EVENWICHTIG CHRISTENDOM

(5)

H.P. MEDEMA

 

Innerlijk en uiterlijk

Wij kennen allemaal op z’n minst een aantal broeders en zusters van de plaatselijke kring van gelovigen, en zij kennen ons. We ontmoeten hen in de samenkomsten, we groeten hen als we ze op straat tegenkomen, en menigmaal komen we bij elkaar aan huis. Wij kennen hen, en zij kennen ons. Maar is dat eigenlijk wel zo? Kénnen wij hen wel echt? En kennen zij óns wel echt?

Wij komen de samenkomst binnen, en onze medegelovigen zien ons, en denken: ah, daar heb je broeder P, of zuster Q. Goeie broeder! Fijne zuster! Waar ze lang niet zo'n compleet beeld van hebben, dat is van al datgene wat binnenin ons verborgen is, en wat we zelf alleen weten. Want wij kennen onszelf heel wat beter dan zij ons kennen. Er is een 'innerlijke mens' die voor de buitenstaander nooit helemaal zichtbaar is. En tenslotte kennen wij ook onszelf nog niet eens echt. Alleen God doorgrondt ons tot op de bodem, en weet wie we echt zijn.

Zo is er dus niet maar één broeder P, en één zuster Q, maar we moeten (nog even helemaal afgezien van het bijbelse onderscheid tussen de oude en nieuwe natuur) minstens drie verschillende personen onderscheiden:

(1) broeder P en zuster Q zoals ze bekend zijn bij hun medegelovigen, die niet veel verder kunnen kijken dan de buitenkant;

(2) vervolgens is er een broeder P en een zuster Q zoals ze zichzelf kennen (en dat beeld kan aanmerkelijk verschillen!);

(3) en tenslotte is er een derde broeder P. en een derde zuster Q: zoals de Heer hen kent, zoals ze echt, wezenlijk, voor Gods aangezicht zijn.

 

Christendom: een zaak van het hart

Het Nieuwe Testament zegt ons met grote nadruk dat waar christendom een zaak is van het hart. De vraag of iemand een christen is, wordt niet bepaald door uiterlijke kentekenen. Net zo min als je van een bakfiets een Rolls Royce kunt maken door hem in een prachtige carport of garage te zetten, maak je van een mens een christen door hem in de kerk te zetten. Wedergeboorte is het noodzakelijke vereiste om het Koninkrijk van God binnen te gaan, zo legt de Heer Jezus aan Nicodémus uit (Joh. 3).

Aan mensen die aan alle uiterlijke kentekenen voldoen die behoren bij het volk van God, heeft Paulus aan het slot van Romeinen 2 iets te zeggen. Al die religieuze voorrechten, hoe waardevol ook op zichzelf, tellen voor Gods aangezicht niet mee, als er niet ten eerste in de praktijk gehandeld wordt naar de inzichten die men bezit, en als er niet ten tweede een innerlijke realiteit is die met de uiterlijke vorm parallel loopt. En dan schetst de apostel in enkele woorden een 'plaatje' van echt christendom: 'Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is' in het vlees, maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en dat is besnijdenis: die van het hart, naar de geest, niet naar de letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God' (Rom. 2 : 28, 29).

Heel beknopt geeft de apostel, al wat vooruitlopend op de rest van zijn brief, ons daarmee een schets van waar christendom:

(1) christen-zijn berust in diepste wezen niet op uiterlijke, maar op innerlijke kentekenen;

(2) een christen draagt in zijn hart een 'besnijdenis' mee: het teken van het kruis (daar oefende God het oordeel uit over het boze vlees) staat in zijn hart gegrift (vgl. 8 : 3);

(3) een christen is een ware God-lover; hij kan God verheerlijken wegens de hem bewezen barmhartigheid (15 : 9), in God roemen (5 : 11), Gods liefde prijzen (8 : 31-39);

(4) een christen ontvangt lof (niet van mensen, maar:) van God;

(a) de kern van deze brief is dat God goede dingen kan zeggen van hen die met Christus verbonden zijn; zij worden door Hem 'gerechtvaardigd': openlijk spreekt Hij van hen uit dat ze rechtvaardig zijn;

(b) bovendien begint deze brief met een hele catalogus van zonden, maar eindigt in hoofdstuk 16 met de beschrijving van een gezelschap, van wie God allerlei goede dingen in hun leven kan opmerken. Zo zal straks voor de rechterstoel van Christus élk zijn lof hebben van God (1 Kor. 4 : 5).

 

Ik verlustig mij in de wet van God naar de innerlijke mens

'Het komt niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan' (1 Sam. 15 : 7). Met die woorden had de Heer zijn knecht Samuël al eens ernstig gewaarschuwd zich niet te oriënteren op de buitenkant. Het innerlijke gehalte telt voor God. En zulke innerlijke kwaliteiten heeft een mens van nature niet in zich. Daarvoor is, nogmaals gezegd, leven uit God nodig, wedergeboorte. Met de wedergeboorte ontstaat er een 'innerlijke mens', die zich, zoals de apostel Paulus in Rom. 7 : 22 zegt, 'verlustigt in de wet van God', die er plezier in heeft de normen van God te kennen en zich daaraan te conformeren.

Dit levert dan wel een geweldige strijd op. Daarover spreekt Rom. 7. Want 'het vlees onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet' (Rom. 8 : 7). En dat betekent oorlog! Wie is er de baas in ons hart en in ons leven? De strijd wordt pas beslist als we ontdekken dat God met 'het vlees' eens en voorgoed al hééft afgerekend op het kruis van de Heer Jezus Christus. Zodra we dat beseffen en in het geloof aangrijpen, geven we 'de innerlijke mens' vrij baan.

 

De innerlijke mens … van dag tot dag vernieuwd

Maar die innerlijke mens - je zou haast zeggen: de gestalte van de Heer Jezus die zich in ons gaat vormen (vgl. Gal. 2 : 20; 4 : 19) - die voor God waarde heeft, ontmoet niet alléén het probleem van de tegenwerking van de zonde. Er zijn ook allerlei omstandigheden die van buiten op ons afkomen, en die het ons moeilijk maken. Ook daarvan wist de apostel Paulus mee te praten: verdrukt, geen uitweg ziende, vervolgd, neergeworpen, droeg hij 'altijd het sterven van Jezus in het lichaam om' (2 Kor. 4 : 10). Als je keek naar wat er bij hem zichtbaar was, zag het er somber uit. In zijn lichamelijk bestaan had hij heel wat ellende te verduren en moest hij leven onder de geweldige druk van de omstandigheden. Van buitenaf bekeken zou je zeggen: de dood is in hem aan het werk. Maar van binnen bruiste het van leven! De uiterlijke mens van Paulus (en van alle apostelen; hij spreekt in het meervoud) raakte in verval door de druk van buitenaf. Maar de innerlijke mens werd van dag tot dag vernieuwd. Er was een constant vernieuwingsproces gaande, dat de apostel reeds in vers 18 van het vorige hoofdstuk omschreef. 'Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest'. Ook de druk van de omstandigheden hoeft het vormende werk van de Heilige Geest in ons niet tot stilstand te brengen; integendeel, de Geest weet het tot onze vorming te gebruiken.

 

… met kracht gesterkt naar de innerlijke mens

Er is nog een ander gevaar dat de ontwikkeling van de 'innerlijke mens' bedreigt. De vijand van de zielen zit niet stil. Hij brengt al zijn stoottroepen bij elkaar om ons het praktische genot van de zegeningen, die wij in de Heer Jezus bezitten, te ontroven. Er is geestelijke kracht voor nodig om in de 'hemelse gewesten' geen terrein prijs te geven aan de geestelijke machten van de boosheid, maar integendeel terrein te winnen.

De apostel Paulus beseft dat, en hij buigt zijn knieën. Hij bidt. En zijn gebed voor de Efeziërs is 'dat Hij naar de rijkdom van zijn heerlijkheid u geeft door zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens, zodat Christus door het geloof in uw harten woont, terwijl u in de liefde geworteld en gegrond bent; opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God' (Ef. 3 : 16-19).

Noch het vlees (Rom. 7 : 22), noch de druk van de omstandigheden (2 Kor. 4 : 16), noch de tegenstand van de vijand en zijn machten (Ef. 3 : 16) is in staat om de Heilige Geest te verhinderen zijn werk te doen. De Geest wil verder werken aan onze innerlijke mens, zó, dat ons hart vol wordt van de dingen van de Heer Jezus.

 

De verborgen mens van het hart

Uit de geciteerde Schriftplaatsen blijkt wel dat het Gods plan is om, als Hij met zijn Heilige Geest aan ons werkt, van binnenuit te beginnen. De Heilige Geest werkt niet zozeer aan een 'face-lift', aan het opknappen van de buitenkant, maar Hij werkt aan de ‘innerlijke mens'. Als wij parallel met Hem willen werken, doen we er dan ook niet verstandig aan het accent allereerst op uiterlijke dingen te leggen. Iemand die voor het eerst in de samenkomsten, op een lezing of op een bijbelkring komt, moet niet allereerst worden aangesproken over de lengte van het haar of de kleding; zo iemand moet veeleer worden opgebouwd in de genade en kennis van onze Heer Jezus Christus. Niet het uiterlijk is het belangrijkste, maar het innerlijk, de 'verborgen mens van het hart'. De versiering van de vrouwen moet bestaan in de verborgen mens van het hart, schrijft Petrus, in de onvergankelijke versiering van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God (1 Petr. 3 : 3, 4). Als God in 'de verborgen mens van het hart' de morele schoonheid van de Heer Jezus kan ontdekken, is dat kostbaar voor Hem.

Toch is het heel frappant, dat juist in dit gedeelte, waarin zoveel nadruk gelegd wordt op het belang van het innerlijk, een dringend vermaan weerklinkt ten aanzien van het uiterlijk. De apostel zegt weliswaar niet dat de vrouwen hun haar niet mogen vlechten en geen sieraden mogen omhangen (want dan zou men het ook zó moeten lezen dat ze geen kleren mogen dragen!!!) maar dat niet dáárin hun versiering moet bestaan, maar in de verborgen mens van het hart. Niettemin is dit toch terdege een waarschuwing die betrekking heeft op een heel praktisch, alledaags levensterrein: de kleding, een heel gewoon uiterlijk aspekt. Houd het maar simpel, zegt Petrus tegen de vrouwen, want je moet je niet versieren voor de ménsen, maar voor Gód. En wil je weten welke versiering God op prijs stelt? Wel, dat is een zachtmoedige en stille geest!

Hoofdbedekking en haardracht

Het Nieuwe Testament legt weliswaar de nadruk op het innerlijk, maar des te belangrijker is het dan aandacht te schenken aan die enkele gedeelten waarin het wél over het uiterlijk gaat. Kennelijk zijn die uitzonderingen zó belangrijk, dat God ze nadrukkelijk noemt. Eén voorbeeld hebben we al gezien: de waarschuwing tegen buitensporige kleding en opsmuk. Een ander voorbeeld is de hoofdbedekking en de haardracht van man en vrouw.

Zonder nu uitvoerig in te gaan op 1 Kor. 11 : 2-16 - dat is al enkele keren uitgebreid in de 'Bode' gedaan - is het toch goed het belang van dit gedeelte te onderstrepen. Het gaat in feite om een scheppingsordening: 'dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus'. Dat is een ordening die helaas momenteel met voeten getreden wordt. De regels die de apostel dan geeft komen hierop neer dat deze ordening van God met nadruk zichtbaar gemaakt moet worden: een man moet bij het bidden of profeteren zijn hoofd niet bedekken, een vrouw juist wél, en lang haar is tot oneer voor een man, maar strekt een vrouw tot eer. De engelen kijken rond in deze schepping om te zien of men met Gods ordeningen rekening houdt, en ze worden teleurgesteld - want in de wereld doet men dat niet. Maar op zijn minst mag je toch verwachten dat er op het terrein van de Gemeente van God wél rekening mee gehouden wordt! En dat is dan ook de reden waarom de apostel deze regels geeft. Zou een vrouw of een man deze scheppingsordening niet evenzeer met het hart (en zelfs in de praktijk) kunnen erkennen zónder het uiterlijke teken ervan? Natuurlijk wel, maar het teken hoort erbij. Het uiterlijk is echt wél belangrijk.

Avondmaal

Toen de Heer Jezus met de Samaritaanse vrouw sprak, maakte Hij haar duidelijk dat er voortaan geen zichtbaar en tastbaar aanbiddingscentrum zou zijn: 'Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid' (Joh. 4 : 2 3).

Toch heeft de Heiland ons ook iets zichtbaars achtergelaten in verband met diezelfde aanbidding. Wij weten immers 'dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam; en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: Dit is mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit zo dikwijls u die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt' (1 Kor. 11 : 23-26).

Kun je nu niet aan de Heer Jezus denken zónder brood te breken? Natuurlijk kan dat wel; gelukkig maar! Maar de Heer Jezus heeft met nadruk dit zichtbare teken gegeven. De Schrift noemt het nergens een 'sacrament', en evenmin is het een genademiddel met een mystieke werking. Maar het is wel iets zichtbaars, waarvan de Heer vraagt: 'Doet dit'. Voor óns is het zichtbaar: als we het brood en de wijn zien en gebruiken worden we weer met nadruk geconfronteerd met de geweldige waarheden die aan het werk van de Heer Jezus verbonden zijn. En voor de ons omringende mensen- en engelenwereld is het eveneens zichtbaar: wij verkondigen op die manier de dood van de Heer, totdat Hij komt.

Doop

De doop is evenmin een 'sacrament', maar het is wel iets uiterlijks, iets zichtbaars. Iedereen kan met eigen ogen waarnemen als er iemand in het 'watergraf' ondergedompeld wordt. De doop is dan ook bij uitstek een openbare zaak. Het is de publieke verkondiging dat je bij de Heer Jezus hoort.

De Heer Jezus Christus in je hart - dát heeft te maken met de innerlijke mens (Ef. 3 : 16). Dat is een geheim tussen ons en God, dat kan geen mens zien. Maar de doop kan wčl ieder mens zien. Het is dan ook, zegt Gal. 3 : 27, te vergelijken met een 'kleed', een soort 'jas' die je aantrekt: 'Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan'. Een kleed kun je onmiddelijk zien; van iemand die zich laat dopen kun je direkt constateren dat hij of zij bij de Heer Jezus wil horen. Kun je dan niet met je hárt in de Heer Jezus geloven, zonder gedoopt te worden? Natuurlijk wel, maar zo hoort het niet. Innerlijk en uiterlijk horen bij elkaar. Wat er van de Heer Jezus in ons hart leeft, mag gezien worden. En het moet gezien worden juist in die gevallen waarin het Nieuwe Testament uitdrukkelijk op een zichtbaar handelen aandringt. Onze verbondenheid met de Heer Jezus en met God in de scheppingsorde mag gezien worden door hoofdbedekking en haardracht. Onze verbondenheid met de Heer Jezus in zijn Gemeente mag gezien worden door de viering van het Avondmaal. En onze verbondenheid met de Heer Jezus als zijn discipelen in zijn koninkrijk mag gezien worden door de doop. Dan gaat het niet alléén om het innerlijk maar ook om het uiterlijk.