OVER ORDE EN TUCHT EN DE ONDERLINGE VERHOUDING VAN DE VERGADERINGEN

(4)

J.G. FIJNVANDRAAT

 

In de voorgaande artikelen is betoogd, dat er één gemeente op aarde is, en dat plaatselijke gemeenten dan ook niet onafhankelijk van elkaar kunnen zijn. De orde in Gods huis is een zaak van de hele Gemeente. Men brengt daar wel tegenin dat er nergens in de Schrift een voorbeeld te vinden is van bemoeienis van de ene plaatselijke gemeente met de andere. Dat is echter ten eerste een heel oppervlakkig argument, maar ook blijkt er bij nauwkeurig onderzoek van het boek Handelingen wel degelijk een onderlinge verbondenheid van de gemeenten te bestaan.

 

De oppervlakkigheid van het argument

Er is inderdaad geen voorbeeld van te vinden, dat de Gemeente in de ene plaats de verbinding met die in een andere plaats heeft verbroken, nadat ze zich een oordeel over de toestand daar ter plaatse had gevormd. We vinden echter evenmin een voorbeeld van een scheuring in een plaatselijke gemeente en missen dus direkte aanwijzingen wat er in zo'n geval gebeuren moet.

Ook is er geen voorbeeld van dat een Gemeente het kwaad, dat in haar midden gevonden werd niet wilde oordelen. Wat er dan gebeuren moet is ons evenmin in direkte zin voorgeschreven.

In mijn boek 'De Gemeente, haar ontstaan, bestaan en voortbestaan' heb ik een bepaalde perikoop voorzien van het kopje: 'En als de Korinthiërs nu eens niet…' Die mogelijkheid van toen is de realiteit van later geworden. In de praktijk hebben we namelijk met scheuringen te doen gekregen, en eveneens met verwording van geloofsgemeenschappen, zowel plaatselijk als op grotere schaal.

We worden dus gedwongen te kiezen of een houding te bepalen, of we willen of niet. Doen alsof je neus bloedt, is net zo goed een houding bepalen of positie innemen als het je uitspreken vóór de een en tegen de ander, of als het doorsnijden van de praktische band van gemeenschap. Trouwens, in de meeste gevallen zal dan de praktijk sterker blijken te zijn dan de leer en mijdt men een dergelijke plaatselijke geloofsgemeenschap, zonder echter publiekelijk zijn standpunt bekend te maken.

De realiteit plaatst ons dus voor het feit, dat we een houding hebben te bepalen, en we kunnen twee dingen doen:

- ons verschuilen achter het argument 'er is geen voorbeeld van dat de ene Gemeente de band met de andere verbroken heeft, en dus handhaven wij het kontakt met iedereen'.

- ons afvragen of Gods Woord ons voor de situatie waarin de realiteit ons geplaatst heeft beginselen aanreikt die ons aangeven wat we te doen hebben.

Welnu, de Schrift gééft ons deze richtlijnen. God heeft ons beslist niet in het ongewisse gelaten. Daartoe moeten we de lessen ter harte nemen, die het boek Handelingen ons geeft. Voor we dat nagaan willen we eerst het argument bespreken, dat men aan Openb. 2 en 3 ontleent om er de leer van de gemeentelijke onafhankelijkheid mee te verdedigen.

Een argument op grond van stilzwijgendheid?

Hierboven stelde ik, dat we in de Bijbel geen direkte voorschriften vinden hoe er gehandeld moet worden als een gemeente in een bepaalde plaats het kwaad in haar midden niet wil oordelen. Zij die de gemeentelijke onafhankelijkheid voorstaan, wijzen er echter op, dat zich wel degelijk het geval heeft voorgedaan, dat een gemeente in een bepaalde plaats door kwaad is verontreinigd. Men wijst daarbij op de toestand in de gemeente te Thyatira zoals die in Openb. 2 : 19-23 wordt beschreven.

Men brengt dan naar voren, dat als gemeenten verantwoordelijkheid voor elkaar hebben, we hier toch een aanwijzing hadden moeten krijgen dat bijv. Filadelfia zich van Thyatira moest scheiden. Een dergelijke aanwijzing krijgen we echter niet, en dus hebben we hier met 'een argument uit stilzwijgendheid' te maken, dat de gemeente in de ene plaats niet verantwoordelijk is voor de toestand van een gemeente in een andere plaats.

Ook dit argument snijdt echter geen hout. Met hetzelfde argument namelijk kan men het wegdoen van een boze uit een plaatselijke gemeente als onschriftuurlijk verklaren. In de brief aan de gemeente te Pergamus wordt namelijk wel het euvel aangewezen, dat er waren, die de leer van Bileam vasthielden, maar er wordt niet bijgezegd, dat de gemeente deze dwaalgeesten moest uitsluiten.

Hetzelfde geldt van hen die de leer van de Nicolaïeten huidigen. De Heer roept deze gemeente alleen op zich te bekeren, maar geeft geen enkele aanwijzing voor een tuchthandeling. Met het genoemde argument zou men dus de tucht die Paulus voorschrijft om de boze uit het midden weg te doen, voor onjuist kunnen verklaren. De kwestie is eenvoudig, dat de brieven aan de zeven gemeenten van een ander karakter zijn dan de brieven van Paulus en die van de andere apostelen. Deze laatste zijn leerstellige en herderlijke brieven; in Openb. 2 en 3 hebben we echter met speciale brieven te doen. Hoewel deze brieven uitgaan van de toestand zoals die in de diverse gemeenten bestond, is de bedoeling ervan niet aan die plaatselijke gemeenten een bepaalde leer voor te houden maar er profetisch mee aan te geven hoe de Gemeente zich zou ontwikkelen en wat de Heer in de toekomst doen zou.