Kan God niet spreken?

 

J.Ph. FIJNVANDRAAT

 

Op een huishoudbeurs stond een man voor onze Bijbelstand en bekeek het daarin opgestelde model van de ark van Noach. Het bleek een jonge onderwijzer te zijn, die op onze vraag of hij met deze materie bekend was, zijn waardering uitdrukte voor ons initiatief om op deze beurs de Bijbel aan de mensen te presenteren. Maar ook gaf hij zijn verbazing te kennen, dat we met dit onderwerp uit de Bijbel te voorschijn kwamen. "Ik moet u wel zeggen, dat ik geen kans zie zo'n verhaal als dat van de zondvloed nog eerlijk en oprecht aan de kinderen door te geven".

Op de vraag naar de aard van de moeilijkheden die hij daarmee had, reageerde hij: "Nou, laten we maar bij het begin beginnen. Gelooft u nu werkelijk, dat God letterlijk tot Noach en tot Abraham en tot Mozes gesproken heeft? Men heeft mij op de Pedagogische Akademie geleerd, dat je, als je al zo'n verhaal aan de kinderen vertelt of voorleest, ze meteen moet duidelijk maken, dat God natuurlijk niet echt hoorbaar tot hen sprak, zoals ze hun vader of moeder horen spreken. Je moet ze dan vertellen dat dit alleen maar betekent, dat ze "van binnen" hebben gevoeld en geweten wat ze eigenlijk moesten doen. Juist zoals je als het ware ook "van binnen" een "stemmetje" hoort, als je iets verkeerds doet. Volgens onze godsdienstleraar breng je kinderen in psychologische en als ze ouder worden ook in intellektuele moeilijkheden, als je het niet zo voorstelt. Want ze kunnen bidden wat ze willen, maar zij zullen toch nooit een stem horen".

De jonge man maakte een oprechte indruk en dus had hij recht op een serieus antwoord. Aangezien het om een algemeen verbreide opvatting gaat, menen we hier goed te doen een aantal argumenten tegen deze redenering te geven, zoals ze in ons gesprek met deze onderwijzer naar voren kwamen.

 

1. Omdat God nu niet met allerlei mensen spreekt, zoals Hij volgens de Heilige Schrift wel met Adam, Noach, Abraham, Mozes, David etc. heeft gedaan, zou dit laatste dus geen werkelijkheid zijn geweest.

Wat zouden we zeggen van iemand die beweerde: "Prins Claus kan niet schrijven, want ik heb nog nooit een door hem geschreven brief ontvangen - hij laat het schrijven altijd door zijn sekretaris opknappen …?" Een dergelijke argumentatie is dwaasheid! Zij toont een gebrek aan nuchter nadenken. Er waren immers in de dagen van de genoemde bijbelheiligen tienduizenden mensen die God nooit hebben horen spreken. Wat moet worden duidelijk gemaakt is, dat God tot de vaderen heeft gesproken door de profeten en dat Hij dit "op velerlei wijze" heeft gedaan. De mensen tot wie God rechtstreeks sprak, waren dus uitzonderlijke geroepen mensen, het waren "profeten".

 

2. De genoemde "psychologische en intellektuele problemen", waarin men kinderen en ouderen zou brengen, als men vasthoudt aan het feit, dat God rechtstreeks tot deze profeten sprak, zijn geen bewijzen voor de ontoereikendheid van de bijbelse voorstellingswereld, maar tonen integendeel de ondeugdelijkheid van het gegeven onderwijs. Men suggereert namelijk, dat het spreken van God tot deze mensen steeds het antwoord was op hun gebeden. Met andere woorden: dat God tot hen sprak, omdat zij tot God hadden gesproken.

Het vorige argument was dwaas, en dit argument is geheel onjuist. Was de verschijning van de "God van de heerlijkheid" aan Abraham het resultaat van diens bidden? Abrahams familie diende toen de afgoden! Heeft Mozes eerst gebeden, toen God tot hem sprak vanuit de brandende braambos? Bad Saulus van Tarsus toen Christus aan hem verscheen? Was Samuël aan het bidden, toen God hem tot driemaal toe riep, of sliep deze jongeman? Slechts bij uitzondering is het spreken van God dat in bijzondere gevallen heeft plaatsgevonden, een antwoord geweest op de gebeden van de betreffende mensen. In de meeste gevallen gebeurde dit geheel ongevraagd en ging het initiatief dus zonder meer van God uit.

 

3. De derde fout is de onjuiste toepassing van het "uniformiteitsbeginsel". In het natuurlijke vlak wordt al ons doen en laten door dit beginsel beheerst. Zo gaan we er bewust of onbewust van uit, dat de hele kosmos waarin we leven, beheerst wordt door onveranderlijke wetmatigheden. Als gisteren het licht aan ging na het drukken op de schakelaar, nemen we als vanzelfsprekend aan, dat dit vandaag ook weer zal gebeuren. Als gisteren water bij een bepaalde luchtdruk en bij een bepaalde temperatuur kookte, spreekt het voor ons vanzelf, dat dit ook vandaag zo zal zijn. Maar de toepassing van dit uniformiteitsbeginsel gaat niet op, zodra we niet meer met "dingen" te maken hebben, maar met personen. Wie gisteren om 12 uur zin had in een glas melk, hoeft dit vandaag om 12 uur beslist niet te hebben. Dit denken maakt God tot een "automaat", een "ding" zonder wil en bedoeling! Dat is in wezen godslasterlijk! Bijbelkritiek eindigt trouwens altijd in godslastering.

Wat de Bijbel ons laat zien, is dit:

a. God heeft volgens Hebr. 1:1 vroeger "vele malen" (dus niet voortdurend) tot de vaderen gesproken.

b. God heeft eertijds "op vele wijzen" (dus op allerlei verschillende manieren) tot de vaderen gesproken.

c. God sprak tot die vaderen niet rechtstreeks, maar "in de profeten". Er zijn slechts een aantal zeer bijzondere mensen geweest tot wie God zich verwaardigde rechtstreeks te spreken.

d. Er zijn lange perioden geweest, waarin God in het geheel niet rechtstreeks tot mensen (profeten) heeft gesproken. Het is dus helemaal niets bijzonders, dat mensen eeuwenlang niemand kunnen aanwijzen, die ooit God rechtstreeks tot zich hoorde spreken. Wie zegt: "Omdat God nu zwijgt, heeft Hij altijd gezwegen" en: "men brengt mensen in intellektuele moeilijkheden als men het tegendeel beweert", argumenteert onjuist. Als natuurkundigen een dergelijke "logica" hadden gehanteerd, was er nog geen stoommachine uitgevonden, laat staan ooit een mens op de maan gezet!

 

4. Wat is de belangrijkste reden voor het tegenwoordige zwijgen van God? De boven geschetste "argumenten" tegen het door de Bijbel genoemde spreken van God zijn om een nog veel doorslaggevender reden dwaas. De moderne theologie die ermee schermt gaat namelijk geheel voorbij aan een adembenemend feit. Hetzelfde woord in Hebr. 1: 1 rept namelijk niet alleen over het spreken van God in de profeten, maar zegt ook: "God… heeft in het laatste van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon". In de Heer Jezus kwam God zelf op aarde en sprak zo rechtstreeks tot de mensen. Joh. 1 :14 zegt het zo: "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond". Dit feit overtreft alles wat het Oude Testament ons meedeelt over het spreken van God! In de zending van de Heer Jezus Christus heeft God om zo te zeggen zijn laatste en hoogste woord gesproken. Met het in het licht stellen van de consequenties van dit grootste feit uit de heilsgeschiedenis is dan ook volgens Kol. 1: 25 het Woord van God voleindigd. Duidelijker en definitiever dan God in het Nieuwe Testament gesproken heeft, kon Hij niet spreken. Daaraan is niets meer toe te voegen. God wacht nu op een antwoord!

Deze boodschap wordt "aan alle volken bekendgemaakt tot geloofsgehoorzaamheid" (Rom. 16:25-27).

Wie met een eigenwijs "wij weten meer dan Jezus wist" aan de kinderen de verhalen van het Oude Testament over Adam en Noach onthoudt, bewijst slechts zijn eigen geloofsongehoorzaamheid en dwaasheid.

Zulke mensen zullen tot hun verrassing ontdekken, dat God wel degelijk spreken kan. De Bijbel verzekert ons, dat God nog éénmaal spreken zal. "Die in de hemel zetelt lacht; de Here spot met hen. Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn en verschrikt hen in zijn gramschap: Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg" (Psalm 2:4-6). Gods laatste spreken tot de wereld zal een spreken in oordeel zijn, bij monde van Hem, die eens verworpen werd en gekruisigd. Dan "zal alle mond gestopt worden" - ook de mond van de mensen, die het ooit waagden te zeggen: "Wij weten meer dan Jezus wist".

"Kijkt dan uit, dat u niet overkomt wat gezegd is in de profeten: "Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u geenszins zult geloven als iemand het u verhaalt" (Hand. 13:40-41).