VAN EEN SCHAT EN EEN SLEEPNET

(1)

W.J. OUWENEEL

 

I. DE SCHAT IN DE AKKER

Het gebeurt maar heel zelden dat broeders 'in ons midden' elkaars meningen bestrijden in hun geschriften. Dat was in de vorige eeuw al niet anders dan nu. Onlangs stuitte ik echter op een zeldzaam en hoogst belangwekkend geval, waarbij dat wťl is gebeurd. Het betrof dan ook een moeilijke, maar heel belangrijke uitlegkundige kwestie, namelijk de uitleg van de vijfde, zesde en zevende gelijkenis in MattheŁs 13. Om het probleem goed duidelijk te maken kunnen enkele inleidende opmerkingen dienstig zijn.

 

Het MattheŁs-evangelie is het evangelie van de Koning, die verworpen wordt door zijn volk IsraŽl, waardoor het aangekondigde koninkrijk niet publiekelijk kan worden opgericht, maar moet worden uitgesteld tot de wederkomst van Christus. In de tussentijd bestaat het koninkrijk slechts in een verborgen vorm. Dit wordt duidelijk gemaakt in de zeven gelijkenissen van Matth. 13. Christus kondigt daar een nieuw begin in de wegen van God aan: het zaad van het Woord wordt uitgestrooid in de 'akker', dat is de hele wereld (vs. 38). Het 'woord van het koninkrijk' (vs. 19) blijft dus niet langer beperkt tot IsraŽl. De Heer spreekt in gelijkenissen, omdat IsraŽl als geheel niet langer het recht heeft de waarheid van het koninkrijk te kennen (vs. 34, 35). Alleen de discipelen mogen de 'verborgenheden van het koninkrijk der hemelen' (vs. 11) leren kennen; zij krijgen de uitleg van de eerste en tweede gelijkenis te horen, en bovendien worden de vijfde t/m zevende gelijkenis alleen tot hen gesproken.

Bij de 'verborgenheden' van het koninkrijk kunnen we denken aan drie aspecten:

(a) aangezien alle gevolgen van de verwerping van de Messias in het Oude Testament niet voorzien zijn, was ook de aard van het koninkrijk na Christus' verwerping voor de ouden een verborgenheid (vgl. vs. 35b);

(b) een van de eigenaardigheden van het koninkrijk in deze nieuwe vorm is dat de Koning 'verborgen' is (vgl. Kol. 3 : 3); vergelijk het woord 'buitenslands' in Matth. 25 : 15 en zie ook Luk. 19 : 12; ook zijn huidige regering in zijn rijk is dus verborgen: zij is niet openbaar, maar vindt plaats in de harten van zijn discipelen;

(c) maar ook binnen dat koninkrijk bevindt zich nog een 'verborgenheid', en die vinden we in de laatste drie gelijkenissen; de tweede t/m vierde gelijkenis beschrijven meer de uiterlijke vorm die het koninkrijk in de huidige bedeling geleidelijk zou aannemen, en die de weerzin van de Koning opwekt; maar de vijfde t/m zevende gelijkenis onthullen ons de 'verborgen' innerlijke waarde die dat koninkrijk voor de Koning heeft.

 

Men kan de gelijkenissen op (minstens) twee manieren indelen:

 

Eerste manier.

I. Eerste gelijkenis (de zaaier): inleiding. het zaad wordt uitgestrooid in de wereld, maar brengt niet overal vrucht. Er zijn twee soorten halmen: die welke zonder vrucht blijven, en die welke vrucht dragen.

II. Tweede t/m vierde gelijkenis (dolik, mosterdzaad, zuurdeeg): de uiterlijke vorm van het koninkrijk: een hopeloze vermenging van goed en kwaad. Het goede: resp. de gezaaide tarwe, het gezaaide mosterdzaad, de drie maten meel. Het kwade: resp. de dolik, de uit zijn krachten gegroeide mosterdstruik plus de vogels van de hemel, het zuurdeeg.

III. Vijfde t/m zevende gelijkenis (schat, parel, sleepnet): de innerlijke waarde die het koninkrijk voor de Koning heeft: de in de akker verborgen schat, de gezochte en gevonden parel, de goede vissen.

 

Tweede manier.

I. Eerste en tweede gelijkenis (zaaier en dolik): nadruk op de individuele discipelen in het koninkrijk: in beide gelijkenissen zijn dat de afzonderlijke halmen.

II. Derde en vierde gelijkenis (mosterdzaad en zuurdeeg): nadruk op het koninkrijk gezien als geheel: de ene boom, het ene deeg.

III. Vijfde en zesde gelijkenis (schat en parel): nadruk op de Koning van het koninkrijk: zijn vreugde over de ontdekte schat en parel, de prijs die Hij betaalt om die te bezitten.

IV. Zevende gelijkenis (sleepnet): nadruk op de (activiteit van de) dienstknechten van de Koning en op de voleinding van dat Koninkrijk: het oordeel over de boze discipelen van de Koning.

 

Het mag bij de lezers bekend verondersteld worden dat wij de in de christenheid gangbare uitleg van de vijfde en zesde gelijkenis resoluut afwijzen. Volgens die uitleg zou de Ďmens' die de schat en de parel vindt, een beeld zijn van de zondaar die er alles voor over moet hebben om het koninkrijk der hemelen te verwerven. Deze uitleg is sinds Luther algemeen verbreid, maar kan om een aantal redenen geen stand houden:

(1) geen enkele zondaar zoekt van nature het koninkrijk Gods; hij wůrdt veeleer door Christus gezocht en gevonden:

(2) deze uitleg is puur wettisch: moet de mens zťlf alles 'doen' om zich (een plaats in) het koninkrijk Gods te verwerven? Of krijgt hij het om niet?

(3) de 'akker' kan in vs. 44 niet iets anders betekenen dan hij volgens vs. 38 in het hele hoofdstuk betekent, namelijk de wereld; maar wat moeten we ons erbij voorstellen dat de zondaar de wereld zou moeten kopen om het vrederijk te kunnen binnengaan?

(4) de hoofdpersoon in de gelijkenissen is, behalve in de vierde, steeds Christus: Hij is de zaaier, Hij is de heer des huizes (vs. 27, 37), Hij is Degene die het mosterdzaad zaaide,- waarom zou de mens en de koopman in vs. 44 en 45 dan ineens niet Christus zijn?

(5) het begrip 'kopen' wordt in het Nieuwe Testament altijd betrokken op het verlossingswerk (1 Kor. 6 : 20; 7 : 23; 2 Petr. 2 : 1; Openb. 5 : 9).

 

De 'broeders' zijn het er daarom altijd over eens geweest dat de hoofdpersoon in de vijfde en zesde gelijkenis Christus Zelf voorstelt, die uit liefde tot de gelovigen (de schat en de parel) alles 'verkoopt' wat Hij heeft, ja, Zichzelf overgeeft in de dood, om hen te bezitten. Ondanks alle valsheid die het koninkrijk is binnengedrongen door de nalatigheid van de christenen, vormen de ware gelovigen binnen dat koninkrijk voor Christus zo'n kostbare schat dat Hij er alles voor over heeft om die te verwerven (vgl. Fil. 2 : 7; 2 Kor. 8 : 9). Daartoe koopt Christus de hťle 'akker', d.i. de hele wereld. Door zijn kruiswerk heeft Christus een recht op de hele wereld verworven, dat Hij uitoefent door de gelovigen te verlossen en de ongelovigen te oordelen (vgl. Joh. 17 : 2; 2 Petr. 2 : l), en vervolgens over de hele wereld te regeren als de Zoon des mensen.

 

Tot zover is er geen moeilijkheid. Maar nu rijst de vraag: wie worden er nu precies met de schat, de parel en de goede vissen bedoeld? Zijn dit aanduidingen voor ťťn en dezelfde groep, of gaat het hier om drie verschillende groepen? Hier lopen de antwoorden onder de 'broeders' uiteen:

(A) J.N. Darby antwoordt: het betreft hier ťťn en dezelfde groep, namelijk de Gemeente;

(B) F.W. Grant antwoordt: het betreft hier drie verschillende groepen, namelijk resp. (het overblijfsel van) IsraŽl, de Gemeente, en de gelovigen uit de heidenen die na de opname van de Gemeente door de Grote Verdrukking heengaan.

 

Niet alleen is het de moeite waard zich af te vragen wie er nu gelijk heeft, maar ook na te gaan hoe in dit zeldzame geval de betreffende broeders op elkaars argumenten in hun geschriften zijn ingegaan. Men kan wel zeggen dat beide visies school gemaakt hebben. Visie (A) trof ik behalve bij J. N. Darby en W. Kelly ook aan bij W.J. Hocking, R. Beacon, S. Prod'hom, A. de jager, F. Kaup, J.B. Stoney en J.A. Savage. Visie (B) trof ik aan bij F.W. Grant en bij leraren uit de zg. 'Grant-broeders'. Daarnaast werd zijn uitleg buiten onze kring enthousiast overgenomen door o.a. A.C. Gaebelein, en vandaar werd de uitleg zeer populair in Amerikaanse evangelikale kringen; ik noem twee standaardwerken als 'Premillennialism or Amillennialism?' van C.L. Feinberg en 'Things to Come' van J.D. Pentecost. Gaebelein's beschouwing over MattheŁs werd ook vertaald in het Nederlands, waardoor visie (B) ook in ons land zeer bekend werd.

In 1868 publiceerde W. Kelly zijn 'Lectures on the Gospel of Matthew' (Lezingen over het Evangelie naar MattheŁs), waarin hij op blz. 311 en 312 o.a. schreef: 'De gelijkenis van de verborgen schat maakte niet voldoende duidelijk wat de heiligen voor Christus betekenen. Want de schat zou kunnen bestaan uit honderdduizend stukken goud en zilver. En hoe zou dit de heerlijkheid en de schoonheid van de Gemeente kunnen typeren? De koopman vindt 'ťťn parel van grote waarde'. De Heer ziet niet alleen de kostbaarheid van de heiligen, maar de eenheid en hemelse schoonheid van de Gemeente. Iedere heilige is kostbaar voor Christus: maar Hij 'heeft de Gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven'. Volgens Kelly duiden dus zowel de schat als de parel op de Gemeente, waarbij de schat zou duiden op de onderscheiden heerlijkheid van elke afzonderlijke gelovige, terwijl de parel heenwijst naar de eenheid van de Gemeente.

 

In 1899 publiceerde F.W. Grant het deel van zijn 'Numerical Bible' (Getallenbijbel) dat over de EvangeliŽn handelt. Bij de behandeling van de gelijkenissen van de schat en de parel citeert hij (bij hoge uitzondering) letterlijk deze woorden van Kelly, en brengt ertegen in dat diens uitleg onvoldoende tussen de twee gelijkenissen onderscheidt en aan enkele van de meest opvallende verschillen voorbijgaat. Als deze uitleg juist zou zijn, betoogt Grant (zonder Kelly's naam te noemen), dan zou de ene gelijkenis van de parel wel voldoende geweest zijn. Veeleer ligt het volgens hem voor de hand te veronderstellen dat de schat een andere categorie gelovigen aanduidt, en Grant denkt daarbij aan IsraŽl. Hij ondersteunt deze gedachte met de volgende argumenten:

(1) Als de parel de hemelse Gemeente voorstelt, dan ligt bij de schat kennelijk de nadruk op een aards volk, vanwege de vermelding van de akker (= de wereld); dit kan dan slechts IsraŽl zijn.

(2) IsraŽl heeft weliswaar de Koning verworpen en het koninkrijk heeft een 'verborgen' vorm aangenomen; maar IsraŽls tijdelijke verstoting van de in het Oude Testament beloofde zegen is nu juist zelf ťťn van de 'verborgenheden' van het koninkrijk, zoals uit Rom. 11 : 25 blijkt, zodat er alleszins reden is aan IsraŽls verborgen relatie met het koninkrijk een plaats in te ruimen binnen de zeven gelijkenissen.

(3) IsraŽl wordt in het Oude Testament volgens de Engelse vertaling Gods 'bijzondere schat' genoemd (Ex. 19 : 5; Ps. 135 : 4; Nederl.: 'eigendom').

(4) Toen de Heer tot het zijne kwam, was zijn 'schat' verborgen, in de akker van de wereld, d.w.z. verstrooid onder de volken. Hij ontdekte die, maar kon die niet bezitten, maar moest eerst 'sterven voor het volk' (Joh. 11 : 15).

(5) De hele 'akker' moest gekocht worden opdat IsraŽl eenmaal in deze wereld als de schat van Jahweh aan het licht gebracht zal worden.

(6) Nadat de koop gesloten is, wordt er verder nog niets met de schat gedaan; de gelijkenis stopt hier. Het einde (de toekomstige glorie van IsraŽl) behoort immers niet tot de 'verborgenheden'.

 

Grant had deze visie al veel eerder gepubliceerd, en wel in een boekje: 'The Mysteries of the Kingdom of Heaven' (De verborgenheden van het koninkrijk des hemels). Naar aanleiding daarvan schrijft Darby in 1879 een artikel tegen de visie van Grant en stuurt deze op naar een mij onbekend tijdschrift, maar publiceert een afschrift daarvan ook in 'The Bible Treasury', het bijbelstudietijdschrift van Kelly. Het artikel is daarin in juli 1879 verschenen (vol. 12, no. 278, p. 298, 299) onder de titel 'A Note on the Similitudes of Matthew XIII., Especially the Treasure and the Net' (Een aantekening over de gelijkenissen van MattheŁs 13, vooral (die over) de schat en het net). Het artikel is in de bekende moeilijke stijl van Darby geschreven, maar na enige malen herlezen wordt zijn argumentatie toch wel duidelijk.

In de eerste plaats legt Darby grote nadruk op de eenheid van de zes gelijkenissen die over het 'koninkrijk der hemelen' handelen, d.w.z. de tweede t/m zevende gelijkenis, die elk beginnen met: 'Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan Ö' Zijn uitgangsstelling is dat dit koninkrijk der hemelen in elk van de zes gelijkenissen in wezen steeds dezelfde zaak aanduidt, hoezeer die ene zaak vergelijkenderwijs ook vanuit geheel verschillende oogpunten bezien wordt. Als men de schat op IsraŽl en de goede vissen op de gelovige heidenen uit de Grote Verdrukking laat slaan, dan:

(a) doorbreekt men deze eenheid en samenhang, doordat het ene 'koninkrijk der hemelen' dan vier maal op de christenheid en twee maal op iets heel anders zou slaan;

(b) ten tweede vergeet men dat IsraŽl en de gelovige heidenen van na de opname der Gemeente niet tot de huidige, maar tot de toekomstige bedeling, d.w.z. tot het koninkrijk van de Zoon des mensen behoren.

 

Houden we vast aan de eenheid van de zes gelijkenissen, betoogt Darby, dan zien we in de eerste drie de uiterlijke kenbare resultaten van het evangelie in deze wereld, en in de laatste drie wat binnen het koninkrijk naar Gods gedachten is; het eerste is het resultaat volgens de verantwoordelijkheid van de mens, het laatste het resultaat volgens de bedoeling van God. Nergens is sprake van enig element dat buiten de geschiedenis van de christenheid op aarde valt. Darby ondersteunt deze gedachte door te wijzen op het grote verschil tussen de gelijkenis van de dolik zelf ťn de uitleg van die gelijkenis. De gelijkenis zelf blijft geheel binnen de geschiedenis van het christelijk getuigenis op aarde en eindigt met het in bossen binden van de dolik (vs. 30) - een toebereiding voor het oordeel, onder Gods voorzienigheid, zoals wij dat vandaag in de eindtijd kunnen waarnemen! - en het bijeenbrengen van de tarwe in Christus' schuur (volgens hem de opname van de Gemeente). Pas bij de uitleg van de gelijkenis (vs. 36-43) trekt de Heer de lijnen door: de tarwe wordt dan niet meer genoemd (die is al in de schuur), maar de dolik (de goddelozen) wordt uit het koninkrijk van de Zoon des mensen ingezameld en verbrand, en de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader - dat zijn resp. de aardse en de hemelse zijde van het vrederijk, wťl te onderscheiden van het (huidige) 'koninkrijk der hemelen'. Maar, zegt Darby, de gelijkenissen zelf spreken nooit over dat wat tot het koninkrijk van de Zoon des mensen behoort - en daartoe behoort ook het herstel van IsraŽl en de invoering van de gelovige heidenen uit de Grote Verdrukking - want die gelijkenissen hebben uitdrukkelijk slechts betrekking op het Koninkrijk der hemelen. En zo kunnen de gelijkenissen van de schat en het sleepnet ook slechts betrekking hebben op de christenheid.

 

Wat de schat betreft voegt Darby daar nog enkele bijzondere argumenten aan toe:

(1) Het Jodendom en IsraŽl zelf waren geen verborgen schat geen verborgenheid van het koninkrijk;

(2) De Heer hoefde niets op te geven om IsraŽl te bezitten, want het was reeds zijn gekende volk en erfdeel in deze wereld. Hij kwam tot het zijne, ook al wilden die zijnen Hem niet aannemen.

(3) Wanneer Hij wederkomt, zal Hij IsraŽl aannemen om daardoor ook de hele wereld te bezitten; niet de wereld verwerven om daardoor IsraŽl te bezitten. Op geen enkele wijze, meent Darby, heeft de Heer de wereld genomen om IsraŽl te hebben.