Gij leiddet uw volk als een kudde

DOOR DE HAND VAN MOZES EN AńRON.

Een overdenking over Psalm 77:21.

H. BOUTER JR.

God leidde zijn volk door de hand van Mozes ťn Ašron. Niet alleen door de hand van Mozes, en ook niet alleen door de hand van Ašron, maar door de hand van beide leidslieden. Mozes was de leraar van het volk. Hij deelde de IsraŽlieten het woord mee, dat de Here tot hem sprak. Ašron was de hogepriester van IsraŽl. Hij trad voor het volk tussenbeide bij God. Hij kwam met de offers van het volk tot God. Hij naderde in Gods tegenwoordigheid en vanuit die heerlijke plaats kwam hij weer tot het volk, om het volk namens God te zegenen. Zo bemiddelde hij tussen het volk en God (zie Num. 6:22-27; vgl. Ps. 133, 134).

Deze beide typen vinden hun vervulling in Christus. Hij is zowel de Apostel als de Hogepriester van onze belijdenis (Hebr. 3: 1). Hij is de Apostel, de van God gekomen Leraar, die de Goddelijke waarheid - ja, God Zelf - op aarde heeft geopenbaard. Na zijn opstanding en verheerlijking heeft Christus dit werk voortgezet door de zending van de Heilige Geest. Deze heeft de discipelen de reeds geopenbaarde waarheid in herinnering gebracht, en verder heeft Hij hen in de hťle waarheid geleid, zodat zij die onder Goddelijke inspiratie op schrift konden stellen (Joh. 14:26; 16:13; 1 Kor. 2:10-13).

Maar Christus is ook onze Hogepriester. Hij heeft eens voor altijd het verzoeningswerk volbracht door het offer van Zichzelf en nu is Hij in de heerlijkheid om voor de Zijnen te pleiten. Hij bidt voor ons en Hij heeft een volmaakt begrip voor onze zwakheden. Hij kent onze omstandigheden, de verzoekingen die wij op onze weg ontmoeten, de moeilijkheden en de behoeften, want Hij heeft al die dingen als Mens op aarde persoonlijk ondervonden. Let wel: zijn hogepriesterschap betreft nu niet onze zonden, maar onze zwakheden. Hij is ťťnmaal geofferd om de zonden van velen te dragen, maar Hij lijdt nu mee met onze zwakheden. Hij kan daar inkomen, Hij heeft er een volmaakt begrip voor. Als wij gelovigen toch zondigen, dan is Hij onze Voorspraak bij de Vader om de verbroken gemeenschap te herstellen (1 Joh. 2: 1).

Het hogepriesterschap van Christus heeft echter betrekking op de zorgen en de moeiten die ons omringen op de reis door de woestijn. Hij pleit voortdurend voor ons bij de troon van God, die geen oordeelstroon maar een genadetroon voor ons geworden is, "opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot tijdige hulp" (Hebr. 4:16). Hij zorgt ervoor dat wij het einddoel van de "woestijnreis" bereiken. Want Hij is in staat om ons volkomen, of tot het einde toe te behouden omdat Hij altijd leeft om voor ons tussenbeide te treden (Hebr. 7: 25).

Wat onze positie voor God betreft, zijn wij al volkomen behouden. Maar wat onze wandel door de "woestijn" betreft: wij hebben het hemelse einddoel van de reis nog niet bereikt, en daarom hebben wij nu het hogepriesterschap van Christus nodig.

Verder leert de HebreeŽnbrief ons nog het volgende aspekt van het hogepriesterlijke werk van Christus: Christus is niet alleen het kanaal waardoor de Goddelijke gunst op ůns neerdaalt, maar Hij is ook de grote Priester door Wie wij tot God mogen naderen. Door zijn verzoeningswerk heeft Hij de weg geopend tot in het heilige der heiligen, en wij mogen Hem nu volgen op zijn schreden tot in de direkte tegenwoordigheid van God. Door Hem zijn onze offeranden aangenaam voor God (Hebr. 10:19-22: 13:15,16).

God leidt de zijnen door de hand van Christus, onze Leraar en onze grote Priester. Wij hebben onderwijs nodig van het Woord, maar wij moeten ook kracht ontvangen om naar Gods gedachten te handelen en te wandelen. Christus geeft ons genade tot tijdige hulp.

Wat een genade is het, dat God in deze beide behoeften heeft voorzien! Hij heeft ons niet alleen zijn Woord gegeven; en wie is een leraar als Hij? Maar Hij heeft ons ook een Hogepriester gegeven, die een volmaakt begrip heeft voor onze omstandigheden hier op aarde, een Hogepriester die een volkomen menselijke ervaring van al die omstandigheden bezit, die Zich helemaal in onze omstandigheden kan verplaatsen. Hij voelt met ons mee. Hij kent ons, Hij begrijpt ons en Hij bidt voor ons ... voortdurend, onophoudelijk, zonder onderbreking!

Het Woord van God en het hogepriesterschap van Christus worden in Hebr. 4 ook samen genoemd. Het Woord van God is levend en krachtig, en het oordeelt zelfs de meest verborgen gedachten van het hart. Maar naast dit onderwijs bezitten wij de troost van het hogepriesterschap van Christus. Op de vermaning volgt de bemoediging. Het Woord vermaant ons; het hogepriesterschap van Christus is ons tot troost, het schenkt ons de kracht om overeenkomstig het Woord te leven.

God leidt zijn kinderen door zijn Woord en door het hogepriesterschap van Christus. God leidt hen als een kudde. Dat wil zeggen: God heeft heel zijn volk op het oog. Het gaat Hem om al zijn schapen en Hij wil hen gezamenlijk leiden naar de grazige weiden en de stille wateren van het Woord. Natuurlijk wil God ons ook persůůnlijk leiden, maar Hij leidt ons eveneens gemeenschappelijk. Vormen wij een kudde die de goede Herder volgt en die luistert naar zijn stem?

God leidde IsraŽl als een kudde door de hand van Mozes. Mozes was een ervaren herder. Hij was veertig jaar lang op Gods leerschool geweest, toen hij de kudde van zijn schoonvader hoedde. En toen had God het al zo geleid, dat hij de kudde door de woestijn heen leidde tot aan de berg van God (Ex. 3: l). Datzelfde mocht hij later met het volk IsraŽl doen (Ex.3:12; 18:5). Dwars door de woestijn leidde hij de IsraŽlieten tot aan de berg van God, waar zij God dienden als een volk van koningen en priesters (Ex. 19:6) en waar zij luisterden naar Gods stem. En God leidde hen ook verder door middel van Mozes, de wetgever, die het Woord van God aan hen meedeelde.

Maar het bleek al gauw dat dit belangrijke middel niet voldoende was om het volk te leiden. Al spoedig kwam aan het licht dat het volk niet luisterde naar het Woord van God. Het bezat in zichzelf niet de kracht om naar het Woord te leven, en het verzette er zich ook tegen. Want wat het vlees bedenkt, is vijandschap tegen God (Rom. 8: 7). Het volk IsraŽl verviel tot afgoderij aan de voet van de berg, terwijl Mozes nog op de berg was om naar Gods stem te luisteren!

Priesterlijke voorbede was het enige middel dat overbleef, wilde het volk gespaard blijven voor het oordeel van God. Mozes beklimt de berg om voor het volk tussenbeide te treden. Dankzij zijn voorbede vindt IsraŽl genade in Gods ogen (zie Ex. 32-34).

In feite neemt Mozes hier de plaats in van Ašron, de priester, die zelf ongeschikt was om die taak te vervullen; hij had immers een belangrijk aandeel geleverd in de verering van het gouden kalf. Mozes is dan zowel wetgever als priester. Hij verenigt deze beide taken in zijn persoon, zoals het later in volmaaktheid ook het geval zou zijn met Christus Zelf.

In het vervolg van de geschiedenis van IsraŽl verricht Ašron echter wel weer priesterdienst ten behoeve van het volk, dat steeds weer faalt en weigert te luisteren naar Gods stem. Denken we maar aan de opstand van Korach, Dathan en Abiram. Het hele volk zou zijn omgekomen, als Ašron niet als priester tussenbeide was gekomen. Door het welriekende reukwerk dat hij aan God opofferde, deed hij verzoening en bleef het volk gespaard voor een volkomen vernietiging. Het is ook opmerkelijk, dat na deze ernstige gebeurtenis de plaats en de betekenis van het priesterschap duidelijk geaccentueerd worden (Numeri 16-18).

Het priesterschap is dus een noodzakelijke aanvulling op het eerste middel dat God heeft gegeven om zijn volk te leiden, namelijk het kennen en het bezitten van zijn Woord. Het priesterschap blijkt nodig te zijn om de kudde van God weer in het rechte spoor te leiden; het geeft genade tot tijdige hulp om werkelijk in overeenstemming met het Woord te leven.

Het voorbeeld van Mozes en Ašron is ook leerrijk voor gelovigen die zorg dragen voor de kudde van God, voor oudsten, voor herders die de kudde weiden. Zij moeten bedenken dat het de kudde van God is en dat de kudde thuishoort bij "de berg van God" (vgl. Ex. 3: l), d.w.z.: zij behoren de kudde in Gods tegenwoordigheid te brengen. Maar dat is nog niet voldoende. Zulke herders moeten ook voorbidders worden, die pleiten op Gods genade en trouw. Als priesters moeten zij het voorbeeld van de grote Priester volgen (Hebr. 7: 25).

Asaf begreep Gods leiding met zijn volk niet. Twee dingen stonden echter wel voor hem vast:

(1) Gods weg is in het heiligdom (vs. 14 St. Vert.). God leidt zijn volk in overeenstemming met zijn heiligheid en daarom kan het nodig zijn dat Hij ons tuchtigt en dat wij moeilijke wegen moeten gaan. Het is tot ons nut, "opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen" (HebreeŽn 12: 10).

(2) Gods weg is in de zee (vs. 20) zodat zijn voetsporen niet worden gekend. Gods leiding met zijn volk is vaak verborgen en zijn wegen zijn niet altijd te doorgronden. Wij kunnen God niet ter verantwoording roepen vanwege zijn daden, zoals Job het eens meende te kunnen doen. God weet echter hoe Hij zijn volk leidt, ook al is het dan door de zee en gaat het langs onbegrijpelijke wegen.

Asaf putte troost uit deze zekerheid. En dit is ook onze troost, als wij nadenken over Gods wegen met zijn volk en tot God roepen met het oog op de toestand van verval waarin zijn Gemeente op aarde verkeert. Gods weg is volmaakt en Hij heeft nog steeds de nodige middelen om ons te leiden. Maar wij hebben ons af te vragen of wij ons werkelijk lŠten leiden "door de hand van Mozes en Ašron", door de twee voorzieningen die God ons heeft gegeven: het Woord en het gebed. Op andere middelen kunnen wij niet bouwen.