Goddelijke waarheid en menselijke geleerdheid

(2)

 

W.J. Ouweneel

 

In het vorige artikel hebben we gezien hoe de 'theologie' binnen de christelijke kerk is ontstaan en wat haar positieve en negatieve uitwerkingen binnen de jonge christenheid zijn geweest. We hebben gezien, hoe de kerkvaders eerst de Grieks-wijsgerige denktrant, en later ook Grieks-wijsgerige denkbeelden in hun theologie overnamen. Uit dit gemengd heidens-christelijke denken van de kerkvaders heeft zich in de middeleeuwen de zg. scholastiek ontwikkeld (ca. 800 - 1500). Dit middeleeuwse denken heet zo, omdat het ontstaan is aan de scholen die verbonden waren aan hoven, domkerken en kloosters. De scholastiek is één grote mengeling van christelijk geloof en heidense filosofie. Vaak werd zowel dit heidendom als het christelijk geloof verdraaid, om deze 'synthese' mogelijk te maken. Het scholastische denken, dat vooral zijn vorm gekregen heeft door Thomas van Aquino (13e eeuw), splitste de werkelijkheid op in twee delen: de lagere wereld van de 'natuur' (het zichtbare, aardse, stoffelijke, dagelijkse leven) en de hogere wereld van de 'genade' (het onzichtbare, hemelse, geestelijke, kerkelijke leven). In deze laatste wereld had de Schrift het voor het zeggen, maar in het dagelijks leven was de mens op 'neutraal' terrein: het terrein van het natuurlijk verstand, van het 'objectieve' denken (wijsbegeerte, wetenschap).

De doorwerking van de scholastiek is enorm geweest, niet alleen in de middeleeuwen, maar tot in onze tijd. De leer van Thomas werd in 1870 tot de officiële filosofie van de Roomse kerk verklaard! Maar na de Reformatie drong de scholastiek ook al spoedig het protestantisme binnen, en ook in ons eigen denken zijn er vele sporen van aan te wijzen. Kennen we immers niet veel gelovigen voor wie de Schrift eigenlijk alleen maar het Boek voor het 'geestelijk' leven is, verheven boven het 'natuurlijke' leven van werken, trouwen, kinderen grootbrengen en andere 'wereldse' zorgen? Is dat niet de reden waarom veel gelovigen die graag 'geestelijk' willen zijn, geen raad weten met de seksualiteit? Zijn er niet veel gelovigen die menen dat zij op het 'natuurlijk' terrein van de dagelijkse arbeid zich in een soort 'neutraal' gebied bevinden waar zij op dezelfde wijze van hun 'natuurlijk' verstand gebruik maken als ongelovigen, terwijl zij zich in hun 'geestelijk' leven van hun 'verlicht' verstand bedienen? Zijn dit niet de gelovigen die werkelijk menen dat er zoiets kan bestaan als ‘neutrale' kennis of 'neutrale' wetenschap alsof niet alle kennen (inclusief bijv. de beroepskennis!) beheerst wordt óf door de oude óf door de nieuwe mens, óf door het vlees óf door de Geest.

Door uit te gaan van de 'neutraliteit' van de kennis van de Grieken (die in werkelijkheid een door het natuurlijke, boze hart van de Grieken beheerste kennis was!) konden de scholastici de Griekse denkbeelden zonder bezwaar overnemen en met hun bijbelse gedachten vermengen. Ongeveer op dezelfde wijze waarop veel gelovige ouders thuis aan hun kinderen de Schrift onderwijzen, terwijl diezelfde kinderen zonder bezwaar op school alle wereldse kennis mogen opnemen, zolang het maar een 'fatsoenlijke' school is en de schoolkennis niet al te opvallend met de Schrift in tegenspraak is. Zo wordt de kinderen weliswaar geleerd de 'wereld' te mijden, maar wordt hun verder geleerd in twee sferen te leven: de sfeer van het natuurlijke (alledaagse) leven 'in de wereld' én de sfeer van het gezin en de samenkomsten, zonder dat de kinderen ooit leren beseffen dat het christenleven één is, altijd dat van de nieuwe mens is of behoort te zijn, altijd onder het gezag van de Schrift en onder de leiding van de Heilige Geest behoort te staan.

 

De Reformatie van de 16e eeuw betekende een breuk met de scholastiek en een terugkeer naar de Schrift. Sola Scriptura - 'alleen de Schrift'. Géén neutraal terrein van het natuurlijke, alledaagse leven, géén neutrale kennis en wetenschap, géén neutraal natuurlijk verstand. Luther sprak in verband met dat hooggeprezen natuurlijke verstand zelfs van een 'hoer', die de mensen op gevaarlijke wijze verleidt. De Schrift heeft gezag over héél het leven van de mens, inclusief het terrein van het denken - of het nu het denken in het dagelijks leven, of het denken ten aanzien van de Goddelijke dingen betreft. In dat opzicht hebben Luther en Calvijn een fris, bijbels geluid laten horen. Maar hoe gauw verstomde dat geluid alweer! Hadden Luther en Calvijn de scholastiek er via de voordeur uitgewerkt, hun medewerkers en opvolgers haalden deze er via de achterdeur weer in. Dit deed Luthers scherpzinnige medewerker Philippus Melanchton aan de protestantse universiteiten, die na de Reformatie in Duitsland werden opgericht. Hetzelfde deed Calvijns opvolger Theodorus Beza in Genève, die in navolging van Melanchton de theologie onderwierp aan de Griekse filosofie (met name die van Aristoteles). Walter Kickel zegt (volgens drs. Keizer; zie vorige artikel) in zijn boek over Beza, dat volgens Beza het 'theologisch dogma' het resultaat is van een logisch noodzakelijke afleiding uit Schriftuitspraken en de aldus verkregen leeruitspraken zijn geheel gelijkwaardig aan de Schrift zelf. Het theologisch dogma en de Schrift worden derhalve aan elkaar gelijkgesteld.

 

Deze gelijkstelling van de Schrift en van (theo)logische conclusies uit de Schrift is volstrekt verwerpelijk. Deze typisch scholastische gelijkstelling was er al eeuwenlang oorzaak van geweest dat allerlei scholastische theologische leringen de Schrift verdrongen hadden. Daartoe was de Schrift van oudsher beschouwd alsof zijzelf een soort theologisch systeem was, waar vervolgens met behulp van de Aristotelische logica (= de logica van Aristoteles) nieuwe theologische stellingen uit afgeleid konden worden, die dan noodzakelijk hetzelfde gezag en dezelfde status hadden als de Schrift zelf. Een treffend voorbeeld daarvan zien we in de calvinistische predestinatieleer. Calvijn had nog werkelijk geprobeerd zo zuiver mogelijk de Schrift na te spreken, al was ook hij daarbij al duidelijk ontspoord. Maar Beza maakte het veel bonter. Hij heeft geprobeerd de leer van Calvijn in een strikt wetenschappelijk systeem onder te brengen, en dat nog wel volgens de wetenschapsopvatting van de heiden Aristoteles. Beza beweerde, dat de grootste ontdekking van de Reformatie de herontdekking van de 'ware en onvervalste Aristotelische logica' was! Men wrijft zich de ogen uit. Net als Melanchton was Beza van mening, dat de waarde van de Aristotelische logica voor de theologie is, dat met behulp van die logica de juistheid van theologische stellingen kan worden bewezen. Het denken van Luther en Calvijn draaide om de vraag naar de zekerheid van het geloof; het denken van Melanchton en Beza draaide om de vraag naar de logische zekerheid van de theologie. Voor Luther en Calvijn is iets waar omdat het geloof er zekerheid van heeft op grond van de Schrift, onder leiding van de Heilige Geest; voor Melanchton en Beza is iets waar omdat de theologie het met logische zekerheid heeft vastgesteld. Melanchton stelde de zekerheid van Schriftuitspraken gelijk aan de in de wetenschap hoogst bereikbare zekerheid: die van de wiskundige axioma's!

 

Ook in de Nederlandse reformatorische theologie drong de scholastiek al spoedig binnen. De vermaardste Nederlandse theoloog in de 17e eeuw, Gisbertus Voetius, noemde Aristoteles zonder blikken of blozen 'onze wijsgeer', d.w.z. onze leidsman op het gebied van het verstandelijk denken. Aldus is de Reformatie er niet in geslaagd af te rekenen met het geloof in de betrouwbaarheid van het natuurlijk menselijk verstand, op wat voor terrein dan ook. Daardoor konden de protestanten in de 17e en 18e eeuw alle ruimte geven aan de met grote kracht opkomende humanistische denksystemen. Voor de studerende jeugd werd de Bijbel onvermijdelijk het boek voor het 'godsdienstige' leven, voor de huiselijke godsdienstoefening en de kerkdienst; maar voor hun universitaire studie had de Bijbel geen enkele betekenis. Wetenschap is een neutrale zaak van het natuurlijk verstand, daar heeft de Schrift niets mee te maken. Maar ook de theologie behoorde tot datzelfde terrein van de wetenschap! Zij bestudeerde wel de Schrift, maar zij deed dit volgens de methoden van het heidense denken.

 

Zo herhaalde zich in de 17e eeuw in de kerken van de Reformatie wat in de eerste eeuwen van onze jaartelling bij de kerkvaders was gebeurd. Dezen waren bij hun studie over de Schrift steeds meer in de greep van het Grieks-heidense denken gekomen. Uit deze mengeling was de scholastiek ontstaan. En nu was ook in het protestantisme de studie van de Schrift in de greep van de scholastiek gekomen! In het geval van de kerkvaders hebben we het voorbeeld genoemd van enkele van de allermoeilijkste schriftuurlijke 'waarheden', namelijk die van de drieëenheid van God en die van de twee naturen van Christus. Het gaat hier om mysteries die voor schepselen ondoorgrondelijk zijn, omdat zij het wezen van de Schepper betreffen. Toch zijn de kerkvaders met uitvoerige beschrijvingen van dit wezen gekomen. Deze hadden de enorme verdienste dat zij een dam opwierpen tegen allerlei dwaalleer; maar anderzijds gingen deze omschrijvingen vaak veel verder dan de Schrift en maakten bovendien gebruik van gevaarlijke heidense termen.

 

Tot in deze eeuw zijn voorbeelden bekend van theologen die zo uitputtend het wezen van God meenden te kunnen omschrijven. Begin deze eeuw was er een bekende theoloog aan de Vrije Universiteit, prof. V. Hepp, die door de studenten spottend de vierde persoon in de Godheid werd genoemd, omdat hij de indruk gaf net zoveel van Gods wezen te begrijpen als God Zelf. Hij gaf - als ik goed ben ingelicht - een semester lang college over wat er in God was omgegaan vóór de schepping, en daarna een semester lang over wat er in God was omgegaan na de schepping. Prof. Hepp was zo ongeveer de scholastiek in eigen persoon. Toen een andere theoloog aan de VU, prof. Vollenhoven, probeerde te breken met de scholastische leer van de scheiding tussen de ‘onsterfelijke redelijke ziel' en het 'sterfelijk materielichaam', reageerde Hepp diep verontwaardigd, o.a. met het argument dat Vollenhoven een leer aanviel die 'zelfs de heidenen nog juist hadden gezien' (!). Inderdaad, de genoemde leer kwam uit de Griekse denkwereld, niet uit de Schrift.

 

Er zijn nog andere mysteries - het Griekse woord mustèrion is in de Telos-vertaling vertaald met 'verborgenheid' - die voor de mens ondoorgrondelijk zijn, omdat zij het wezen van God betreffen. Ik bedoel nu die mysteries waarbij ook de relatie tussen God en de mens in het geding is; duidelijker gezegd: de mysteries die verband houden met wat we gewoonlijk noemen de verhouding tussen de raad van God en de verantwoordelijkheid van de mens. We spreken hier wel eens van 'paradox' oftewel een schijnbare tegenstrijdigheid. Een tegenstrijdigheid omdat de raad van God en de verantwoordelijkheid van de mens niet met elkaar te rijmen zijn. Een schijnbare tegenstrijdigheid, omdat de ongerijmdheid niet voor God bestaat, maar alleen voor ons beperkte menselijke verstand. De genoemde ongerijmdheid lijkt vooral in drie opzichten tot uiting te komen:

 

(1) Vóór de bekering: God heeft in zijn raadsbesluit een aantal mensen tot het heil uitverkoren, en een aantal andere mensen niet. Toch biedt God dit heil zonder uitzondering aan alle mensen aan, en of die mensen dat heil al of niet aannemen, hangt van hun eigen verantwoordelijkheid af. Dit is nu een prachtig voorbeeld van de paradox: enerzijds kan men zeggen, dat slechts een deel van de mensen het heil kan ontvangen, doordat alleen zij door God uitverkoren zijn, anderzijds kan men evengoed zeggen, dat álIe mensen het heil kunnen ontvangen, doordat God het heil oprecht en gul aan alle mensen aanbiedt (waarbij ik het probleem van de mensen die nooit het evangelie gehoord hebben, nu buiten beschouwing laat). Deze twee uitspraken zijn voor het verstand niet met elkaar te rijmen, terwijl het geloof ze toch beide op grond van Gods Woord aanvaardt.

 

(2) Bij de bekering: Ook hier onderscheiden we aan de ene kant de werkzaamheid van God en aan de andere kant de werkzaamheid van de mens. Enerzijds kan men zeggen, dat geen mens tot geloof zou komen ware het niet dat God Zelf aan hun harten werkt door zijn Geest, in hen het nieuwe leven van de wedergeboorte werkt en hun de gave van het geloof schenkt. Anderzijds kan men evengoed zeggen, dat geen mens tot geloof zou komen ware het niet dat hij zijn verantwoordelijkheid verstaat, zijn zondige toestand inziet en voor God belijdt, en de Heer Jezus in geloof aanneemt als zijn Verlosser. Ook dit is weer een typische paradox, omdat het voor ons verstand onmogelijk lijkt om beide tegelijkertijd te zeggen. Hoe kan de bekering c.q. de wedergeboorte tegelijk het soevereine werk van God én de vrije keuze en beslissing van de mens zijn? Ook deze schijnbare ongerijmdheid kan slechts in geloof aanvaard worden.

 

(3) Na de bekering: Hier doet zich het probleem van de veronderstelde 'afval der heiligen' voor, oftewel de vraag of gelovigen verloren kunnen gaan. Enerzijds kan men zeggen: christenen kunnen niet verloren gaan, want zij zijn door God uitverkoren en hebben eens voor altijd het eeuwige leven ontvangen. Anderzijds kan men evengoed zeggen: christenen kunnen wel verloren gaan, want zij kunnen afvallen van het geloof, het heil vaarwel zeggen, terugkeren tot het ongeloof en in hun zonden sterven. Het eerste antwoord wordt gegeven vanuit de raad en de vrijmacht van God, het tweede vanuit de verantwoordelijkheid van de vrije keuze van de mens. Misschien is dit de minst paradoxale van deze drie problemen: immers, we hebben er het volgende 'logische' antwoord op: als een ware gelovige afvalt, zal hij uiteindelijk altijd hersteld worden; omgekeerd: als een christen definitief afvalt, blijkt daaruit alleen maar dat hij nooit een ware gelovige is geweest. Het zou echter wel eens kunnen zijn, dat dit alleen maar een vlucht in de logica is, om onder de paradox uit te komen. 

Het spreekt vanzelf, dat veel rationalistisch en scholastisch getinte theologen met deze paradoxen geen genoegen hebben willen nemen. Altijd weer heeft het menselijk verstand geprobeerd eronder uit te komen, en dat gebeurt uiteraard altijd door óf aan de raad van God óf aan de verantwoordelijkheid van de mens afbreuk te doen. In het volgende artikel hoop ik daar nader op in te gaan.