DE TABERNAKEL

hoger onderwijs voor eenvoudigen van hart

(5)

S. STREUPER

Achtenveertig planken vormen samen de wanden van de tabernakel (Ex. 26 : 15-25; 36 : 20-30). Laten we proberen er achter te komen wat de Geest van God daarmee wil aanduiden. Deze planken zijn gemaakt van hetzelfde materiaal waarvan vermoedelijk ook de pilaren van de voorhof gemaakt waren: acaciahout. Het is wel gewenst dat hout nog even onder de loep te nemen. We hebben al ontdekt dat we in de acaciaboom een beeld vinden van de mens na de zondeval. Wij waren van nature zulke mensen en de mensen rondom ons heen, tot wie ons getuigenis moet uitgaan, zijn uit precies hetzelfde hout gesneden. Wat ik nu ga zeggen schijnt daarmee in tegenspraak te zijn, maar is het in werkelijkheid niet. Ondanks het feit dat het dezelfde boomsoort is, is het toch heel ánder hout. Het hout voor de tabernakel heeft een bewerking ondergaan, waardoor het oude voorbijgegaan is en er iets volkomen nieuws is gekomen. Toen we Christus leerden kennen, waren we wat onze lichamelijke verschijning betreft precies gelijk aan wat we daarvoor waren. Uiterlijk was er geen enkel verschil. Toch was alles anders: het oude was voorbijgegaan, alles was nieuw geworden (2 Kor. 5 : 17; Gal. 6 : 15). Op dat zelfde ogenblik zijn we een volkomen nieuwe en unieke creatie geworden; een nieuwe schepping, niet 'gerenoveerd', maar opnieuw geschapen. Een schepping waarin totaal niets meer terug te vinden is van de oude mens en zijn zondige natuur, die onaanvaardbaar was voor God. Dat de zonde, alhoewel geoordeeld, nog altijd in ons woont, doet daar niets aan af. God heeft daarmee al afgerekend.

Het hout dat verwerkt werd in de tabernakel, wijst op de menselijke natuur, echter zonder dat het iets te maken heeft met de zonde. Dat is vooral duidelijk wanneer we bedenken dat ook de ark, de tafel en de beide altaren van acaciahout gemaakt waren. Het lijkt me zonneklaar dat deze voorwerpen alleen en uitsluitend de heerlijkheid van Christus Zelf zinnebeeldig voorstellen. Of, nog beter, de heerlijkheid van God zoals die geopenbaard is in de persoon en in het werk van de Mensenzoon, Jezus Christus.

Is het niet iets heel bijzonders dat in hetzelfde hout twee zeer verschillende waarheden te vinden zijn? Enerzijds de zondaar die door genade gerechtvaardigd is geworden en uit zijn nederige nietswaardige staat verheven werd tot dat van het zoonschap Gods; en anderzijds, dat Hij die rijk was, arm werd, de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, verliet en Mens werd? Volmaakt Mens! Het eerste wordt ons voorgesteld in de pilaren van de voorhof en in de planken van de tabernakel; het tweede in de houten kern van de ark, de tafel en de beide altaren.

Wanneer we deze dingen trachten te onderscheiden valt des te meer het licht op de tweede Mens. De eerste mens was een zondaar (Rom. 5 : 8); de tweede Mens was eveneens volkomen méns, maar in Hem is geen zonde geweest en Hij heeft nooit één zonde gedaan. Hij was de heilige Mens, verwekt door de Heilige Geest, zonder zonde en in Zichzelf onberispelijk, de Man van Gods welgevallen. Wij daarentegen zijn in zonde geboren en ontvangen en moesten heilig en onberispelijk gemáákt worden. Niet door een opknapbeurt; de oude mens moest definitief zijn einde vinden in de dood van Christus, alvorens in Christus aan de andere zijde van het graf een totaal nieuwe schepping verrees. Van nature waren wij onbehouwen acacia's. Hij niet!! Hij was de volmáákte Mens en tegelijk God Zélf: in de gestalte van God, als God de Zoon één met de Vader en de Heilige Geest. Dat was Hij vóórdat Hij naar deze aarde kwam, maar ook toen Hij naar deze aarde kwam, en dat blééf Hij ook toen Hij op deze aarde wandelde en óók toen Hij na het verzoeningswerk volbracht te hebben, terugkeerde naar zijn Vader. Van eeuwigheid af was Hij 'in de gestalte van God', de Drieënige God, en daarin zal in eeuwigheid nooit enige verandering optreden. Maar - en geen mens kan u uitleggen hoe dat mogelijk is - tegelijkertijd nam Hij gedurende Zijn aards bestaan de gestalte van een slaaf aan, en is Hij de mensen gelijk geworden. En uiterlijk een mens bevonden, vernederde Hij Zichzelf (Fil. 2 : 6,7). Hij kwam in een gedaante die bij zijn menswording identiek was aan het vlees van de zonde; ogenschijnlijk een mens als alle andere mensen, zoals gesymboliseerd in de acaciaboom. Maar zijn mensheid was volkomen, zuiver, onbevlekt, zonder zonde. Hoe treedt hier de heerlijkheid aan het licht van onze God en Heiland, Jezus Christus!

En zo, in die nederige knechtsgestalte van de volmaakte Mens, ging Hij die lange diepe weg naar Golgotha en werd Hij gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood van het kruis. Daar nam Hij ook onze zonden op Zich. Hij maakte onze ongerechtigheden tot zijn eigen ongerechtigheden, onze smarten tot zijn smarten, onze zonden tot zijn zonden, beleed die als de zijne en droeg de straf... De straf die ons de vrede aanbracht was op Hem en door zijn striemen werden wij genezen.

Zwijgend leedt Gij; zonder klagen
hebt G'aan 't kruis van ónze schuld
willig al de last gedragen...

Hij stierf onze dood en schonk ons zijn leven. Wij zijn gevelde acacia's die van onze natuurlijke wortels gescheiden zijn door Christus' dood en opstanding, bewerkt en geschaafd door Gods Geest om samen met allen die Hem toebehoren een woonplaats van God in de Geest te vormen (Ef. 2 : 22). Zo zijn we bekwaam gemaakt om in Gods nabijheid te verkeren en in gemeenschap met Hem te genieten van de heerlijkheid van zijn Zoon.

 

Voordat we verder gaan met de betekenis van de planken, kunt u nu misschien beter dit artikel even aan de kant leggen en uw Bijbel opslaan bij Psalm 40: een Psalm over de 'ellendige en arme' (vs. 18). Wanneer u dan 'acht slaat op de geringe' (Ps. 41 : 2) en deze woorden leest, vervaagt het beeld van David hoe langer hoe meer en rijst achter hem op het beeld van de Man van smarten die Zich volkomen vereenzelvigde met onze miserabele toestand.

Lees deze Psalm en zet eens een streepje onder de woorden 'mijn' die u vindt in vers 19. Wiens ongerechtigheden, wiens dwaasheden zijn dat eigenlijk? Als we in deze Psalm de Heer Jezus als onze Heiland zien, dan is dat heel duidelijk: om onze schuld moest Hij zo lijden.