DE UITSLUITING VAN MIRJAM

(Num. 12)

(slot)

H. BOUTER JR.

 

Een voorbeeld van tuchtuitoefening met een profetische inhoud

 

De geschiedenis die ons in Num. 12 wordt verhaald, hebben wij de vorige maal vanuit praktisch oogpunt belicht; en het is onze bedoeling er nu enkele profetische aspekten van te bezien. Aan het slot van het voorgaande artikel is al aangestipt, dat Mirjam beschouwd kan worden als de vertegenwoordigster van het volk IsraŽl en Mozes als een beeld van Christus. Mozes is een duidelijk type van Christus als een grote Profeet, Apostel en Leraar van zijn volk (Deut. 18: 15; Joh. 5: 46; Hand. 3: 22; Hebr. 3: 1-6). Zeker moeten we in dit verband ook wijzen op de tegenstelling, de anthithese tussen Mozes en Christus. Christus is veel groter dan Mozes, zegt Hebr. 3. De wet is door Mozes gegeven, mŠŠr de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden, zo betuigt de evangelist Johannes (Joh. 1 : 17). Deze tegenstelling geldt echter van Šlle oudtestamentische typen van Christus, te beginnen met Adam (Rom. 5: 14). Het feit dat de schaduwen geen volledig beeld van de werkelijkheid geven die van Christus is (Kol. 2 : 17), doet echter niets af van de grote waarde van deze typen. Zij zijn ons tot lering gegeven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften hoop zouden hebben (Rom. 15: 4).

 

Welnu, wanneer Mozes een type van Christus is, wat heeft zijn huwelijk met een buitenlandse vrouw ons dan in typologische zin te zeggen? Het antwoord ligt voor de hand: Christus neemt een bruid uit de volken. Deze Ethiopische vrouw van Mozes was een vreemde, zij behoorde niet tot het volk van God. Toch werd deze heidense vrouw de bruid van Mozes, evenals de Gemeente nu (althans voor het merendeel) uit de volken genomen is om de bruid van het Lam te worden. Ook Zippora, de eerste vrouw van Mozes, kunnen we zien als zo'n beeld van de Gemeente; en evenzo bijv. Asnath, de buitenlandse vrouw van Jozef.

De genade en liefde van God, die in Christus tot de mensen gekomen is, kon niet beperkt blijven tot het Joodse volk. De kern van het evangelie is, dat alle mensen voor God gelijk zijn - of zij nu (zoals de Joden) in relatie met God stonden of niet. Wanneer God Zelf in de Persoon van Christus tot de mensen komt, dan is er gťťn onderscheid meer. Allen zijn zondaars in het oog van God, aan allen wil God zijn genade ook kwijt. Zowel zij die nabij waren (de Joden) als zij die ver waren (de volken) zijn de voorwerpen van Gods rijke genade geworden. In hun zondestaat bestond er geen wťzenlijk (wel een uiterlijk) onderscheid tussen Joden en Grieken: beiden waren voor God dood in overtredingen en zonden. En in hun staat als verlosten bestaat er evenmin verschil: beiden zijn met Christus levend gemaakt en door Hem tot een nieuwe eenheid gesmeed, nl. de Gemeente van God, het lichaam en de bruid van Christus (zie de Efezebrief).

 

Deze genade voor de volken had echter een breuk met het volk IsraŽl tot gevolg, zoals de liefde van Mozes voor zijn heidense bruid de band met Mirjam (tijdelijk) verbrak. Christus werd verworpen door het zijne, zijn verwanten naar het vlees, nl. de Joden. Hij heeft de tegenspraak door de zondaars tegen Zich moeten verdragen (Hebr. 12 : 3) - en Hij deed dat geduldig en zachtmoedig. Hij handelde zoals Mozes, die het verzet van zijn verwanten gelaten over zich liet komen en het in de hand des Heren gaf IsraŽls verwerping van de ware Knecht des Heren betekende de terzijdestelling van dit volk, evenals Mirjams opstand tegen Mozes (die God hier 'mijn knecht' noemt) haar uitsluiting buiten de legerplaats tot gevolg had. In zijn rechtvaardige regering heeft God IsraŽl als zijn volk verstoten vanwege de verwerping van de Messias, die nu met liefdebanden verbonden is met zijn bruidsgemeente uit de volken.

 

Een ander punt dat deze parallel tussen Mirjam en IsraŽl bevestigt, is haar jaloezie ten opzichte van de Ethiopische vrouw van Mozes die kennelijk de reden is van haar kwaadsprekerij en van haar verzet tegen de bijzondere positie van Mozes (Num. 12 : 1, 2). Als we namelijk het boek Handelingen lezen, dan valt het op dat niets zozeer de afgunst van de Joden opwekt en het verzet tegen de verhoogde Christus en tegen zijn Geest als juist het feit dat aan de vůlken genade wordt bewezen. Dat God zijn handen in ontferming uitstrekt naar vreemden, die buiten de omtuining van IsraŽl stonden, prikkelt in hoge mate de jaloersheid van de Joden (Hand. 13 : 45, 50; 14 : 2; 17 : 5; 22 : 21, 22; zie ook 1 Thess. 2 : 15, 16).

God Zelf spreekt het vonnis uit in deze kwestie tussen Mirjam en Mozes: zij wordt voor een tijd verstoten vanwege haar zonde. IsraŽl is Lo-Ammi geworden, niet meer Gods volk (Hos. 1 : 9). Zoals de wolk van Gods tegenwoordigheid week van boven de tent der samenkomst, en de Here heenging (Num. 12 : 9, 10), zo heeft Hij Zich nu aan zijn oude volk onttrokken. De heerlijkheid des Heren heeft het volk verlaten en keert pas terug bij het begin van het vrederijk (Ezech. 43). Mirjam werd buiten de legerplaats gesloten, buiten de plaats van zegen in de nabijheid van IsraŽls God. Zo is nu over IsraŽl als volk een oordeel van verharding gekomen en bevindt Gods zegenrijke tegenwoordigheid zich elders - Hij woont met zijn Geest in de Gemeente.

 

Maar ... er is een heerlijk 'totdat'. Deze geschiedenis eindigt niet met het droevige bericht van Mirjams uitsluiting, maar met haar herstel! Zo is weliswaar Gods toorn over IsraŽl gekomen tot het einde toe, d.i. ten volle (1 Thess. 2 : 16), maar Hij is een genadig God die zelfs in zijn toorn denkt aan ontferming (vgl. Hab. 3 : 2). Hij bepaalt de mate van de kastijding, zoals Hij ook de periode van 'zeven dagen' bepaalde waarin Mirjam versmaad was. En Hij zal Zich weer over zijn volk ontfermen en het vertroosten, wanneer zijn lijdenstijd volbracht is en zijn ongerechtigheid geboet (Jes. 40 : 1, 2).

 

Deze sombere geschiedenis heeft dus een gelukkig slot. Zoals Mirjam weer in genade werd aangenomen en werd gereinigd van haar melaatsheid, zo zal IsraŽl weer als Gods volk worden aangenomen en worden gereinigd van al zijn ongerechtigheden. En het is dezťlfde apostel die zoveel tegenstand van de kant van de Joden heeft ondervonden bij zijn prediking van het evangelie van Gods genade aan de volken, die ons een Goddelijke verborgenheid heeft bekend gemaakt ten aanzien van dit toekomstige herstel van het Joodse volk. Het is een overbekend gedeelte waarin Paulus hierover spreekt, maar ik wil het toch graag citeren: 'Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen (oog), dat er voor een deel over IsraŽl verharding is gekomen, totdat [1] de volheid van de volken is ingegaan; en zů zal heel IsraŽl behouden worden, zoals geschreven staat: 'Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is voor hen het verbond mijnerzijds, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen' (Rom. 11 :25-27).

Zoals de Here als de Heelmeester van zijn volk (Ex. 15 : 26) ten gunste van Mirjam handelde en haar genas, zo zal Hij straks zijn aardse volk behouden - niet alleen van de vijanden die hen van buiten bedreigen, maar tevens van hun zonden die hen van binnen aanklagen en waarvan Hij alleen hen kan redden. Hij nam de melaatsheid van Mirjam af, en Hij zal eenmaal de goddeloosheden van Jakob afwenden en het als herboren uit zijn doodsstaat doen opstaan.

We vinden in dit verband nog een treffende parallel tussen Num. 12 en Rom. 11. In vers 15 van Rom. 11 lezen wij: 'Want als hun verwerping (d.i. de tijdelijke, niet definitieve verbreking van de relatie tussen Jahweh en IsraŽl) de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden?' Zoals Mirjam als een gereinigde en opnieuw geborene weer in de legerplaats werd opgenomen, zo zal het volk IsraŽl opnieuw door God worden aangenomen als een volk dat uit zijn doodsslaap is opgewekt en dat volkomen is gereinigd van de melaatsheid die het stempelde tot een 'doodgeborene, wiens vlees reeds half vergaan is' (Num. 12 : 12).

 

In de Statenvert. komt het woord 'aannemen' ook lťtterlijk voor in Num. 12. Na het verblijf van zeven dagen buiten de legerplaats kon Mirjam weer worden aangenomen (vs. 14, 15). Noordtzij vertaalt 'opnemen'. De grondbetekenis van het woord schijnt te zijn 'vergaderen, verzamelen'. En dit is ook de zin van het woord 'aanneming' in Rom. 11: God zal het volk dat Hij voor een tijd van zijn aangezicht moest wegdoen, weer tot Zich nemen. Het herkrijgt de plaats van zegen in Gods nabijheid, waaruit het om zijn zonde moest worden verwijderd. Het wordt weer binnengebracht op het terrein van zegen. IsraŽls verwerping betekende de verzoening van de wereld: God strekte zijn handen uit tot alle mensen en liet de boodschap van de verzoening uitgaan tot Joden ťn Grieken, zonder onderscheid, omdat Hij in relatie wilde treden met ieder die het evangelie aannam. Wanneer dit het gevolg is van IsraŽls verwerping, wat zal dan hun aanneming zijn? Dat betekent een volkomen nieuw begin, zowel voor IsraŽl als voor de volken onder de gezegende heerschappij van IsraŽls Vredevorst.


[1] Dit 'totdat' van het ingaan van de volheid van de volken wijst m.i. op de volkomenheid van Gods handelwijze, zoals we dat al zagen in de periode van 'zťven dagen'. Er is een volle strafmaat voor IsraŽl, die ten einde loopt wanneer de bruidsgemeente uit de volken voltallig is en God dus ook in dit opzicht het einddoel van zijn ondoorgrondelijke maar aanbiddelijke wegen heeft bereikt (zoals het slot van Rom. 11 dat uitdrukt).