DOUGLAS HAYHOE

 

HOED MIJN SCHAPEN

 

Oudsten in de nieuwtestamentische Gemeente

 

(1)

 

1. Inleiding

Zowel in het oude als in het nieuwe testament zien we oudsten met gezag optreden temidden van Gods volk, terwijl ze leiding geven en besturen. In het Oude Testament functioneerden de oudsten als vertegenwoordigers van het volk voor God en voor koningen en leidslieden, en als rechters onder het volk.

De oudsten vertegenwoordigden het volk IsraŽl toen zij samen met Mozes en Ašron voor Farao verschenen (Ex. 3: 16, 18). Zij vertegenwoordigden het volk voor God toen het Pascha werd ingesteld (Ex. 12: 21) en toen de tien geboden werden gegeven (Ex. 19: 7), die zij doorgaven aan het volk (Deut. 27 : l). Nadat IsraŽl bij Ai verslagen was vertegenwoordigden de oudsten, samen met Jozua, het volk in zijn zonde en falen voor God (Joz. 7 : 6). Later in de geschiedenis van IsraŽl traden de oudsten als vertegenwoordigers van het volk op toen ze David koning maakten (2 Sam. 3: 17-21; 5: 3). En eerder al had Saul, toen hij gezondigd had, SamuŽl gevraagd hem te eren 'in tegenwoordigheid van de oudsten' (1 Sam. 15: 30). Tenslotte, toen de ark weer naar Jeruzalem gebracht zou worden, vergaderde Salomo de oudsten als vertegenwoordigers van het volk (1 Kon. 8 : l).

De oudsten traden ook op als rechters. Toen Mozes tegen God klaagde dat hij het hele volk niet alleen kon dragen, werden er 70 oudsten gekozen en gezalfd met Gods Geest (Num. 11 : 16-25). Later, toen het volk het beloofde land was binnengegaan, spraken de oudsten recht in de poorten van de steden (Deut. 25 : 7 - 10; Ruth 4: 1,2,1l; Spr. 31 : 23; vgl. Deut. 16: 18). Na de terugkeer van de IsraŽlieten uit de ballingschap hielpen de oudsten en de rechters Ezra en het volk om de buitenlandse vrouwen van de Joodse mannen te scheiden (Ezra 10: 8 - 14). Toen de Heer op aarde kwam, functioneerden de Joodse oudsten nog steeds (Matth. 15: 1,2; Luk. 7 : 3), maar, in samenwerking met de overpriesters en schriftgeleerden, verwierpen zij hun Messias (Matth. 16 : 21; 26 :57).

Al in het begin van de nieuwtestamentische Gemeente zien we de oudsten in nauwe samenwerking met de apostelen (Hand. 15: 2,4,6,22,23) tijdens de vergadering te Jeruzalem over de vraag of van de pasbekeerde heidenen moest worden verlangd dat zij de Wet van Mozes zouden houden. Dit laat een zekere voortzetting zien van de manier waarop de oudsten functioneerden in het Oude Testament. We zullen echter zien dat in het Nieuwe Testament het werk van oudsten in de plaatselijke Gemeente steeds meer in de richting gaat van herderlijke zorg, onderwijs en opzicht, in plaats van vertegenwoordigen en recht spreken.

 

2. De definitie van oudsten

De Griekse term voor 'oudste' of 'iemand van jaren' is presbuteros (lett. 'oudere'). Dat woord wordt meer dan 70 maal gebruikt in het Nieuwe Testament. In ongeveer 20 gevallen slaat het op oudsten in de plaatselijke Gemeenten. Het woord drukt de waardigheid van iemand ten gevolge van zijn leeftijd uit; maar het kan ook verwijzen naar de diepte van iemands ervaring en rijpheid, zelfs al is hij nog niet op gevorderde leeftijd. De hedendaagse termen 'presbyter' (in het Nederlands verbasterd tot 'priester' - wat heel iets anders betekent!) en 'presbyteriaans' zijn van dit woord afgeleid. Echter, in het Nieuwe Testament werden de 'presbyters' niet gekozen door de Gemeente, zoals vele van de huidige 'presbyters'. Sommigen werden aangewezen door de apostelen of hun afgevaardigden; anderen werden erkend (Hand. 15). In de volgende paragraaf zullen wij daar nader op ingaan.

Drie verschillende Schriftplaatsen laten ons duidelijk zien dat de termen 'oudste' en 'opziener' hetzelfde ambt in de nieuwtestamentische Gemeente aanduiden. In Hand. 20 : 28 lezen we dat, als Paulus spreekt tot de oudsten uit Efeze, hij hen 'opzieners' noemt. Wanneer dezelfde apostel aan Titus aanwijzingen geeft voor het aanstellen van oudsten (Tit. 1 : 5 - 7), verwijst hij direct daarna naar deze oudsten als 'opzieners'. Tenslotte, als Petrus schrijft over het functioneren van de oudsten, dan omschrijft hij hun taak als het 'houden van toezicht', d.w.z. 'dienen als opzieners' (1 Petr. 5 : 1-2). Het Griekse woord voor 'opziener' is episkopos, dat in het Nederlands verbasterd is tot 'bisschop'. Het wordt slechts vijf maal in het Nieuwe Testament gebruikt. Het bijbehorende werkwoord betekent 'kijken naar', 'letten op', 'toezicht houden', etc. De hedendaagse benaming '(aarts)bisschop' betekent iets heel anders dan in het Nieuwe Testament, waar alleen gedoeld wordt op plaatselijk toezicht. De huidige term 'episkopaals' is ook van dit Griekse woord afgeleid.

Zoals al gezegd, de woorden oudste en opziener slaan op dezelfde mensen, maar het woord oudste doelt meer op de rijpheid van hun geestelijke ervaring, terwijl het woord opziener meer het karakter van hun werk aanduidt (W.E. Vine).

 

3. De aanstelling van oudsten

Paulus en Barnabas stelden oudsten aan in elke Gemeente in de streken van Lystra, Iconium. en AntiochiŽ en droegen hen op aan de Heer (Hand. 14 : 21-23). Het Griekse woord voor 'aanstellen' is cheirotoneoo. In het Nieuwe Testament wordt het verder alleen nog gebruikt in 2 Kor. 8: 19, waar we lezen dat de Gemeenten mannen hadden aangewezen om samen met Paulus de gelden voor de armen naar Jeruzalem te brengen. Deze mensen worden 'gezanten' genoemd (2 Kor. 8: 23) en zij functioneren blijkbaar niet zozeer als oudsten, maar meer als diakenen (verg. Hand. 6 : 1-6).

Paulus gaf Titus de aanwijzing om in elke stad van Kreta oudsten aan te stellen (Tit. 1:5). Hier wordt het Griekse woord kathistŤmi gebruikt. Dit komt veel vaker voor in het Nieuwe Testament als het gaat om het aanstellen van een persoon in een bepaalde positie (Matth. 24: 45-47; Luk. 12: 42-44; Hand. 7:10 en Hebr. 2:7). Het woord wordt ook gebruikt in Hand. 6:3 voor het aanstellen van de diakenen.

Vermoedelijk zijn de oudsten van Efeze, in Hand. 20 door Paulus bijeengeroepen, ook door hem aangesteld. Daar waren immers vele gelovigen en hij heeft ongeveer drie jaar onder hen gewerkt (Hand. 20:31). Toch herinnert hij hen er aan dat het de Heilige Geest is die hen als opzieners heeft aangesteld om de Gemeente van God te hoeden (vs. 28). Het is interessant om op te merken dat deze oudsten niet genoemd worden in de brief aan de EfťziŽrs, waarschijnlijk om elke gelovige te wijzen op zijn eigen verantwoordelijkheid om te leven in overeenstemming met de gemeentelijke waarheden die in deze brief naar voren gebracht worden.

Waren er ook oudsten aangesteld in Korinthe? Daar waren vele gelovigen. Sommigen van hen, zoals Justus en Crispus, waren vůůr hun bekering leiders in de Joodse gemeenschap, en het zou voor de hand liggen hen als oudsten aan te stellen (Hand. 18 : 7,8). En verder is Paulus er anderhalf jaar gebleven, en als het zijn gewoonte was om oudsten aan te stellen in de heiden-gemeenten, dan zou hij dat zonder twijfel ook in Korinthe hebben gedaan. Maar het opmerkelijke is dat in de 29 hoofdstukken van zijn beide brieven aan hen, waarin hij hun onderricht geeft over gemeentelijke tucht en over veel dingen die in de Gemeente gecorrigeerd moesten worden, de oudsten niet eens genůemd worden. De brieven zijn niet eens, behalve aan de andere gelovigen, aan de oudsten geadresseerd (zoals in Fil. 1:l), hoewel wij zouden denken dat de oudsten een belangrijke rol moesten spelen in het rechtzetten van verkeerde dingen in de Gemeente. De apostel verwijst wel naar het huis van Stefanas en andere 'informele' leiders in 1 Kor. 16 : 15-17, maar niets wijst erop dat zij een officiŽle aanstelling hadden, en tegen de gelovigen wordt gezegd hun onderdanig te zijn vanwege hun werk. Dit voorbeeld van Korinthe waarschuwt ons om de rol van oudsten niet te overtrekken wanneer een Gemeente in wanorde weer op het rechte spoor moet worden gebracht. De brieven aan de KorinthiŽrs laten ons juist zien hoe belangrijk het gezag van de Gemeente als geheel is ('als u en mijn geest vergaderd zijn', 1 Kor. 5: 4) in geval van uitsluiting, en niet het gezag van een of ander bestuurslichaam.

Waren er in Thessalonika oudsten aangesteld? Paulus heeft daar minder dan een maand doorgebracht (Hand. 17: 1,2), en niets wijst erop dat hij gelegenheid heeft gehad om hen weer te bezoeken en oudsten aan te stellen (zoals in Hand. 14 : 21-23) vůůr hij zijn eerste brief aan hen schreef. Niettemin waren er, net als in Korinthe, toch die onder hen arbeidden en hun leiding gaven en zij worden opgeroepen die te 'erkennen' en 'hoog te achten' om hun werk - niet vanwege hun positie (1 Thess. 5: 12-13). Maar het is ook belangrijk te zien dat Paulus direct daarop allen, en niet alleen maar de leiders, vermaant om betrokken te zijn bij het werk van terechtwijzen, vertroosten en ondersteunen (vs. 14).

Waren er oudsten aangesteld in de Joodse Gemeenten? Vier belangrijke schriftplaatsen laten zien dat er erkende oudsten waren (Hand. 11 : 30; 15 : 4; Jak. 5 : 14 en 1 Petr. 5 : l). Misschien verwijzen HebreeŽn 13 : 7 en 17 ook naar zulke mensen. We weten niet of deze mensen door de apostelen aangesteld zijn; het lijkt niet zo te wezen. Misschien waren ze al leiders in de Joodse gemeenschap en namen ze deze positie op een natuurlijke wijze ook in de prille Gemeente in. Aan de andere kant is er geen goede reden om onderscheid te maken tussen de aangestelde oudsten in Hand. 14 : 23 en die in Hand. 15 : 4. Die in Jeruzalem waren net zo officieel en erkend als degenen die door Paulus waren aangesteld in de heiden-Gemeenten. De gemeentelijke orde was in de heidense en joodse Gemeenten dezelfde.

Als conclusie kunnen we misschien zeggen dat, als er sprake is van aanstelling, dat altijd van boven naar beneden is: van Christus naar de apostelen, van de apostelen of hun afgevaardigden naar de oudsten, van de plaatselijke Gemeenten naar de diakenen. Gemeenten stelden wťl de diakenen aan, die onder hen dienden, maar niet de oudsten, die over hen gezag uitoefenden. Wanneer er geen sprake was van een officiŽle aanstelling, was er wel een erkenning van hen die als oudsten functioneerden. Ten derde, ook als er geen broeders zijn die als oudsten werden aangeduid (zoals in Korinthe en Thessalonika), dan waren er toch die in dat werk bezig waren, en de gelovigen moesten hen erkennen en hen onderdanig zijn.