VAN EEN SCHAT EN EEN SLEEPNET

(2)

W.J. OUWENEEL

 

In het vorige artikel is de uitleg van F.W. Grant inzake de vijfde en zesde gelijkenis uit MattheŁs 13 vergeleken met de uitslag van J.N. Darby.

 

Na ampele overweging kies ik een positie tussen Darby en Grant in, zij het dat mijn positie duidelijk dichter bij die van Darby ligt. Uiteraard wil ik proberen mijn eigen standpunt zo bescheiden mogelijk te formuleren. Het betreft immers een onderwerp waarover zelfs zeer onderlegde broeders het niet eens zijn geworden, zodat grote voorzichtigheid geboden is. Als hier dan ook geprobeerd wordt een eigen positie onder woorden te brengen, moet dat niet als het eind van alle tegenspraak worden beschouwd, maar als een bescheiden bijdrage tot de gedachtenwisseling, ter overweging van mijn broeders.

Wat Darby's standpunt betreft, hecht ik vooral waarde aan zijn eerste argument over de eenheid van de gelijkenissen: het gaat steeds over het ťne koninkrijk en over die ťne groep 'zonen van het koninkrijk' (vs. 38). Het gaat bijv. in de derde en vierde gelijkenis om precies dezelfde personen hoe verschillend die gelijkenissen ook zijn en zo moet het ook in de vijfde en zesde gelijkenis zijn. Maar zijn tweede argument (b) vind ik zwakker: inderdaad heeft de uitdrukking 'koninkrijk der hemelen' in Matth. 13 nooit betrekking op het toekomstige vrederijk van de Zoon des mensen, maar desondanks zijn toch wel Šlle gelovigen van vůůr het vrederijk, dus ůůk uit de grote verdrukking, 'zonen van het koninkrijk (der hemelen)'. Ik denk dus mťt Darby en Kelly dat de schat, de parel van de goede vissen steeds op ťťn en dezelfde groep betrekking hebben. Maar in tegenstelling tot hen zou ik die ene groep niet al te vlot als (uitsluitend) 'de Gemeente' aanduiden. De Gemeente komt pas in Matth. 16 in het vizier; hier in hst. 13 gaat het uitdrukkelijk over de 'zonen van het koninkrijk', en dat is een ruimer begrip dan de Gemeente. Binnen dat begrip is ook ruimte voor de gelovigen uit IsraŽl en de volken tijdens de Grote Verdrukking. (Let wel: dit is heel iets anders dan wat Grant wil, die van de schat, de parel en de goede vissen drie verschillende categorieŽn maakt. Hoogstens wil ik toegeven dat in de parel wel heel duidelijk de Gemeente op de voorgrond treedt in haar eenheid en heerlijkheid. Maar het gaat mij dan weer te ver om, zoals Kelly doet, te stellen dat de parel heenwijst naar het hemelse karakter van de Gemeente; als we zo spreken, lopen we op Gods openbaring vooruit).

Ik wil nu graag concreter op de argumenten van Grant ingaan en volg daarbij zijn zes argumenten stuk voor stuk (zie het vorige artikel):

 

(1) Het contrast tussen de hemelse Gemeente (de parel) en het aardse volk IsraŽl (de schat) is, zoals zojuist aangegeven, in dit verband niet aan de orde. De vermelding van de akker (= de wereld) is geen probleem, want de 'zonen van het koninkrijk' bevinden zich thans nog op aarde, verborgen in deze wereld.

(2) IsraŽls verwerping na de komst van de Messias was in zekere zin wel een verborgenheid (zie echter bijv. Micha 4:14 - 5:2; Jes. 8 : 14-18; Zach. 11 : 7-14), maar daarom nog niet een 'verborgenheid van het koninkrijk der hemelen'; deze verwerping gaat veeleer aan de geschiedenis van het koninkrijk der hemelen vooraf en de geschiedenis van IsraŽls verworpen-zijn staat los van en loopt parallel met deze geschiedenis van het koninkrijk.

(3) De vertaling 'bijzondere schat' in de Engelse Bijbel kan niet dienen om het woord 'schat' in de gelijkenis op IsraŽl toe te passen aangezien het Hebreeuwse woord veeleer 'eigendom' betekent (zie de Nederlandse en de Darby-vertalingen).

(4) Juist het feit dat Christus tot 'het zijne' kwam (Joh. 1 : 11) laat al zien dat Hij de schat niet hoefde te kopen, want deze behoorde Hem al toe. Hij moest de gelovigen uit IsraŽl wel verlossen van hun zonden (Matth. 1 : 21), maar dat 'terugkopen' uit de macht van de zonde is niet hetzelfde als door koop verwerven wat Hem voordien nog niet toebehoorde. Bovendien verbindt Grant 'verstrooid' (onder de volken) te vlot met 'verborgen' (in de akker); IsraŽl was in de dagen van de Heer in het geheel niet verborgen. Maar de Gemeente was dat zoveel te meer! Dat is juist het mooie van de gelijkenis: er is nu niet sprake van zaaien en oogsten om daardoor de Gemeente te vormen, maar van een schat die, voor Gods oog, van het begin af al in de akker aanwezig was. Toen niemand die schat nog zag, kon deze door Christus, en door Hem alleen, ontdekt worden. Hier ligt ook een verschil met de parel: de schat wordt ('bij toeval') gevonden, de parel wordt (doelbewust) gezocht. Bij de parel gaat het om de Gemeente waarmee Christus van voor de grondlegging der wereld bekend was en die Hij bewust op aarde kwam zoeken. Bij de schat gaat het om de Gemeente als datgene wat Hij op als 'verrassing' aantreft nadat IsraŽl Hem verworpen heeft.

(5) Er is geen sprake van in de Schrift dat Christus ooit de hele wereld zou moeten kopen om daardoor IsraŽl te kunnen verwerven; het was reeds het zijne, geheel onafhankelijk van de rest van de wereld. Bij de Gemeente is dat echter geheel anders; zij wordt juist bijeengebracht uit de hele wereld, uit alle volken. De Vader gaf de Zoon macht over alle vlees, opdat de Zoon aan sommigen van hen het eeuwige leven zou schenken (Joh. 17 : 2).

(6) Het vandaag nog steeds verborgen zijn van de schat in de akker kan even goed op de Gemeente worden toegepast. Zij is vandaag nog 'verborgen' in deze wereld. Dat heeft niets te maken met de onbijbelse idee van een of andere 'onzichtbare kerk', maar met het feit dat de heerlijkheid van de Gemeente (haar kostbaarheid als schat) in deze wereld nog niet aan het licht is gebracht.

 

Samenvattend wijs ik nog op de drie verschillen die er minstens tussen de schat en de parel bestaan:

(1) de schat wordt gevonden en de parel gezocht; het eerste heeft te maken met de wegen, het tweede met raadsbesluiten van God;

(2) de schat is een verzameling van vele verschillende kostbaarheden, de parel is ťťn enkele kostbaarheid; het eerste heeft te maken met de kostbaarheid van de gelovigen afzonderlijk, het tweede met de kostbaarheid van de Gemeente als geheel;

(3) bij de schat ligt meer de nadruk op haar plaats in de wereld, bij de parel meer op wat zij voor de koopman betekent.