Lezers schrijven


Over orde en tucht

Op blz. 25 van het artikel 'Over orde en tucht en de onderlinge verhouding van de vergaderingen' in het februarinummer wordt gezegd dat bij toelating de gelovigen het volgende hebben na te gaan:

(a) is de betreffende persoon een lid van het lichaam van Christus, ofwel een levende steen in het huis van God? De toets daarvoor is de kwestie of zo iemand bekeerd is en gelooft in de Here Jezus Christus. We kunnen elkaar niet in het hart zien, we hebben dus af te gaan op wat iemand aangaande. Jezus Christus belijdt. Wanneer dat in een onderhoud met een tweetal broeders gebeurt, dan kunnen die toch een vrij duidelijk beeld van de betreffende persoon krijgen.

 

Hierbij zou ik het volgende willen opmerken.

Inderdaad is God alleen de ware Kenner van de harten en wij (gelukkig) niet. Toch zegt de Schrift dat ieder persoonlijk verantwoordelijk is om te 'jagen naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart' (2 Tim. 2 : 22).

Behalve het afgaan op wat iemand aangaande Jezus Christus belijdt, moet dus ook worden vastgesteld dat deze belijdenis uit een rein hart komt. Daarvoor is afhankelijkheid voor de Heer nodig, omdat Hij alleen daarvoor licht kan geven. Bovendien berust de verantwoordelijkheid daarvoor niet alleen bij de 'bezoekende broeders', maar bij alle broeders en zusters.

Daarom wordt er tijd en gelegenheid gegeven zodat ieder een voorstel voor de Heer kan overwegen en bezwaren kan inbrengen. Het is goed om een 'aanvrager' dit beginsel en de daaruit voortvloeiende gang van zaken, uit te leggen.

Aan het slot van het artikel zegt de schrijver overtuigd te zijn dat op dit ogenblik het gevaar om een te 'angstig en eng beleid te voeren', groter is dan 'dat we de normen vervagen'.

Ik kan het beleid van de 'Vergaderingen' maar minimaal beoordelen.

Maar de Schrift spreekt over de geest van de laatste tijden (1 Tim. 4) en de laatste dagen (2 Tim. 3), 'waarin sommigen van het geloof zullen afvallen en de mensen (belijders) ogenschijnlijk godsvrucht bezitten, maar de kracht daarvan verloochenen', enz.

Is niet het gevaar dat de Schrift ons aanwijst in onze tijden, het grootste? Moeten we daarin niet vooral waakzaam zijn omdat we zo licht meegezogen worden?

J. de Jager, Heerde