Vraag en antwoord

 

H.P. MEDEMA

 

Vraag:

Wat is de betekenis van de uitdrukking 'in het leven regeren' in Rom. 5: 17? Moeten wij hierbij denken aan het regeren van de gelovigen met Christus ten tijde van het vrederijk, en waarom wordt deze periode dan gekenschetst als 'het léven'?

H. B. te G.

 

Antwoord:

Het tweede gedeelte (vanaf vers 12) van Rom. 5 is een nogal ingewikkelde zin, een gecompliceerd, systeem van tegenstellingen. Tot in details trekt de apostel het contrast door tussen Adam en Christus, de eerste mens en de tweede Mens, tussen wat zij hebben gedaan, en tussen de resultaten daarvan. Deze op het eerste gezicht moeilijk leesbare zinnen zijn alleen maar goed te begrijpen bij zorgvuldige ontleding, en het opstellen van een schema werkt dan zeer verhelderend. We zullen ons in deze vraagbeantwoording beperken tot vers 17. Daar vinden we, mede in verband met de context, een vijftal tegenstellingen:

1. een tegenstelling tussen personen: enerzijds Adam, 'de ene' door wiens overtreding de dood heeft geregeerd, anderzijds 'de Ene' Jezus Christus;

2. een tegenstelling tussen de daad van Adam en het werk van Christus: de daad van Adam was een overtreding; het werk van Jezus Christus was een werk van gehoorzaamheid, zoals de apostel verderop (vs. 19) zal uiteenzetten;

3. een tegenstelling tussen het resultaat van wat Adam deed: de dood, en het resultaat van Christus werk: het leven;

4. een tegenstelling tussen de wijze waarop men aan het resultaat deel krijgt.

- een wetmatigheid als het gaat om de dood die door Adam (én doordat allen gezondigd hebben, vs. 12) over het mensengeslacht is gekomen,

- onverdiende, geenszins vanzelfsprekende genade doet ons deel krijgen aan het werk van de Heer Jezus, benadrukt door de woorden 'genade', 'gave' en 'ontvangen' in ons vers;

5. een tegenstelling tussen de manier waarop men aan het resultaat deel hééft.

- de dood regeerde óver het mensengeslacht dat van Adam afstamde en in zijn voetsporen trad;

- maar er staat niet dat het leven regeert óver degenen die door genade deel krijgen aan het resultaat van Christus' werk: zijzélf regeren in het leven, wat inderdaad, zoals de apostel al zegt, 'veel meer' is.

 

Uit deze uitleg volgt reeds dat 'het leven' niet een aanduiding is voor het vrederijk, maar voor het opstandingsleven, uit kracht waarvan de gelovigen in de toekomst mét Christus zullen regeren in dat vrederijk. Keer op keer beklemtoont het Nieuwe Testament dat Christus' heersen in het vrederijk berust op de kracht van zijn opstanding: Hand. 13 : 33; 17 : 31; 2 Tim. 2 : 18; Openb. 5 : 6v. zijn slechts enkele van de meest kenmerkende gedeelten. En ook óns regeren met Hem is slechts mogelijk in de kracht van zijn opstanding, waaraan ook wij straks, vóór de aanvang van het vrederijk, lichamelijk deel zullen krijgen: 1 Kor. 15:50; Openb. 20 : 6.

 


Vraag:

Kan uit 1 Kor. 10 : 15 worden afgeleid dat er een bepaalde minimum-leeftijd is voor het deelnemen aan de maaltijd van de Heer aan zijn tafel? Dit in het licht van Hand. 2 : 41 en 42.

A. C. A. te G.

 

Antwoord:

Om te beginnen verschaft Hand. 2 : 41, 42 ons niet veel licht in deze zaak, of het moest zijn op basis van de veronderstelling dat er toen ook wel kinderen en jonge mensen tot geloof moeten zijn gekomen, en dat die dus ook deelnemen aan het avondmaal. Maar dat is wel wat teveel veronderstellenderwijs geredeneerd.

Anderzijds zal ook 1 Kor. 10 : 14 ons niet helemaal uitsluitsel kunnen geven, want in dat vers doelt Paulus niet op een bepaalde leeftijd of geestelijke rijpheid, als vereiste voor het deelnemen aan de broodbreking. Het woord 'verstandigen' is (evenals in 1 Kor. 4: 10; 2 Kor. 11 : 19, en vgl. Rom. 11 :25; 12: 16) niet zonder ondertoon van ironie: de Korinthiërs beschouwden zichzelf als wijzen - welnu, zegt Paulus, áls jullie dan zo verstandig zijn, zul je toch op z'n minst het volgende, wat ik je nu ga uitleggen, moeten begrijpen. Het gaat trouwens in 1 Korinthe 10 überhaupt niet om onze persoonlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de maaltijd van de Heer; het gaat hier over onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, onze onderlinge verbinding, en die is aanwezig, of wij dat begrijpen of niet, eenvoudig uit kracht van het feit dat wij allen deel hebben aan het ene brood. Indirekt volgt hier echter al wel uit dat de apostel ervan uitgaat dat zij die aan de tafel van de Heer aanzitten, weten wat ze doen.

 

Het is in het volgende hoofdstuk, in 1 Kor. 11, dat de apostel onze persoonlijke verantwoordelijkheid behandelt. Dán komt ook de vraag ter sprake in hoeverre wij begrijpen wat we doen: 'Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet en de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer. Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker. Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam van de Heer onderscheidt' (vs. 27-29). Ook dan gaat het trouwens nog niet om leeftijdsgrenzen, maar wel om de vraag of wij met geestelijk inzicht het brood van de maaltijd van de Heer kunnen onderscheiden van gewoon, alledaags brood. En die vraag lijkt dan nog te worden toegespitst op de kwestie of daarnaar gehándeld wordt - want het probleem in Korinthe was kennelijk dat 'gewone' maaltijden in gemeenteverband niet voldoende van het avondmaal werden onderscheiden.

Samenvattend kunnen we wel zeggen dat een zekere mate van onderscheid vereist is. Maar of dat inzicht bij een bepaalde (zeer) jonge broeder of zuster aanwezig is, is een zaak van geestelijke beoordeling, veeleer dan van Schriftuitleg.