Over de doop met vuur en de vervulling met de Heilige Geest

(slot)

 

H. Wilts

 

Apollos was een vurige prediker toen hij als discipel van Johannes de Doper nog zijn boodschap aan de hand van de Schriften uit het Oude Testament verkondigde: toen kende hij de vervulling van de belofte van de komst van de Heilige Geest nog niet (zie Hand. 18:24-28). Zij die zich op zo'n prediking bekeerden, werden wel discipelen. Paulus trof eens zulke mensen aan en miste bij hen de inwoning van de Heilige Geest. Pas toen hij hen het volle evangelie van het heil in Christus verkondigde, en zij op die prediking tot het geloof in Christus kwamen, werden zij opnieuw in water gedoopt en ontvingen zij ook de Heilige Geest (zie Hand. 19:1-7). Maar van dopen met vuur was in hun geval geen sprake.

In de brief die Paulus later aan de Efeziërs schreef, staat veel over de Heilige Geest. Hij schreef dat zij, toen zij tot geloof gekomen waren, verzegeld waren met de Heilige Geest van de belofte. Dat gebeurde eens en voor altijd. En we vinden geen opwekking om voor een herhaling van dit gebeuren te bidden, Wel kregen zij de vermaning, die Geest niet te bedroeven (Ef. 4 : 30). Door die Geest zouden ze kunnen verstaan wat de wil van de Heer voor hen was. Vandaar ook de vermaning: 'Wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met de Geest'. (Ef. 5:17,18).

 

De inwoning van en verzegeling met de Heilige Geest is niet hetzelfde als met die Geest vervuld zijn. Het eerste vind éénmaal plaats en heeft een blijvend karakter. Wat het tweede betreft hebben we die garantie niet. Ook voor ons is het een ernstige vraag welke plaats de Heilige Geest in onze harten inneemt, en daardoor in onze levens. Als ons hart vervuld is met het nastreven van het aardse en wereldse genoegens, blijft er voor de Heilige Geest geen plaats. We worden dan ongeestelijke, aardsgezinde of zelfs wereldgezinde christenen. Met al de verschrikkelijke gevolgen hiervan.

Aan dezelfde gemeente te Efeze heeft de apostel Johannes jaren later op Patmos in opdracht van de Heer een brief moeten schrijven. Daarin zien we, hoe Hij de toestand van die gemeente beoordeelt. Hij vindt daarin veel te prijzen. Maar Hij kent en beoordeelt ook de toestand van het hart. En dan moet Hij vaststellen dat Hij tegen hen heeft, dat zij de eerste liefde verlaten hebben. Liefde is een vrucht van de Heilige Geest. Op die liefde had Paulus de gemeente viermaal gewezen (Hst. 4 : 2, 15, 16; 5 : l). Helaas zien we in Openb. 2 : 4, 5, wat er van terechtgekomen is. En nog eens waarschuwt de Heer, het Hoofd van zijn Gemeente, haar voor de gevolgen van het volharden in deze toestand. Wat moet die Gemeente doen? Bidden dat de Heilige Geest als 'in tijden van ouds’ op hen mag terugkeren? Neen Er volgt een korte indringende oproep: 'Bekeert u en doe de eerste werken'. Terugkeer tot die liefde die ze verlaten hebben, zal de uitwerking hebben dat hun werken ook weer gedreven worden door liefde tot Hem en tot elkaar. En als ze zich niet bekeren en tot die liefde terugkeren? Ernstige waarschuwing: 'Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen'. Wat heeft dit woord ons te zeggen in onze dagen? Persoonlijk en als vergaderingen? Hoe staat het met de kandelaar van ons getuigenis? Soms lijkt er uiterlijk nog heel wat in orde te zijn, wat onze aktiviteiten betreft. Maar geeft de kandelaar nog een helder licht? Geven we de Heilige Geest nog de plaats die Hem toekomt? In ons persoonlijk leven? In ons midden als degenen die tot de naam van de Heer vergaderd zijn? We hebben ons te verootmoedigen over tal van verschijnselen die van het tegendeel getuigen. Soms geven die kandelaars maar een zwak en flakkerend licht. Droefheid hierover is niet voldoende. We moeten terug tot het licht en de kracht van de Heilige Geest. Terug tot de eerste liefde en tot de eerste werken. Of laten we het zover komen dat de Heer kandelaars van zijn plaats moet wegnemen?