitsluitend in Hem te vinden, 'want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden' (Hand. 4:12; vgl. 5:31 en 13:23).

 

In Tit. 2:13,14 spreekt de apostel over de verwachting van de wederkomst van Christus, maar hij denkt dan tegelijk ook terug aan zijn komst in vernedering hier op aarde. Christenen leven 'in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken'. Christus zal wederkomen. Maar Wie is Hij voor ons? Hij is onze Heiland, die Zichzelf voor ons heeft overgegeven - en bij het kruis zien wij hoever die overgave reikte - om ons te verlossen van onze zonden. In Hem hebben wij de verlossing, de reiniging van onze zonden en de bevrijding van de macht van de zonde. In Hem is Gods genade heilbrengend verschenen (Tit. 2:11). Met recht kunnen wij zeggen dat Hij onze Heiland, onze Verlosser is. Wij weten dat uit eigen ervaring als wij de toevlucht tot Hem hebben genomen met onze zondelast.

 

Maar Christus is ook n nog werkzaam als onze Heiland, als onze Behouder. Daarmee bedoel ik uiteraard niet dat zijn verlossingswerk niet compleet zou zijn. Christus' offer is volkomen toereikend en er behoeft niets meer aan toegevoegd te worden. Hij is eens voor altijd voor ons gestorven en heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht (Hebr. 9:12; 10:10-18). Ik bedoel ermee dat wij een machtige Heiland hebben die nimmer de zijnen vergeet, die altijd aan ons denkt om voor ons tussenbeide te treden en ons tot het einde toe te behouden. Daarom wordt Christus ook de Behouder, de Heiland van het lichaam, d.i. de Gemeente, genoemd (Ef. 5:23). Hij zorgt voor allen die Hem toebehoren en tot leden van zijn lichaam zijn gemaakt. De Gemeente is het bijzondere voorwerp van zijn liefde en Hij voorziet haar van al het nodige. In meer algemene zin vinden wij deze onderhoudende zorg ook genoemd in 1 Tim. 4: 10 ('God is een Onderhouder' - lett. een Heiland van alle mensen, het meest van de gelovigen').

 

Christus is echter ook in een toekmstig opzicht onze Heiland. Hoewel wij nieuwe schepselen geworden zijn in Hem, leven wij nog temidden van de eerste schepping die onderworpen is aan de gevolgen van de val van Adam. De hele schepping zucht onder de vloek van de vergankelijkheid en ook Gods kinderen zuchten bij zichzelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van het lichaam (Rom. 8: 23). Daartoe zal Christus als Verlosser, als Heiland verschijnen: 'Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen' (Fil. 3:20,21). Bij de wederkomst van de Heer zullen wij ook in lichamelijk opzicht zijn opstandingskracht ondervinden (vgl. 1 Kor. 15:51-55; 1 Thess. 4:15-18). Wij hebben al ons heil aan Hem te danken, de volledige behoudenis naar ziel, geest en lichaam. Hoe groot is Hij als onze Heiland!

 

Wanneer wij zo nadenken over de verschillende aspecten waarin wij Christus als Heiland mogen kennen, dan valt ook op dat Hij in Titus 2 onze Heiland wordt genoemd. Het is ongetwijfeld van groot belang dat ik Hem ken als mijn Heiland, mijn persoonlijke Verlosser en Zaligmaker. Toch vinden wij deze benaming slechts nmaal in het Nieuwe Testament, en wel in de lofzang van Maria ('Mijn geest verheugt zich over God, mijn Heiland', Luk. 1:47). Veel gebruikelijker is dat God of Christus omschreven wordt als nze Heiland, en dit wijst erop dat wij als verlosten niet alleen staan maar verbonden zijn met alle anderen die het heil deelachtig geworden zijn. Bovendien wordt Christus hier onze grote God en Heiland genoemd. Wij hebben al enkele facetten van zijn grootheid als Heiland gezien, maar de Schrift vermeldt hier uitdrukkelijk dt Hij groot is. Dit wordt bevestigd door de woorden 'God en Heiland', die erop volgen. Dit vers in de Brief aan Titus is een van de vele Schriftbewijzen voor de Godheid van Christus. Wij hoeven niet te twijfelen aan zijn grootheid, want Hij is God Zlf, te prijzen tot in eeuwigheid (Rom. 9:5). In 2 Petr. 1:1 vinden we de bijna identieke uitdrukking 'onze God en Heiland Jezus Christus'; in deze Brief wordt Hij ook tweemaal betiteld als onze 'Heer en Heiland' (3:2,18). Christus is God de Zoon, de Schepper van alle dingen. Hij is het eeuwige Woord, dat niet alleen bij God was maar Zelf ook God was en dat alle dingen in het aanzijn heeft geroepen (Joh. 1:1-3; Kol. 1:15-17; Hebr. 1:1,2). Hij is vlees geworden. Hij is geopenbaard in het vlees en als zodanig woont de hele volheid van de Godheid in Hem lichamelijk (Joh. 1:14; 1 Tim. 3:16; Kol. 1:19; 2:9). Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven (1 Joh. 5:20). Hij is God en Mens in n Persoon. Hij was in de gestalte van God en hoefde het geen roof te achten God gelijk te zijn, maar Hij is aan ons gelijk geworden (met uitzondering van de zonde) en heeft aan bloed en vlees deelgenomen (Fil. 2:6,7; Hebr. 2:14). Hoe groot is Hij, die hier onze God n Heiland wordt genoemd. Ja, Hij is God Zelf en Hij is Mens geworden om onze Heiland te kunnen zijn!

 

Niet alleen het Nieuwe Testament getuigt van de Godheid van Christus, ook het Oude Testament spreekt daarvan (zie o.a. Jes. 9:5; Mi. 5:l). De Messias is niemand minder dan Jahweh Zelf. De woorden 'God en Heiland' horen bij elkaar. Het is een treffende combinatie die wij ook reeds in het Oude Testament aantreffen (Ps. 106: 21; Jes. 43:3; 45:15,21; Hos. 13:4). De Here is een groot God en er is geen Heiland, geen Verlosser buiten Hem. Deze verlossende God ontmoeten wij in het Nieuwe Testament in de Persoon van onze Here Jezus Christus. Exact dezelfde bewoordingen worden op Hm toegepast. Hij is 'onze grote God en Heiland, Jezus Christus' (Tit. 2:13). Hij is de nederige Mens Jezus, die tegelijkertijd de Christus is, d.i. Gods Gezalfde. God heeft Hem tot Heer en tot Christus gemaakt (Hand. 2:36). Hij is Degene in Wie God al zijn plannen ten uitvoer brengt, de gezalfde Koning die Gods raad volvoert.

 

In dit verband moeten we ook wijzen op de uitdrukking 'God, onze Heiland' (of: 'onze Heiland-God'), die zeer kenmerkend is voor de Brief aan Titus en de eerste Brief aan Timothes (1 Tim. 1:1; 2:3; Tit. 1:3; 2:10; 3:4). Dit is een veelzeggende benaming, die ons laat zien in welke bijzondere hoedanigheid God nu tot de mensen staat. In het Oude Testament had Hij Zich reeds als Schepper en als Rechter geopenbaard, en bovendien als Israls Wetgever. De huidige bedeling draagt echter een heel ander karakter. Wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade (Rom. 6:14). Het is nu de tijd van de genade, de dag van het heil (2 Kor. 6:1,2). God heeft Zich in Christus geopenbaard als onze Heiland, en in dit karakter strekt Hij zijn handen niet alleen uit tot Isral maar ook tot de volken. God, onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen (1 Tim. 2:4). Wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon heeft gezonden als Heiland van de wereld (1 Joh. 4:14). De mens heeft bewezen wie hij is in al zijn verdorvenheid, zowel zonder de wet als onder de wet. Wij zijn onverbeterlijke zondaren, en er is in dit opzicht ook geen onderscheid meer tussen joden en heidenen. Toch heeft God Zich in Christus als onze Heiland kunnen betonen, en wel op grond van het verlossingswerk van Christus en zijn opstanding uit de doden. Door het kruis en de opstanding heeft God zijn heil aan het licht gebracht. In Christus heeft Hij ons tot nieuwe schepselen gemaakt, en dat is het grote heil dat Hij nu aan alle mensen aanbiedt zolang de genadetijd voortduurt. Er is niet alleen vergeving van zonden voor ons bereid, maar ook een totale innerlijke vernieuwing, een nieuwe geboorte voor mensen met een verdorven natuur, een levendmaking van dode zondaren, verlossing uit de macht van de zonde en de dood, herstel van de betrekking met God. Wie zou op dit grote heil geen acht geven (Hebr. 2:3)?

 

Het is ook opmerkelijk dat in de Brief aan Titus zowl God als Christus afwisselend onze Heiland worden genoemd. Dat gebeurt hier in elk hoofdstuk: 'God, onze Heiland', 'Christus Jezus, onze Heiland' (1 :3,4): 'God, onze Heiland', 'Jezus Christus, onze Heiland' (3: 4,6). Hieruit blijkt opnieuw dat Christus n is met de Vader. Het is alleen in Hem dat God Zichzelf als Heiland heeft geopenbaard en in dit karakter tot de mensen is gekomen. God heeft Zich diep tot de mens neergebogen om hem te kunnen verlossen. Onze grote God en Heiland, Jezus Christus, heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou verlossen van alle wetteloosheid en opdat wij voortaan Hem ten eigendom zouden zijn. En bij zijn wederkomst zal Hij ons het volle heil schenken dat wij dan ongestoord zullen kunnen genieten. Z mogen wij naar Hem uitzien (Tit. 2:13,14).

 

O, welk een Heiland zijt Gij, Heer;
in 't zondaarshart daalt ruste neer,
die niemand kan doorgronden.