CHRISTUS' GROOTHEID ALS KONING

 

H. BOUTER JR.

 

Dit is het eerste deel van een serie over de grootheid van de Persoon van Christus als Koning, Profeet, Heiland, Hogepriester en Herder.

 

'Deze zal groot zijn'

Luk. 1 : 32

 

Bij de aankondiging van de geboorte van de verlosser aan de maagd Maria gebruikt de engel GabriŽl de woorden: 'Deze zal groot zijnÖ'. Het is altijd goed ons oog te richten op de grootheid van Christus, omdat Hij volstrekt uniek is. Maria was begenadigd onder de vrouwen, omdat zij het instrument was dat God had uitverkoren voor de geboorte van de Messias. Maar haar Zoon was groter dan zijzelf, omdat Hij door de Heilige Geest werd verwekt en daarom Gods Zoon zou worden genoemd (Luk. 1: 35). Christus was ook groter dan zijn voorloper, Johannes de doper, van wie in ditzelfde hoofdstuk wordt gezegd dat hij groot zou zijn voor het aangezicht van de Heer (vs. 15). Johannes was inderdaad een groot profeet. De Heer Jezus getuigt Zelf van hem dat er tot op dat ogenblik, d.w.z. tot op de komst van de Koning Zelf en zijn koninkrijk, niemand groter was geweest dan Johannes (Luk. 7: 28). Maar het spreekt vanzelf dat de grootheid van de voorloper niet te vergelijken was met de heerlijkheid van Hem, van Wie hij een bode was. Johannes gaf dat ook openlijk toe tegenover zijn discipelen. Hij zei dat hij slechts de vriend van de Bruidegom was en dat hij zich over Hem verblijdde. Christus moest meer, maar hijzelf minder worden; want Hij kwam van boven en was boven allen (Joh. 3: 28-31).

Waaruit bestaat nu deze grootheid van Christus? Wat maakt Hem zo uniek? Er zijn uiteraard vele facetten van zijn heerlijkheid, maar de engel wijst met name op zijn grootheid als Zoon en als Koning. 'Deze zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en de Heer, God, zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen einde zijn' (vs. 32,33). Er is niemand die met Hem te vergelijken is, omdat Hij de Zoon van de Allerhoogste is. In een geestelijk lied wordt dit als volgt tot uitdrukking gebracht:

 

Heer Jezus, Zoon van de Allerhoogste,
het beeld van 's Vaders heerlijkheid,
in U vertonen zich op ít hoogste
zijn wond're liefde en majesteit.

 

De woorden van dit lied wijzen eigenlijk op een specifiek nieuwtestamentische heerlijkheid van Christus, een zijde van zijn grootheid die in het Oude Testament niet onthuld was, namelijk dat Hij de eniggeboren Zoon van de Vader is en dat Hij ons de Vadernaam heeft verklaard (Joh. 1 : 14-18). Christus' heerlijkheid als Zoon van de Allerhoogste houdt echter in eerste instantie verband met zijn heerschappij over alle dingen. God de Allerhoogste is de Schepper van hemel en aarde, de opperste Regeerder (Gen. 14: 18-20; Deut. 32:8; Dan. 4:2,3,17,34). In zijn hoedanigheid als Zoon van de Allerhoogste beŽrft Christus dus de heerschappij over alle dingen. Zijn zoonschap staat hier vooral in verbinding met zijn heerschappij, met zijn koningschap, zoals ook blijkt uit het vervolg van de aankondiging van de engel GabriŽl.

 

De benaming 'Zoon van de Allerhoogste' komt uitsluitend in de EvangeliŽn voor; in de Brieven wordt het zoonschap van Christus nooit op deze wijze omschreven. De reden is, denk ik, dat meer intieme aanduidingen als 'Zoon van de Vader' in overeenstemming zijn met het karakter van de nieuwtestamentische openbaring. God is nu immers als Vader geopenbaard door de Zoon. Naast de Schriftplaats die nu aan de orde is (Luk. 1 :32) vinden we de uitdrukking 'Zoon van de Allerhoogste' alleen nog in de geschiedenis van de genezing van de bezetene in Luk. 8: 28 (en in de parallelplaats in Mark. 5 : 7). De boze geest erkent het opperste gezag van Christus als hij met luider stem zegt: 'Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bid U, pijnig mij niet. Want Hij had de onreine geest bevolen van die mens uit te gaan'. Zelfs in zijn vernedering op aarde bezat Christus macht over de demonen; het blijkt hier dat zij dit gezag ook erkennen (vergelijk ook nog Hand. 16: 16-18).

In het meervoud vinden we de uitdrukking 'zonen van de Allerhoogste' ťťnmaal in de EvangeliŽn ter aanduiding van de discipelen: 'Hebt daarentegen uw vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets terug te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult zonen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen' (Luk. 6: 35).

Hier ligt het accent meer op de zorg van de Allerhoogste voor zijn schepselen, zelfs al zijn dezen van Hem afgeweken. De gelovigen hebben als zonen van God Hem hierin na te volgen. Maar het behoeft geen betoog dat het zoonschap van Christus volstrekt uniek is. Hoewel de gelovigen de vele zonen zijn die Hij tot heerlijkheid leidt, is Hij dť Zoon. Wij hebben als schepselen deel aan bloed en vlees, maar Hij heeft daaraan deelgenomen (Hebr. 2: 14). Het eeuwige Woord is vlees geworden (Joh. 1 : 14). De Schepper Zelf is in zijn schepping binnengetreden. Dat is het wonder van de vleeswording; dat in het Evangelie naar Lukas zo ontroerend mooi beschreven wordt. God heeft in mensen een welbehagen gevonden (Luk. 2: 14). Het duidelijkste bewijs van Gods liefde en genade jegens mensen (niet alleen jegens IsraŽl), is dat de Zoon van God Zelf Mens is geworden en onder ons heeft gewoond en gewandeld en tenslotte zelfs onze plaats heeft ingenomen in het oordeel dat wij rechtvaardig hadden verdiend. De weg van Christus voerde van de kribbe naar het kruis. Daar zien wij Hem als de verhoogde Mensenzoon, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.

 

Het geheimenis van de vleeswording wordt door de engel tegenover Maria als volgt omschreven: 'De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd'. Christus is God en Mens in ťťn Persoon. Hij is op een unieke wijze uit God geboren en daarom is Hij ook naar zijn mensheid de Zoon van God. Hij is verwekt door de kracht van de Allerhoogste en daarom kan Hij met recht de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. Hoe groot is Hij! Hoe dicht is de Allerhoogste bij ons gekomen! Hoe diep heeft Hij Zich tot ons neergebogen in zijn Zoon, Jezus Christus onze Heer!

 

Zoals gezegd houdt het zoonschap van Christus hier met name verband met zijn koningschap. Als de Zoon van de Allerhoogste bezit Hij het hoogste gezag. Dit wordt in dit gedeelte toegespitst op de tijd van het vrederijk: 'God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen einde zijn'. Dit is niet de troon van de Vader waarop Christus nu zit aan Diens rechterhand in de hemel, maar de troon die Hij bij zijn wederkomst zal oprichten op aarde (vgl. Openb. 3: 21). Het is de troon van zijn heerlijkheid als Messias en als Zoon des mensen (Matth. 25:31). Jeruzalem, de stad van de grote Koning, zal het centrum van zijn heerschappij zijn en zijn regering zal zich uitstrekken tot de einden der aarde. Hij zal geŽerd worden als de grote Zoon van David, zijn voorvader naar het vlees (Rom. 1 : 3). Men zal Hem erkennen als de ware Vredevorst, Degene die meer is dan Salomo (Matth. 12:42). Want de Zoon van David blijkt tevens niemand minder te zijn dan de Zoon van de Allerhoogste!

 

Het profetische perspectief dat dit vers ons biedt, herinnert heel sterk aan de profetieŽn van het Oude Testament, met name die van Jesaja en Micha. Beide profeten wijzen op de Goddelijke oorsprong van de Messias die zal zitten op de troon van David: 'Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst' Ö, 'En gij, Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn over IsraŽl en Wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid' (Jes. 9:5; Mi. 5:1). Vervolgens spreken deze beide profetieŽn over de grootheid van zijn heerschappij, die gekenmerkt zal worden door vrede en gerechtigheid: 'Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David' Ö 'Hij zal groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn' (Jes. 9: 6; Mi. 5: 3). Beide passages spreken dus in de eerste plaats over de grootheid van zijn Persoon en in de tweede plaats over de grootheid van zijn regering. De Messias is niet alleen Mens maar tevens God, Hij is de Eeuwige Zelf. Daarom is het passend dat Hij een universele en eeuwige heerschappij ontvangt die met zijn waardigheid overeenstemt. Het lijkt er haast op dat de woorden van Luk. 1 : 32 ('Deze zal groot zijn') een letterlijk citaat zijn uit Mi. 5: 3 ('Hij zal groot zijn'). Hij is groter dan David en Salomo, uit wie Hij - naar zijn mensheid - is voortgesproten. Hij is de ware Koning-Priester, de rechtvaardige Spruit in de lijn van David (Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8; 6:12,13). Hoe groot is Hij! Zijn grootheid gaat die van alle andere koningen te boven, ja, de groten der aarde zullen Hem geschenken brengen en zich voor Hem neerbuigen (zie o.a. Ps. 72).

 

Het is niet juist om dit aardse toekomstperspectief te vergeestelijken en de Christusregering te plaatsen in het huidige tijdperk van de Gemeente. Nu is een geestelijke toepassing zeker wel geoorloofd, mits men maar duidelijk in het oog houdt dat uitdrukkingen als 'de troon van David' en 'het huis van Jakob' een concrete en letterlijke betekenis hebben en in de uitlegging van de Schrift in verband dienen te worden gebracht met het toekomstige herstel van het volk IsraŽl. Anders berooft men deze begrippen van hun kracht en neemt men Gods beloften van zegen voor zijn aardse volk niet meer serieus. De troon van David is de troon die in Jeruzalem zal worden opgericht; het is niet Gods troon in de hemel. Het huis van Jakob is het letterlijke nageslacht van de aartsvader, niet de Gemeente (die geen aardse, maar een hemelse oorsprong heeft, omdat zij bestaat uit al diegenen die opnieuw oftewel van boven geboren zijn). Wanneer wij Christus' verschijning liefhebben, zullen wij ons ook kunnen verblijden in dit aardse aspect van zijn grootheid en heerlijkheid. Hij die eens door deze wereld is uitgeworpen, zal met macht regeren. Zijn komst brengt een sabbatsrust voor IsraŽl en voor alle volken, ja, de hele schepping zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid. Het zal openlijk worden gezien dat Jahweh regeert, en het koningschap van Christus zal de vervulling zijn van de theocratische regering van David en Salomo, die volgens 1 Kron. 29: 23 zetelden op de troon van Jahweh te Jeruzalem. De Here, die een groot Koning is (Mal. 1 : 14), zal regeren in de Persoon van zijn Zoon. Deze zal groot zijn!

 

Wanneer wij zo denken aan de grootheid van Christus' koningschap, dan gaan onze gedachten onwillekeurig ook naar dat wat aan het slot van het boek Esther wordt opgemerkt over de heerschappij van MordechaÔ. Wij lezen daar over 'de grootheid, waartoe de koning MordechaÔ verheven had', en ook dat hij 'in aanzien was (of volgens de Statenvert.: groot was) bij de Joden' (Esther 10 : 2,3). Zoals MordechaÔ namens koning Ahasveros regeerde over de toenmalige wereld, zo zal de Zoon Zelf namens God de Vader regeren totdat alle vijandige machten aan Hem zijn onderworpen en als laatste vijand ook de dood zal worden tenietgedaan. Daarna breekt de eeuwige toestand aan, waarin alles in harmonie zal zijn gebracht met God, zodat God zal zijn alles in allen (1 Kor. 15: 24-28).

 

Tenslotte dienen Wij onszelf af te vragen in hoeverre Christus nķ reeds groot is voor onze harten. Inderdaad, Hij zal groot zijn, daaraan behoeven wij niet te twijfelen. Hij zal de eer ontvangen die Hem rechtens toekomt, want de Vader zal zijn Zoon grootmaken voor het oog van de hele schepping. Maar de grote vraag die op ons afkomt, is of Hij nķ reeds wordt grootgemaakt in uw en in mijn leven. De apostel Paulus kon dat van zichzelf zeggen, want het was zijn vurige wens dat 'zoals altijd ook nķ Christus wordt grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood' (Fil. 1 : 20). Wanneer Christus in ons wordt grootgemaakt, zal Hij gestalte in ons krijgen (Gal. 4: 19). Zijn leven, zijn karakter, zal in ons zichtbaar zijn. Dat is de praktische toepassing die wij toch ook mogen maken naar aanleiding van onze overdenking van Luk. 1 : 32. Is de heerschappij van deze grote Koning, die straks de wereld zal vervullen met gerechtigheid en vrede, merkbaar in ons leven? De Vredevorst; die straks de vrede op aarde zal gebieden, is machtig die nu reeds te gebieden in onze zielen.