OCCULTE GENEESWIJZEN

 

J. PH. FIJNVANDRAAT

 

a. Telepathie.

Iedere bekwame arts kan uit iemands gelaatsuitdrukking, uit iemands ogen, uit de vochtigheid van iemands handpalmen en uit iemands lichaamshouding bepaalde dingen 'aflezen'. Daarin is niets occults. Anders ligt het echter met het brede scala van 'piskijkers', foto-lezende 'boertjes', artsen met antroposofische levensovertuiging, de hand vasthoudende of ogenlezende paragnosten enz. enz.

Voorzover het geen ordinaire kwakzalverende bedriegers betreft, die alleen maar een show opvoeren, heeft men hierbij steeds met mensen te doen die zich op occult terrein bewegen. Het valt niet te ontkennen, dat de mens, zoals hij door God geschapen werd, ook voor de zondeval over een waarnemingsvermogen beschikte, dat verder reikte dan alleen de uiterlijke waarneming door middel van de vijf zintuigen. In het Oude Testament duidt de naam op het wezen van de dingen. Vandaar de vraag van Agur in Spr. 30 : 4. Uit Gen. 2 : 19-20 blijkt dan ook, dat Adam het vermogen bezat het wezen van de dieren te doorschouwen en zodanig in een naam uit te drukken, dat God dit zonder meer sanctioneerde! De zondeval heeft echter alles verdorven en de mens ook ontvankelijk gemaakt voor beÔnvloeding door boze machten. Zelfs het onafhankelijke gebruik van de menselijke logica en het menselijk gevoelen is op het terrein van het dagelijks gebeuren niet meer gevrijwaard van boze beÔnvloeding. Dat blijkt bij de gelovige Petrus, die, hoewel hij sprak vanuit goede motieven (liefde en toewijding tot zijn Meester en een onbeperkt vertrouwen in zijn macht), toch een spreekbuis werd van de Satan - zie Matth. 16 : 21-23. Ik ken verschillende geestelijk hoogstaande gelovigen, die over goed ontwikkelde telepathische vermogens beschikken. Zo wist een zuster, midden in de nacht wakker geworden, ogenblikkelijk dat haar man in doodsgevaar verkeerde in een kolenmijn en ging direct voor hem bidden. Haar man bleek inderdaad op het aangegeven uur ternauwernood aan de dood ontsnapt te zijn. Deze christenen, deelden mij echter mee, zich niet bewust op dit terrein te willen begeven. De zuster zei me: 'Ik heb bemerkt dat ik daarmee de vrede en blijdschap van mijn geloof en de gemeenschap met de Heer zou verstoren'. Laten we ons, nu de onzienlijke wereld zo verontreinigd is door boze machten, strikt beperken tot die bovennatuurlijke verbinding, die beschermd en geheiligd is door de Heilige Geest. D.w.z. tot het 'bidden in de Geest' (niet: 'tot de Geest'!!!), genoemd in Ef. 6 : 18 en Judas vs. 20, en het biddend en luisterend lezen van de Heilige Schrift.

 

b. Magnetisme, telekinese etc. etc.

Precies dezelfde overwegingen gelden voor alle andere vormen van occulte geneeswijzen. Sommige christenen beoefenen de 'magnetiserende geneeskunst' met een verwijzing naar de 'gave van gezondmaking'. Nauwkeurige studie van de wijze waarop deze gave in de aanvang van het christelijk getuigenis werd toegepast, maakt duidelijk dat:

- ieder geval van een genezing als een afzonderlijke gave werd gezien. Let op het meervoud in 1 Kor. 12: 28.

- in de gevallen die de Schrift ons noemt, de betreffende individuele gave van gezondmaking steeds diende ter bevestiging van het evangelie. Paulus gebruikte een dergelijke gave niet voor genezing van Trofimus, TimotheŁs of Epafroditus.

- de genezingen werden niet bewerkt door magnetische strijkages, wegwerp- en afschudgebaren van de predikers.

- de genezing geschiedde ogenblikkelijk, er waren geen herhaalde bezoeken nodig.

- het uitoefenen van de gaven van gezondmaking was bij hen geen 'full time' beroepsbezigheid en geschiedde geheel gratis.

 

c. Aanroeping van niet aardse machten.

Wonderlijke genezingen komen voor in Lourdes op het aanroepen van 'de Heilige Maagd', maar ook bij heidenen op het aanroepen van demonische machten, ook bij spiritisten, ook bij Rozekruisers op het in meditatie aanroepen van de 'Bron van het Licht' enz. enz. In al dergelijke gevallen hebben we te doen met zaken die, hoewel bovennatuurlijk, toch niet uit God zijn. Een 'gebedsgenezer' in een opwekkingsbeweging, die er een gewoonte van maakte om alle ziekten als een vorm van 'occulte belasting' te betitelen en dus op hetzelfde vlak te plaatsen als demonische bezetenheid ... en die niet aarzelt dan ook bij alle gevallen die tot hem komen de handoplegging toe te passen, is niet alleen een geestelijke kwakzalver, maar ook een groot gevaar. Er komen nl. ook werkelijk bezeten of occult belaste personen bij hem. Door hen de handen op te leggen maakt hij zich in zijn blindheid ťťn met de boze macht die met de betreffende persoon verbonden is EN HEEFT ZICH DAARMEE EEN KANAAL VOOR HET OCCULTE GEMAAKT, al predikt hij nog zo duidelijk het evangelie! Zie in dit verband de waarschuwing in 1 Tim. 5: 22. Er is in de Schrift geen enkel voorbeeld van een handoplegging bij iemand die occult belast was, zolang de occulte belasting nog niet was weggenomen. Hoe zou het ook kunnen - men legt occulte machten toch niet de handen op als een bewijs van gemeenschap! Men schuwe geestelijk verblinden, die zulke praktijken uitoefenen; ze zijn een groot gevaar. Ik maakte mensen mee, die met zware depressie-aanvallen bij me kwamen, nadat ze op die manier van een lichamelijke kwaal werden afgeholpen.

 

Een christen behoeft geen menselijke bemiddeling.

Laten we het volgende goed voor ogen houden.

 

a. Bemiddeling in geestelijke dienst was kenmerkend voor 't Jodendom.

De IsraŽliet kon in verschillende zaken niet rechtstreeks tot God naderen.

Hij had dan volgens de wet van Mozes de bemiddeling nodig van een priester, die tussen God en het volk stond. Een IsraŽliet zou het ook niet wagen over God de Vader als zijn persoonlijke Vader te spreken, uit wie hij was geboren. (Wel erkende hij in de oneigenlijke zin van het woord, zoals we die ook in Gen. 4: 21-22 aantreffen, God als de 'Vaderí van IsraŽl).

 

b. Rechtstreekse toegang tot de Vader en in het heiligdom.

De Heer Jezus onderwees zijn discipelen al, dat zij een rechtstreekse toegang hadden tot de Vader - zie Joh. 16 : 27. Wie meent in geval van ziekte met natuurlijke middelen niet geholpen te kunnen worden en een 'boven-natuurlijke' hulp te moeten zoeken, heeft daarbij geen mens nodig, geen bemiddeling: 'De Vader Zelf heeft u liefí. Ik spreek hier natuurlijk over hen, die de Here Jezus, de enige middelaar tussen God en mensen, als Here en Verlosser hebben aangenomen, De Heer Jezus Zelf wijst ons dan de rechtstreekse weg naar de Vader. Daarenboven mogen we rechtstreeks toegaan tot de troon van de genade, om genade te vinden tot tijdige hulp.

 

Laten we daarom ons verre houden van occulte bemiddeling van welke aard ook. We kunnen de Schepper dankbaar zijn voor de suggestieve kracht die van een gezonde geest kan uitgaan op ons lichaam, we mogen dankbaar gebruik maken van de geneeskrachtige middelen, die Hij ons in zijn schepping heeft voorzien en van de vindingrijkheid die Hij in de menselijke geest heeft gelegd, ook als het gaat om bewonderenswaardig geraffineerde operaties - en we hebben een geheiligde, een heilige en veilige 'bovennatuurlijke weg' die we in het geloof mogen bewandelen!

 


 

Literatuuropgave

R. G. Gibson et alii, Salicylates and Homoeopathy in Rheumatoid Arthritis: Preliminary Observations- Br. J. clin. Pharmac. (1978), 6, 391-395

R. Plooy, Homoeopathie: Bijbel & Wetenschap 22 (1978) p. 8vv.

W. J. Ouweneel, Het domein van de slang, Amsterdam 1978

W. J. Ouweneel, Okkultismus und ÷stliche Mystik, Amtzell/Ailgšu 1985