Niet in het oordeel, wel voor de rechterstoel

 

(slot)

 

J. G. FIJNVANDRAAT

 

Worden onze zonden openbaar?

Dit openbaar worden voor de rechterstoel boezemt niettemin vele gelovigen nog angst in, en dan denk ik aan hen die de hiervoor gegeven leerstellige uiteenzetting onderschrijven. Een tweetal vragen spelen daarbij een rol. De eerste is of onze zonden ook openbaar worden en de tweede is of het openbaar worden voor de rechterstoel een publieke zaak is, waarbij iedereen te zien krijgt wat je gedaan hebt.

Over deze vragen bestaat nogal wat verschil van mening. Er zijn uitleggers, die menen dat God ons hele leven aan ons zal laten voorbijgaan, waarbij we een juist inzicht zullen ontvangen in dat wat tot zijn eer geweest is, maar waarbij we ook de afschuwelijkheid van onze zonden en tekorten zullen zien zoals God ze ziet. Deze gedachte, zo zegt men, moet ons geen angst inboezemen, integendeel we moeten er naar verlangen ons leven zo te zien zoals God het ziet. Anderzijds moet deze gedachte ons aansporen om zo toegewijd mogelijk te leven.
Deze opvatting vindt steun in 2 Kor. 5:10: "naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad".

Het lijkt me echter toe, dat deze uitleg toch geen recht doet aan wat de Schrift in het algemeen over deze zaak zegt. Maar laten we eerst 2 Kor. 5:10 zelf bekijken. Er zijn een tweetal uitleggingen mogelijk, namelijk: (a) de apostel bedoelt met "wij allen" alleen de gelovigen; (b) de apostel heeft er alle mensen mee op het oog. Voor het eerste pleit dat het in de verzen 1 tot en met 9 enkel over gelovigen gaat, voor het tweede dat de apostel in vers 11 over "de mensen" gaat spreken.
Nemen we de laatste uitleg even als juist aan, dan kan vers 10 net zo gelezen worden als Joh. 5: 29. Het zijn dan de gelovigen die goed doen en daarvoor loon ontvangen, terwijl het kwade door de ongelovigen bedreven is, waarvoor zij geoordeeld zullen worden. Bij deze uitleg komt er dus niets kwaads van de gelovige openbaar, dat is dan namelijk al weggedaan.

Als we deze uitleg niet kunnen aanvaarden, betekent dat nog niet dat alle zonden die we gedaan hebben aan ons zullen worden voorgesteld. De tekst zegt niet dat onze daden openbaar worden, maar wijzelf. En verder staat er niets anders dan dat we iets ontvangen, en wat we ontvangen hangt af van onze daden. En nogmaals gezegd, daarbij gaat het er voor de gelovige niet om of hij het eeuwig leven ontvangt of niet, want dat is allang beslist. Nee, het gaat om het ontvangen van loon.
Met het bovenstaande zijn we er echter nog niet, want Rom. 14:12 getuigt dat een ieder voor zichzelf rekenschap zal geven aan God. Daar zit meer de gedachte in dat hetgeen we gedaan hebben ons zal worden voorgesteld. We moeten deze tekst echter beschouwen in het licht van andere Schriftgedeelten. Daarbij moeten we denken aan de gelijkenis van de ponden en die van de talenten. Als de Heer van de slaven terugkomt moeten ze ook rekenschap afleggen, namelijk van wat ze met het hen toevertrouwde goed gedaan hebben. Het gaat dus om rekenschap afleggen van de dienst voor hun Heer. Dit wordt ook voorgesteld in 1 Kor. 3. Het betreft daar werk, dat door het vuur getest wordt. Het materiaal dat niet deugt verbrandt en voor datgene dat het vuur doorstaat wordt loon uitgekeerd. Dezelfde gedachte vinden we in 1 Kor. 4. Uit dat gedeelte blijkt, dat de beginselen van beproeving van werk niet alleen gelden voor apostelen e.d., maar voor iedereen. Vers 8 zegt namelijk dat een ieder zijn lof zal hebben voor God.

Bij deze tekst zijn twee dingen van belang: ten eerste dat niet slechts de werken op zichzelf beschouwd worden, maar dat de motieven voor ons werk door de Heer in het licht gesteld zullen worden. Niet publiekelijk, want we vonden al eerder dat er stond: dan zal een ieder voor zichzelf rekenschap afleggen. Maar wel zal het onszelf duidelijk worden wat werkelijk uit liefde voor de Heer is gebeurd en wat we gedaan hebben om er zelf in te roemen.
Ten tweede staat hier, dat een ieder lof zal hebben. In eerste instantie betekent het, dat we dan niet lof van mensen ontvangen, maar dat we ieder onze lof van God ontvangen. Het neemt echter niet weg, dat er alleen van ontvangen van lof sprake is en niet van bestraffing.

 

Onze zonden zijn weggedaan.

Dat bij de openbaarwording voor de rechterstoel ons niet al onze zonden zullen worden voorgesteld, blijkt ook nog uit iets anders. Het volgt namelijk uit Gods handelwijze met onze zonden. Ik verwijs daartoe naar enkele uitspraken uit het Oude Testament, die betrekking hebben op IsraŽl, maar waarvan het beginsel ook voor ons geldt.

Zo lezen we in Psalm 103:12 dat God de zonden wegdoet zover het oosten is van het westen. En Hizkia getuigt: "Gij hebt al mijn zonden achter uw rug geworpen" (Jes. 38:17). Jesaja vermeldt het woord: "Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk" (Jes. 44:22). Bij Micha lezen we: ĎJa, Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee" (7:19). God doet dus de zonden weg en wel voorgoed. Op een andere plaats lezen we: "Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde NIET MEER GEDENKEN" (Jer. 31:34). In het licht van deze uitspraken is het onaannemelijk dat God de zonden van de zijnen, die zij met berouw beleden hebben en die Hij hun vergeven heeft, nog weer eens zou ophalen om ze hen voor de aandacht te brengen.

De gedachte aan de rechterstoel behoeft ons dus geen schrik aan te jagen, maar ze moet ons wel met ernst vervullen en een aansporing zijn om ons leven volledig aan de Heer te wijden. Hoe beschamend zou het wezen als we straks met lege handen voor Hem zouden staan, zonder werk dat Hij belonen kan. Beschamend voor ons, en bedroevend voor Hem.