HERDERS

 

J. KLEIN HANEVELD

 

Voor de mens in het Midden-Oosten is de figuur van de herder ook nu nog zeer vertrouwd. In de loop van de eeuwen is daar niet veel veranderd, althans lang niet zo veel als in de landen van West-Europa, waar de herder geen dagelijkse verschijning meer is. Gelukkig is het zů, dat we in de Schrift zelf veel kunnen vinden wat ons dienen kan om ons duidelijk te maken wat er nu precies bedoeld wordt, als daar staat: 'De Here is mijn herder'. Buitenbijbelse bronnen kunnen hier en daar allerlei facetten belichten en verduidelijken, maar voegen geen echt nieuwe elementen toe aan het beeld dat we ons op grond van de Schrift kunnen vormen van de persoon en de dienst van een herder.

In de Schrift worden een aantal personen vermeld, die herder waren en die ieder een bepaalde karaktertrek vertonen van de volmaakte Herder, die de Heer Jezus Zelf is voor de zijnen.

1. Abel

Eigenlijk is Abel een dubbel type van de Heer Jezus, namelijk door zijn persoon en door het offer dat hij bracht.

'Abel werd schaapherder' (Gen. 4 : 2), en als herder bracht hij zijn offer aan God. Dit wijst heen naar de goede Herder, die Zichzelf heeft geofferd aan God. Abel werd door zijn broer gehaat en tenslotte uit afgunst door hem gedood. Ook de Heer Jezus werd zonder oorzaak door zijn broeders naar het vlees gehaat en uit afgunst door hen overgeleverd om gekruisigd te worden. God verklaarde dat Abels bloed tot Hem om wraak riep van de aardbodem. Het bloed van de Heer Jezus getuigt van verzoening en spreekt dus beter dan dat van Abel (Hebr. 12 : 24).

Er zou nog meer te noemen zijn. Samenvattend zouden we kunnen zeggen: In Abel vinden we de herder die zijn leven geeft.

Abel is wel de herder die sterft, maar hij moest tůch een lam van de kudde offeren, want hij was een zondaar. Op Golgotha echter stierf de Herder Zťlf voor zijn schapen. Op Golgotha is het zwaard van Gods toorn ontwaakt tegen de Herder, tegen de Man die Gods metgezel was (Zach. 13 : 7).

2. Jakob

Wanneer Jakob spreekt over de twintig jaar dat hij Laban gediend heeft, getuigt hij van de zorg voor de schapen waarvoor hij verantwoordelijk was. 'Wat verscheurd was, bracht ik niet tot u, ik moest het zelf vergoeden; wat gestolen was, hetzij bij dag, hetzij bij nacht, hebt gij van mijn hand geŽist' (Gen. 31 : 39). Dat zal zeker, ondanks alle zorg die Jakob voor de schapen had, wel eens gebeurd zijn. Alleen de Heer Jezus kon zeggen: 'Zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit mijn hand'. Hij alleen kon zeggen: 'Hen die U mij hebt gegeven, heb ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan Ö' (Joh. 10 : 28; 17 : 12).

Jakob is maar een zwak beeld van de volmaakte Herder.

Die zorg van Jakob voor de schapen vinden we ook nog in Gen. 33 : 13, waar hij van de schapen zegt: 'Zou men die ťťn dag al te zeer jagen, dan zou de gehele kudde sterven'. Dat doet ons denken aan Hem van Wie geschreven staat: 'Hij zal als een Herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leidení (Jes. 40 : 11).

In eerste instantie is dit natuurlijk een belofte voor het gelovig overblijfsel van IsraŽl in de toekomst. Maar het is ook waar in het heden voor ons. Christus is de zorgende Herder, die met grote trouw en tederheid waakt over zijn kudde; die rekening houdt met de lammeren en begrip heeft voor hun zwakheden. 'Geen herder, mild en goed als HijÖ

3. Jozef

Eťn van de eerste dingen die van Jozef worden meegedeeld is dat hij met zijn broers de schapen hoedde. De gedachte die bij dit type naar voren komt, is dat deze herder door de andere herders gehaat werd. Toen de Heer Jezus op aarde was, hebben zij die herders van het volk IsraŽl hadden moeten zijn, Hem gehaat. Ze waren gelijk geworden aan de herders genoemd in EzechiŽl 34, die de kudde verwaarloosden. Zo zeer, dat toen de Heer Jezus als de Herder gekomen was, zijn hart met ontferming over de schapen bewogen was. Hij zag het volk als schapen die geen herder hebben.

Evenals Jozef werd de Heer Jezus door zijn broeders gehaat. Ze wilden niet dat Hij koning over hen zou zijn en uit afgunst hebben ze Hem overgeleverd. Maar zoals Jozef verhoogd werd en de 'redder der wereld' werd, zo is ook de Heer Jezus verhoogd en verheerlijkt. Hij werd de ware 'Redder der wereld'.

4. Mozes

Veertig jaar heeft Mozes de schapen van zijn schoonvader Jethro gehoed als voorbereiding voor de laatste veertig jaar van zijn leven, toen hij door God geroepen werd het volk IsraŽl te leiden door de woestijn.

In Exodus 3 : 1 lezen we dat Mozes de kudde naar de overkant van de woestijn leidde en bij de berg van God, Horeb, kwam. Daar kreeg hij de opdracht het verdrukte volk uit Egypte te leiden, waarna het God zou dienen op deze berg (vs. 11 en 12).

Mozes, de herder die het volk door de woestijn leidt. Wat een prachtig voorbeeld van dť Herder Jezus Christus, die voor zijn schapen uitgaat in de woestijn.

5. David

Van zichzelf zegt David in 1 SamuŽl 17 : 34, dat hij gewoon was de schapen van zijn vader te hoeden. En dan deelt hij mee dat hij de leeuw en de beer, die een schaap van de kudde wilden roven, achterna ging en hen versloeg. In hetzelfde hoofdstuk is hij het die uittrekt om Goliath te verslaan. David is de herder die strijd voert tegen de boze machten die het op de schapen voorzien hebben, en ze verlost uit de macht van de vijand.

Opnieuw een prachtig beeld van de Heer Jezus, die de strijd heeft aangebonden met 'de sterke', zijn huis is binnengegaan om hem te binden en hem zijn vaten te ontroven. Maar ook hier blijft het type ver achter bij de werkelijkheid in Christus, want Christus heeft door de dood te niet gedaan hem die de macht over de dood had, dat is de duivel en Hij heeft allen verlost die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan de slavernij onderworpen waren (Hebr. 2 : 14, 15).

6. De antichrist

We hebben nu vijf herders genoemd uit het Oude Testament, die allen op een bepaalde wijze een type zijn van de Heer Jezus als de Herder van zijn schapen. In de Schrift komt nog een herder voor. Hij wordt genoemd in Zacharia 11 : 15-17 en daar wordt hij aangeduid als een 'dwaze' en 'nietswaardige' herder. Voordat de ware Herder komt om zijn rijk van gerechtigheid en vrede op te richten, verschijnt eerst nog de valse herder, van wie de Heer Jezus heeft voorzegd: 'Als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen'. Die valse herder, die 'dwaze' herder is de antichrist. We moeten daarbij bedenken dat het woord 'dwaas' nog wel iets anders betekent dan wat wij er onder verstaan. De dwaas is de hoogmoedige, die tegen de wil van God handelt. Zijn dwaasheid bereikt haar hoogtepunt in het ontkennen van het bestaan van God. De 'dwaas' is de goddeloze, de wetteloze. De antichrist heet in de Schrift 'de wetteloze', 'de mens van de zonde'. Hij is een wolf in herdersgestalte, het tegenbeeld van de ware Herder.

De nietswaardige herder zal worden getroffen door het oordeel.

 

7. De Heer Jezus

En zo zijn we gekomen tot de zevende herder: de Heer Jezus. Hij is de Goede Herder, die zijn leven heeft gegeven voor zijn schapen. Psalm 22 stelt ons Hem zo voor. Daar zien we Hem, onze Goede Herder, die Zichzelf voor ons heeft gegeven. Om ons als zijn schapen te kunnen bezitten moest Hij het zondoffer worden voor onze zonden. Daarvoor moest Hij van God verlaten worden. Wij waren allen als dwalende schapen en wendden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen. Hij heeft zijn leven uitgegoten in de dood. Daar begint het mee: de Goede Herder legt zijn leven af voor de schapen. Zo moeten we de Herder leren kennen: als de Herder die gekomen is om het verlorene te zoeken en te behouden.

In Psalm 23 vinden we de Grote Herder van de schapen, die is teruggebracht uit de doden (Hebr. 13 : 20). De heilige God is volkomen bevredigd en heeft volkomen genoegdoening ontvangen door het werk van Christus, en daarom heeft Hij Hem opgewekt uit de doden. En nu is Hij de Grote Herder van de schapen, die zijn kudde veilig leidt door de woestijn van deze wereld naar het beloofde land. Wat een voorrecht te kunnen zeggen: 'De Heer is mijn Herder'.

Als de Overste Herder zal Hij verschijnen om zijn 'onderherders' te belonen, wanneer ze getrouw zijn geweest. Dan ontvangen zij de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid (1 Petr. 5 : 4).

Hij komt weer! Aan onze tocht door de woestijn komt een einde. De Herder brengt ons in zijn huis. We zullen zijn stem horen en we zullen Hem volgen naar het Vaderhuis met zijn vele woningen. We zullen in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen. Daar zullen we geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal geenszins op ons vallen, noch enige hitte, want het Lam dat in het midden van de troon is, zal ons weiden en leiden naar bronnen van levenswateren (Openb. 7 : 16, 17).