FinanciŽle grondbeginselen in de bijbel

Harold G. Mackay

 

Wat leert de Schrift over het onderhouden van het werk van de Heer en Zijn arbeiders?

(1)

 

In de groeiende economie van deze twintigste eeuw wordt de financiŽle kant van het leven hoe langer hoe complexer. We leven in het tijdperk van de computer. En dit is net zo goed waar op het religieuze als op het huiselijke en zakelijke levensterrein. In de geschiedenis van het christendom zijn nog nooit zulke enorme geldbedragen in religieuze aktiviteiten gestoken als nu. Zelfs wanneer we ons beperken tot die christelijke aktiviteiten die evangelisch en schriftgetrouw zijn, zijn de jaarlijkse uitgaven die daar mee gemoeid zijn enorm. Hoe moet dit geld opgebracht worden? Waar moet het vandaan komen? Welke methodes zou men moeten hanteren om het werk van de Heer over de hele wereld te onderhouden? Voor de christen die de genoegzaamheid van de geÔnspireerde Schriften erkent, moet er in het Woord van God een bevredigend antwoord staan (2 Tim. 3 : 16,17). Welke bijbelse principes zijn als richtsnoer gegeven voor het onderhouden van het werk van de Heer en zijn arbeiders? Laten we er in het Woord eens naar zoeken.

 

Het geven van tienden in de tijd van de aartsvaders

De eerste verwijzing naar het onderwerp is, denk ik, het geven van tienden door Abraham aan Melchizedek, 'priester van God, de Allerhoogste' (Gen. 14: 20; Hebr. 7: 1-4). Dit was meer dan 400 jaar voor de wetgeving op de SinaÔ wat laat zien dat het geven van tienden (evenals de sabbat en de doodstraf) niet een zuiver MozaÔsche aangelegenheid is. Abrahams kleinzoon, Jakob, beloofde de Here de tienden van alles wat hij zou ontvangen (Gen. 28 : 22). Dat werpt de interessante vraag op aan wie hij deze tienden zou geven als hij zijn belofte hield. Zouden we uit deze gegevens terecht kunnen afleiden dat God reeds in het begin had geopenbaard dat de tienden Hem toebehoorden? Er zijn kennelijk verordeningen en wetten aan de aartsvaders gegeven die niet zijn opgenomen in de geÔnspireerde Schrift: 'Omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten'. (Gen. 26: 5).

 

Voorschriften in de MozaÔsche bedeling

De IsraŽlieten vormden als volk een theocratie met God als wetgever. Aan hen werd gezegd dat de tienden aan God toebehoorden (Lev. 27: 30-32).

Deze tienden moesten worden gebruikt voor het levensonderhoud van de Levieten die dienst deden in de tabernakel (Num. 18:21,24; Deut. 26:12). De Levieten kregen ook 48 steden met hun onderhorige plaatsen als woonplaats (Num. 35:1-8; Joz. 14:3-5; 21:1-42). De priesters kregen een precies omschreven deel van bepaalde offers als voedsel (Lev. 2:3,10; 5:13; 6:16-18, 26-29; 7:8-10, 31-36; Num. 18:8-20). Het bouwen van de tabernakel en de tempel werd gefinancierd met de vrijwillige bijdragen van de IsraŽlieten. (Ex. 35:4-9; 36:7; 1 Kron. 29:l-9,16). Het onderhoud en de renovatie van beide bouwwerken werd mogelijk gemaakt door een hoofdelijke belasting ter hoogte van een halve sikkel, van iedereen van twintig jaar en ouder (Ex. 30:12-16; 2 Kron. 24:6-14). Hoewel Abraham (Gen. 20:7), Ašron (Ex. 7:1) en Mozes (Deut. 18:15; 34:10) profeten genoemd worden, lijkt de profetendienst toch niet eerder nationaal in aanzien te zijn gekomen dan ten tijde van SamuŽl en later (1 Sam. 3:20; Hand. 3:24; 13:20). Vanaf dan spelen de profeten een belangrijke rol in het leven van het volk, omdat aan hen de taak gegeven was van vermaning, hervorming en openbaring van de toekomst van het volk. Zover ik weet spreekt de Schrift nergens over een specifieke voorziening voor het onderhouden van deze profetendienst, zoals dat het geval was bij de priesters en de levieten. Kennelijk werd hun gastvrijheid verleend door enkelingen als ze in hun dienst rondreisden (2 Kon. 4:8-10), en men zou uit 1 Sam. 9:5-9 kunnen opmaken dat het de gewoonte was om in hun behoeften te voorzien door geld, eten en goederen te geven.

De financiŽle grondbeginselen die uit deze oudtestamentische gegevens naar voren komen, zijn:
1. Het werk van de Heer werd onderhouden door het volk van God.
2. Men onderhield degenen die de Heer dienden door middel van verplichte bijdragen (tienden) en vrijwillige gaven.
3. Getrouwheid inzake de tienden bracht Gods zegen (Spr. 3:9,10; Mal. 3:10); ontrouw werd openlijk veroordeeld als beroven van God (Mal. 3:8,9).

Als argument tegen het eerstgenoemde beginsel verwijst men soms naar het feit dat de IsraŽlieten van de Egyptenaren 'leenden' voordat ze hun land verlieten (Ex. 11:2,3; 12:35,36), en dat de Perzische koningen, Kores en Darius, een steentje bijdroegen aan de herbouw van de tempel in Jeruzalem (Ezra 6:4,8,9). Maar in het eerste geval was het gewoon een 'vragen' (dit is een betere vertaling dan 'lenen') door de IsraŽlieten om hun Ďachterstallig loon' na vele jaren dienstbaarheid aan de Farao en zijn volk (Ex. 1:7-14). In het tweede geval betaalden de Perzische koningen kleine schadeloosstellingen voor de verwoesting van de tempel, de plundering van Jeruzalem en de verwoesting van het land van IsraŽl door de heidense binnendringers (2 Kron. 36:17-20).

 

Voorzieningen tijdens het leven van de Heer op aarde

Als we ons nu tot het Nieuwe Testament wenden, vinden we dat de Heer nauwgezet voldoet aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van het tempelonderhoud (Matth. 17:24-27). Toen Hij, rondreizend, zijn dienst vervulde, maakten Hij en zijn discipelen gebruik van de gastvrijheid van degenen die hen thuis ontvingen (Matth. 26:6; Luk. 7:36; Joh. 2:2; 12:1,2). Vrienden dienden Hem met hun bezit (Luk. 8:3). Het gekregen geld werd bewaard in een gemeenschappelijke beurs (Joh. 12:6; 13:29). Zowel toen Hij de twaalf als toen Hij de zeventig uitzond, droeg Hij hun op vrijwel dezelfde procedure te volgen (Matth. 10:9-14; Luk. 10:1-8).

Het boek Handelingen is het geÔnspireerde zendingshandboek van de Kerk, dat verhaalt over de opmars van het christendom, de verbreiding van het evangelie en de stichting van plaatselijke gemeenten tijdens de dertig jaren die volgden op de pinksterdag.

Het is de vraag of er wel ooit een periode is geweest met zo'n voortgang in de verspreiding van de waarheid (vgl. Kol. 1:6,23). Dat in aanmerking nemend, kan het verbazing wekken, dat twee elementen duidelijk afwezig zijn, terwijl ze tegenwoordig een opvallende plaats innemen in veel zendingsinspanningen: smeekbeden om arbeiders en om geld. Er wordt in de Handelingen heel weinig gezegd over financiŽn, hoewel de vele reizen en de uitgebreide werkzaamheden van Paulus en zijn medewerkers aanzienlijke bedragen moeten hebben gevergd.

Hoogstwaarschijnlijk zullen de kosten uit de eerste eeuw op geen enkele wijze die uit de twintigste eeuw benaderen, maar daar staat tegenover dat dat met de inkomens en het aantal christenen en plaatselijke gemeenten ook niet het geval is. De geÔnspireerde historicus beperkt zijn verwijzing naar materiŽle voorzieningen echter tot een terloopse vermelding van hun gastheer in Jeruzalem (21:16), tot de vriendelijkheid van de heidense mensen op Malta voor de groep reizigers die op weg naar Rome schipbreuk had geleden (28:1,2), en tot het feit dat Paulus zo nu en dan zijn ambacht uitoefende om in zijn eigen levensonderhoud en in dat van zijn metgezellen te voorzien (18:3; 20:33-35). Paulus' verblijfplaats tijdens de twee jaren in Rome wordt beschreven als 'zijn eigen huurwoning' (28: 30).

Voor meer informatie over het onderhouden van het werk van de Heer en zijn arbeiders in de eerste eeuw moeten we ons tot de brieven wenden. Van de vijf schrijvers van de nieuwtestamentische Brieven snijden Jakobus en Judas dit onderwerp niet aan. Petrus beperkt zijn opmerkingen tot een aansporing tot gastvrijheid (1 Petr. 4:9) en een waarschuwing voor de oudsten om in hun dienst voor de kudde van de Heer niet gedreven te worden door schandelijke winzucht (1 Petr. 5:2). Johannes vermeldt deze zaak slechts ťťn keer in zijn drie brieven, namelijk in zijn derde brief (vs. 5-8), waar hij Gaius prijst om de hulp die hij verleent aan reizende dienstknechten van Christus die zijn uitgegaan 'voor de Naam, zonder iets aan te nemen van hen die tot de volken behoren'. Het is wel eens betwijfeld of dit voor die dienstknechten van de Heer zou betekenen dat ze geen financiŽle hulp van de wereld zouden moeten accepteren, maar volgens zorgvuldige uitleggers als Darby, Grant, Ironside, Gaebelein, A.T. Robertson, Griffith Thomas, Alford en anderen moet dit de betekenis zijn. Omdat Petrus, Jakobus, Johannes en Judas zo weinig informatie geven, is het aan Paulus, de grootste van de zendingsevangelisten, om ons met zijn geÔnspireerde Brieven wat meer licht te verschaffen.

Het grootste deel van onze kennis over het financiŽle beleid en de uitvoering ervan van de vroege Kerk moet bijeenverzameld worden uit de brieven van de apostel Paulus.

De schaarste van de beschikbare informatie zou erop kunnen duiden dat de grootste nadruk in de apostolische tijd lag op het geestelijke en niet op het materiŽle aspect van het werk. Behalve wat verwijzingen, verspreid over zijn brieven, wijdt Paulus slechts drie van de honderd hoofdstukken in zijn brieven aan het onderwerp waar we het nu over hebben (1 Kor. 9; 2 Kor. 8,9). Niettemin zal een naarstig onderzoek enkele interessante en leerzame gegevens opleveren over de financiering van het werk van de Heer in de eerste eeuw. Voor de duidelijkheid zullen we de gegevens beschouwen in de volgende verdeling: Paulus' voorbeeld, Paulus' ervaringen, Paulus' aansporingen en Paulus' uitleg.

 

 

Dit artikel is, met kleine wijzigingen, overgenomen uit 'Missions' van juli 1984; het is eerder gepubliceerd in het november-nummer van ĎFields' 1966.