DOUGLAS HAYHOE

 

HOED MIJN SCHAPEN

 

Oudsten in de nieuwtestamentische Gemeente

 

(slot)

 

9. De houding van oudsten

Zij die (in de Geest) gesteld zijn over anderen, moeten dienen alsof zij gesteld zijn onder hen. De Heer heeft heel duidelijk, in voorbeeld en leer, dit model van dienstknecht-leiderschap, onderwezen, in contrast met het macht-leiderschap dat we vaak in de wereld zien. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is wel de voetwassing bij het laatste pascha, toen Hij, de Heer en Meester, Zichzelf omgordde als een dienstknecht, Zich neerboog en hun voeten waste. En naast zijn praktisch voorbeeld geeft Hij hun in elk evangelie duidelijk onderwijs over de houding die nodig is voor ware dienst. 'Laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als één die dient ... Ik ben in uw midden als Degene die dient' (Luk. 22: 26-27). Oudsten moeten zichzelf niet alleen beschouwen als dienstknechten van de Heer, maar ook als áller dienstknecht. Dat laatste is heel wat moeilijker om te leren!

Als er verscheidene oudsten zijn (zoals zou moeten), dan zal geen van hen naar voren komen als 'een broeder boven broeders', voor zover het de relatie met de andere verantwoordelijke broeders betreft, maar ieder zal bereid zijn een 'broeder temidden van broeders' te zijn. Geen enkele broeder zal over de vergadering 'heersen', maar ieder zal zichzelf onderwerpen aan de andere oudsten (1 Petr. 5: 1-6). Nederigheid en de gezindheid van een dienstknecht zijn essentieel om leiding te kunnen geven in de nieuwtestamentische Gemeente. 'Zachtheid is geen zwakheid', zo is wel gezegd, en het is goed om het verschil te begrijpen.

De saamhorigheid en liefde die deze leiders onder elkaar laten zien, zullen een voorbeeld zijn voor de hele vergadering. Het nieuwe gebod van de Heer, dat wij elkaar moeten liefhebben, zal in de allereerste plaats tussen de oudsten onderling in praktijk gebracht dienen te worden. Er moet een oprechte eenheid in het leidinggeven zijn. De verantwoordelijke broeders moeten open en eerlijk tegen elkaar zijn, bereid om hun persoonlijke zwakheid en falen te erkennen; ze zullen klaar staan om elkaar op te bouwen; ze waarderen elkaar, hoe grote persoonlijke verschillen er ook mogen zijn.

Nadat Hij de voeten van de discipelen had gewassen, zei de Heer Jezus tegen hen: 'Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt'. Deze discipelen nu werden de voorgangers in de nieuw-testamentische Gemeente. Als de voorgangers, herders en oudsten in een plaatselijke vergadering deze praktische liefde, vergevingsgezindheid en geest van dienstbaarheid niet kunnen laten zien onder elkaar, hoe kunnen ze verwachten dat de rest van de vergadering dat zal doen?

 

10. De motivatie van oudsten

Een gevaar waar we nog op willen wijzen, is dat een oudste in een vergadering gaat domineren. Dit is een gevaar dat elke bekwame en gewetensvolle broeder bedreigt, vooral als de andere broeders blij zijn dat hij het werk opknapt, terwijl zij er 'hun gemak van kunnen nemen'. De fout ligt vaak net zo goed bij hén als bij hém. De oplossing voor hem is: het 'dienstknecht-leiderschap' in praktijk te brengen, en voor hen: zich aktief in te zetten voor het werk en het volk van de Heer. In alle gevallen is de Heer het volmaakte voorbeeld, Hij die 'niet kwam om gediend te worden, maar om (anderen) te dienen'.

Een nog groter gevaar is dat niemand in een vergadering als oudste dient en aktief bezig is met bezoeken maken, raad geven en leiding geven. Dan kan de situatie ontstaan waarin 'Iedereen doet wat goed is in zijn eigen ogen' (Richt. 17 : 6; 21 : 25). Wat kan hieraan gedaan worden? Als er broeders zijn die wel bekwaam zijn om oudsten te zijn, maar niet gemotiveerd om het werk van een herder en opziener te doen, hoe kunnen ze dan gemotiveerd worden? Zal een officiële erkenning dan misschien helpen? Maar we motiveren evangelisten toch óók niet door ze aan te stellen?

Een belangrijke motivatie om als herder op te treden is het inzien dát men een gave ontvangen heeft; anderen kunnen gebruikt worden om zo iemand daarop te attenderen. In de gelijkenis van de talenten (Matth. 25 : 14-30) houdt de Heer ons voor hoe ernstig het is als de gaven die ons zijn toevertrouwd, niet worden gebruikt voor de verbreiding van het Koninkrijk. 'Van hem die niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem genomen worden'. Eén van de meest verwaarloosde gaven in de Gemeente is toch wel die van herder! Paulus moedigt Timotheüs aan om zich in zijn dienst ten volle in te zetten, en wij hoeven niet bang te zijn om broeders die bekwaam en in staat zijn om als oudste en herder te functioneren, te vertellen dat ze dat dan ook moeten doen. 1 Korinthe 12 : 31 zegt ons te 'streven naar de grootste genadegaven'.

Maar een nog grotere beweegreden voor herders is 'de liefde van Christus', die ons beheerst, versterkt en dringt om 'niet langer voor onszelf te leven, maar voor Hem die voor ons is gestorven en opgewekt' (2 Kor. 5: 14,15). Toewijding, eerst aan de Heer en dan ook aan zijn volk, gemotiveerd door zijn liefde, moet in het hart gekend en begrepen zijn. Dat alleen maakt iemand van zelfzuchtig tot onzelfzuchtig - en zelfzucht is één van de oorzaken waarom zoveel oudsten niet functioneren zoals ze zouden moeten.

'Want ik heb niemand van gelijke gezindheid als hij, die zo trouw uw belangen zal behartigen, want allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus' (Filipp. 2: 20-21). De woorden van de Heer die het hart en geweten van Petrus raakten en de weg voor hem opende om een herder te worden, waren: 'Heb je Mij meer lief dan dezen? ... Hoed mijn schapen' (Joh. 21).

 

11. De beloning van oudsten

Een samenvatting van het voorgaande over de dienst van een oudste als herder, zou het volgende kunnen zijn. Het motief voor de dienst is de liefde van Christus in het hart. Het mandaat is het bezit van een gave en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid. Rest nog de beloning voor een dienst als herder.

Beloningen worden in de Schrift niet zozeer gezien als beweegreden om iets te gaan doen, maar meer als bemoediging terwijl men bezig is. Omdat onze God trouw is, beloont Hij trouwe dienst: 'Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf' (Matth. 25: 23). 'Overigens is voor mij de kroon der gerechtigheid weggelegd' (2 Tim. 4: 8).

Van de vijf kronen die als beloning gezien worden in het Nieuwe Testament is er één voor een trouwe dienst als herder: 'En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen' (1 Petr. 5: 4). Omdat zo velen van ons maar weinig aan de toekomst denken, heeft deze kroon misschien nog niet veel voor ons betekend. Maar het is echt een geweldige beloning, een eeuwige, onverwelkelijke, heerlijke kroon. We kunnen er zeker van zijn dat de Heer onze trouwe dienst als herder zeer waardeert, als Hij zo'n geweldige beloning belooft! Er is ook een beloning nu voor oudsten die trouw zijn in hun opzienerschap, en dat is de vreugde als ze zien dat de schapen groeien in hun geestelijk leven. 'Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen ... opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen' (Hebr. 13: 17). 'Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen' (3 Joh. : 4), schrijft de oudste Johannes. 'U bent immers onze heerlijkheid en blijdschap' (1 Thess. 2 : 20), schrijft Paulus over zijn geliefde jonge gelovigen in Thessalonica.

We hebben gezien dat financiële winst sterk veroordeeld wordt als motief voor de dienst van oudsten (Hand. 20 : 33; 1 Tim. 3 : 3; 1 Petr. 5 : 2). En hoewel oudsten die arbeiden in woord en leer (zo nodig) gesteund moeten worden, en hun op die manier dubbele eer wordt gegeven (1 Tim. 5 : 17-18), zo wordt deze geldelijke ondersteuning niet gezien als een beloning voor hen, maar als een verantwoordelijkheid van de gelovigen (Gal. 6 : 6). De grote beloning voor oudsten, nú, in hun dienst als herders en opzieners, is de vreugde om te zien dat het volk van God leeft tot heerlijkheid van God en de komst van de Heer verwacht.

 

12. Conclusie

We hebben gezien dat een goed functioneren van oudsten of opzieners belangrijk is voor de gezondheid en de groei van een vergadering. Hoewel we hen niet meer aanwijzen of officieel erkennen, zoals in sommige van de nieuwtestamentische Gemeenten, kunnen er nog steeds bekwame en begaafde broeders zijn die graag het werk van een oudste doen. Als zij goed functioneren, zal het niet moeilijk zijn hen te herkennen en zich aan hen te onderwerpen.

We hebben ook nagedacht over het gezag van de oudsten en voorgangers. Het is vooral een moreel gezag. Gelovigen zullen het in het algemeen niet moeilijk vinden om het gezag te erkennen van een broeder die een voorbeeld is in zijn levensopenbaring, die oprecht is en persoonlijk geïnteresseerd in hun welzijn, en die hen wil helpen en dienen.

We hebben erbij stilgestaan hoe belangrijk de morele vereisten voor een oudste zijn. Maar we hebben ook gezien dat ze gaven hebben gekregen die hen in staat stellen hun werk uit te voeren. De belangrijkste gave die door een oudste ontwikkeld moet worden, is misschien wel die van herder; maar de juiste uitoefening van deze gave vraagt onbaatzuchtig bezoeken maken, raadgeven en verder persoonlijk contact. Dat is een tijdrovend werk.

Ons gebed is dat de Heer temidden van de vergaderingen mensen zal roepen en motiveren die dezelfde houding als Christus willen hebben van nederig dienstknecht-leiderschap, en die gedrongen worden door de liefde van de Heer voor zijn schapen, en die zich daarom ijverig willen wijden aan de taak van oudste, herder of voorganger.

We weten ook dat goed functionerende oudsten geen garantie zijn voor de groei en zegen van een vergadering hoewel ze daartoe zeker kunnen bijdragen. De hele gemeenschap moet zich oefenen om de Heer te volgen met een oprecht hart. Een materialistische of wereldsgezinde vergadering aan de ene kant, en een koude, wettische, liefdeloze vergadering aan de andere kant, kunnen bekwame, aktieve voorgangers hebben, maar toch de in liefde tuchtigende hand van de Vader ervaren. Het waren de complete Gemeenten in Macedonië, als één geheel, en niet maar alleen de oudsten, die 'zichzelf eerst aan de Heer gaven en daarna aan ons door de wil van God' (2 Kor. 8 : 5). De vergadering groeit door het goed functioneren, niet slechts van de voorgangers, maar van elk deel (Ef. 4: 16). Dat neemt niet weg dat de voorgangers daar natuurlijk een belangrijke rol in spelen.

Voorgaande