DOUGLAS HAYHOE

 

HOED MIJN SCHAPEN

 

Oudsten in de nieuwtestamentische Gemeente

 

(2)

 

4. De erkenning van oudsten

Iemand heeft eens opgemerkt dat, hoewel aanstelling benedenwaarts gericht is, erkenning opwaarts is gericht. Dit is een goed onderscheid, als we tenminste de erkenning zoals wij die in de praktijk kennen, niet verwarren met een aanstelling zoals door Paulus en Titus gebeurde. Want wie heeft vandaag de dag het gezag om oudsten aan te stellen zoals Paulus en (door hem) Titus hadden in het begin van de Gemeente?

Hoe kunnen we dan in onze tijd oudsten erkennen op een schriftuurlijke wijze? Ik zou zeven manieren naar voren willen brengen.

  1. Waardering en hoogachting (1 Tim. 5: 12-13). Laten we speciale aandacht en waardering hebben voor hen die arbeiden als oudsten en herders. We kunnen dat op vele praktische manieren laten blijken.
  2. Hun onderdanig zijn (Hebr. 13: 17; 1 Kor. 16: 16). Door te luisteren naar een broeder die als oudste werkzaam is, erkennen we hem in die hoedanigheid, ook al is hij niet officieel aangesteld. Als hij mij vermaant over iets in mijn leven, dan zal ik daar aandacht aan schenken en mij aan zijn advies trachten te houden. (We zullen daar nog nader op terugkomen.)
  3. Een beroep op hen doen om hulp (Jak. 5: 14). Als iemand ziek was, moest hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen. In tijden van ernstige lichamelijke, mentale of geestelijke ziekte zijn de broeders met een taak als oudste de eersten die zouden moeten helpen. Maar dat betekent dat iedereen in de Gemeente weet wie dat zijn!
  4. Hen financieel ondersteunen (1 Thess. 5: 17-18). Een vergadering kan besluiten sommige oudsten regelmatig geldelijk te ondersteunen, vooral hen die arbeiden zowel in woord als in leer. In verschillende plaatsen wordt dit ook gedaan.
  5. Hen leiding laten geven in een nieuw werk. In grote steden, waar al één of meer vergaderingen zijn, wordt vaak besloten een nieuwe vergadering te beginnen in een voorstad waar misschien al heel wat gezinnen wonen. In onze overwegingen zouden we niet alleen moeten betrekken hoeveel werkelijk toegewijde gezinnen daar zijn, maar ook of er broeders onder hen zijn die voldoen aan de vereisten voor een oudste of opziener (1 Tim. 3 en Tit. l). Als er maar één is, of niet één, kan dat tot moeilijkheden leiden in de toekomst. De verantwoordelijke broeders van de oorspronkelijke vergadering of -vergaderingen doen er goed aan zich ervan te vergewissen dat er twee of drie oudsten zijn in de nieuwe vergadering, indien mogelijk, ook al vraagt dat misschien een groot offer, bijvoorbeeld dat één van hen naar het nieuwe gebied verhuist.
  6. Hen erkennen in de behandeling van moeilijkheden (1 Kor. 6: 1-5; Tit. 1 : 9-11). Als er iemand is die moeilijkheden veroorzaakt in een vergadering, door zijn gedrag of door wat hij leert, laat dan de vergadering zulke broeders die de bekwaamheid tot opzicht hebben, vragen om zich met deze zaak bezig te houden. Als een vergadering in grote problemen is of verdeeld, dan kan men soms nabij gelegen vergaderingen vragen om hulp. Deze vergaderingen kunnen dan broeders aanwijzen om de zaak te onderzoeken en te helpen tot een oplossing te komen. De plaatselijke vergaderingen zullen waarschijnlijk deze broeders kiezen op grond van het feit dat ze beantwoorden aan de vereisten van 1 Tim. 3 en Tit. 1. In Jozua 22: 10-20 hebben we een oudtestamentisch voorbeeld van zo'n onderzoek.
  7. In geval van een brede beraadslaging (Hand. 15). Er kan een aanleiding zijn voor een bijeenkomst van broeders op grotere schaal die als oudsten werkzaam zijn, zoals we in dit gedeelte zien. Bij de vergadering in Jeruzalem, waar de apostelen en oudsten aanwezig waren, ging het om een vraag betreffende de leer en de praktijk. Moest van de gelovigen uit de heidenen verlangd worden dat zij de Wet van Mozes zouden houden? Nog steeds komen gelijksoortige vragen op. En hoewel ze vaak op conferenties behandeld worden, waar alle broeders aanwezig kunnen zijn, kan het nodig zijn om alleen als oudsten of leidinggevenden bij elkaar te komen. (De aanwezigheid van de apostelen gaf een speciaal gezag aan de bijeenkomst van Hand. 15. Vandaag is Gods Woord onze enige bron van gezag.)

Sommigen vinden, dat we de broeders die in een vergadering als oudste werkzaam zijn met name moeten noemen en ze op een lijst zetten zodat allen weten wie het zijn. Maar we hebben al gezien dat het zeer wel mogelijk is om deze voorgangers en oudsten te erkennen zonder ze in het openbaar aan te wijzen. Het openbaar aanwijzen zal uiteindelijk tot hetzelfde leiden als wat de kerken doen als zij hun oudsten aanstellen. In voorbeeld 6 hierboven werden broeders tijdelijk aangewezen voor een zekere taak, niet voor een permanente positie in de vergadering.

Een ander argument is dat 'full-time'-werkers ook officieel aanbevolen worden door hun plaatselijke vergadering, en waarom zouden we dan niet hetzelfde doen met de plaatselijke oudsten? Het één rechtvaardigt echter nog niet het ander. Een 'full-time'-arbeider is nog iets anders dan een oudste, hoewel hij misschien als oudste functioneert in zijn thuisvergadering (1 Tim. 5: 17-18 verwijst naar 'full-time'-plaatselijke oudsten). Misschien is ons tegenwoordige aanbevelen van 'full-timers' wel veel te officieel en moeten we dat wel eerder wijzigen dan de manier waarop we oudsten erkennen. Berust er ergens meer gezag om 'full-time' arbeiders officieel in een blijvende positie te plaatsen dan om dat met oudsten te doen?

 

5. Het gezag van oudsten

In het begin hadden de apostelen een 'aangesteld' of institutioneel gezag in de Gemeente. Paulus onderkende heel duidelijk dit gezag dat hij had, en in veel van zijn brieven presenteert hij zich als apostel. Maar hij realiseert zich daarbij meteen dat dit gezag vooral op zijn voorbeeld gebaseerd zou moeten zijn. En zo roept hij de Korinthiërs op: 'Wees mijn navolgers, zoals ik van Christus' (1 Kor. 11 : 1) en tegen de Thessalonikers zegt hij: 'Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar om onszelf aan u tot voorbeeld te stellen, opdat u ons navolgt' (2 Thess. 3: 9).

Op dezelfde manier zouden leidinggevende broeders en oudsten een gezag moeten hebben dat gebaseerd is op hun voorbeeld. 'Houdt uw voorgangers in herinnering ... en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na' (Hebr. 13: 7). Als Petrus aan de oudsten schrijft, zegt hij 'niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden' (1 Petr. 5: 3).

Gelovigen zullen veel eerder het gezag erkennen van een broeder die hun een goed voorbeeld geeft, persoonlijk in hen geïnteresseerd is en hen benadert met de houding van een dienstknecht (een punt waar we in hoofdstuk 9 nog op terug komen) dan van iemand die gezag opeist vanwege zijn positie. We merken de nadruk op, die Paulus legt op zijn moreel gezag, gebaseerd op zijn voorbeeld, in zijn laatste woorden tegen de oudsten van Efeze in Handelingen 20. Hij had niemands zilver of goud begeerd; zijn eigen handen voorzagen in zijn behoeften en in die van hen die met hem waren. Hij was voor hen een voorbeeld van hard werken (Hand. 20: 33-35). In antwoord op de aanvallen die men in Korinthe op hem deed, verwees hij anderzijds wél naar zijn positie als apostel.

Wat nu als een gelovige zich niet onderwerpt aan een bekwame en goed functionerende oudste in een plaatselijke vergadering? Zo'n oudste kan dan de andere broeders die ook als oudsten werkzaam zijn, benaderen en één van hen meenemen. En zonodig kunnen alle oudsten geraadpleegd worden. (Dat vermijdt meteen het gevaar van een 'éénmans'bestuur; we komen daar later nog op terug). Als die gelovige weigert om naar deze oudsten te luisteren, dan kan de hele Gemeente geraadpleegd worden, en moet er misschien een gemeentelijke tuchtmaatregel genomen worden.

Moeten wij ons altijd aan de oudsten onderwerpen? Als een bepaalde oudste in een plaatselijke vergadering niet erg gelukkig is met iets wat een gelovige doet, en hem dit vertelt, moet die gelovige deze oudste dan meteen gehoorzamen, zoals uit Hebr. 13 : 17 lijkt te volgen? Hier blijkt het belang van meerdere oudsten. Als ik moeite heb met de vermaning van een oudste, kan ik hem beleefd vragen om met de andere oudsten te overleggen over dit punt. Maar dan moet ik wel een positieve houding hebben. Ben ik bereid in onderdanigheid te luisteren naar wat zij mij te zeggen hebben?

Het kan ook zijn dat een oudste ergens van beschuldigd wordt. Zo'n beschuldiging kan alleen aangenomen worden op basis van twee of drie getuigen (1 Tim. 5: 19). Als de onschuld duidelijk is geworden, maar ook als hij weer hersteld is, kan zijn werk als oudste doorgaan, aangenomen dat hij dan nog steeds voldoet aan de schriftuurlijke vereisten. (Dat zal mede afhangen van de aard van de overtreding.)

Als een oudste in het openbaar een misstap belijdt en dat ernstig meent, dan is het voor een vergadering mogelijk nog steeds vertrouwen in hem te hebben. Anderzijds zullen zij die volharden in de zonde, onder een of andere vorm van tucht gesteld moeten worden (vgl. 1 Tim. 5: 20).

Het is belangrijk het gezag van de oudsten niet ál te zeer te beklemtonen ten koste van het gezag van de vergadering. Het is de vergádering die het gezag en de verantwoordelijkheid heeft om haar eigen heiligheid als Gods huis te bewaren, en niet primair de oudsten. Dat is heel duidelijk uit de beide brieven aan de Korinthiërs. Geadresseerd aan de 'Gemeente van God die in Korinthe is', herinneren deze brieven de gelovigen eraan dat zij de verantwoordelijkheid hebben (en daarmee ook het gezag) om uit te sluiten (1 Kor. 5: 13) en om weer in praktische gemeenschap te herstellen (2 Kor. 2 : 6-8). Zo ook vertrouwt de Heer het gezag om te binden en te ontbinden (in het geval van een broeder die zondigt) toe aan de Gemeente, en niet maar aan de leiders en de oudsten (Matth. 18 : 15-20). Dit fundamentele gezag wordt ontleend aan zijn tegenwoordigheid, 'want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden'. Dit ingestelde gezag is niet verdwenen, in tegenstelling tot dat van de apostelen. (Daaruit kan worden afgeleid dat ook broedervergaderingen beter meer broeders kunnen omvatten dan hen die als oudsten functioneren.) De Gemeente als geheel is verantwoordelijk voor de orde van Gods huis. Te zelfder tijd kan er behoefte zijn aan speciale bijeenkomsten voor herderlijke zorg waar alleen zij aanwezig zijn die voldoen aan de voorwaarden voor een oudste.