De komende Koning

Aantekeningen bij het evangelie van MattheŁs

(4)

J. VAN STORMBROEK

 

"Toen IsraŽl een kind was, heb Ik het liefgehad,
en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen".
Hosea 11 : 1

In MattheŁs 2: 13-15 vinden we de geschiedenis van de vlucht van Jozef en Maria en het kind Jezus naar Egypte. En dat om te ontkomen aan de moordzuchtige plannen van koning Herodes. Achter deze goddeloze koning zien we Satan als de moordenaar van de beginne of als de grote rode draak die er op uit is om de mannelijke Zoon te verslinden (Openb. 12). "En hij (Jozef) bleef daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden, wat de Heer gesproken heeft door de profeet, die zei: Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen". Deze uitspraak werd ongeveer 700 jaar tevoren door de profeet Hosea met betrekking tot IsraŽl gedaan. In Exodus 4: 22 wordt IsraŽl Gods eerstgeboren zoon genoemd. Hier in MattheŁs 2 wordt de profetie van Hosea echter toegepast op Christus als een nieuw begin van het ware IsraŽl. Christus en IsraŽl zijn in het profetische woord nauw verbonden. Dat zien we b.v. heel duidelijk in het boek Jesaja. Aanvankelijk wordt over IsraŽl gesproken als "de Knecht des Heren", maar verderop wordt het heel duidelijk dat die titel alleen aan de Messias van IsraŽl toekomt.

IsraŽls Messias is de Knecht des Heren door wiens gehoorzaam lijden en sterven IsraŽl uiteindelijk de rechtvaardige knecht van Jahweh op aarde zal zijn.

 

IsraŽls geschiedenis, in Egypte begonnen, is er een geweest van zonde, ongehoorzaamheid en afval. Daarom moest de Messias, de waarachtig getrouwe dienstknecht des Heren komen, die gehoorzaam was tot de dood. Hij moest de hele geschiedenis van zijn volk doormaken; Hij moest die als het ware overdoen. Dat is dan ook de reden waarom Hij naar Egypte, het huis der dienstbaarheid moest vluchten. En nadat Hij uit Egypte werd geroepen, moest Hij net als IsraŽl de woestijn in om beproefd en verzocht te worden. Hij legde, anders dan IsraŽl, die reis af in de geest der heiligheid, zonder zonde. Zoals IsraŽl z'n volksbestaan, - zo gekenmerkt door ongehoorzaamheid - in Egypte is begonnen, zo heeft de Here Jezus als Messias van IsraŽl in volstrekte gehoorzaamheid nogmaals diezelfde weg afgelegd. In onvergelijkelijke liefde en ontferming heeft Hij Zich daarbij volkomen vereenzelvigd met zijn volk. "In al hun benauwdheid was Hij benauwd" (Jes. 63 : 9). Deze weg was vanaf zijn geboorte een lijdensweg zonder weerga. Op die wijze wordt een nieuwe grondslag gelegd voor de geschiedenis van IsraŽl. Het volk heeft gefaald onder de wet, maar het wordt in genade hersteld door de Messias.

"Toen Herodes zag dat hij door de wijzen misleid was, werd hij zeer toornig; en hij zond heen en bracht alle jongens om, die in Bethlehem en in zijn hele gebied waren, van twee jaar en daar beneden, overeenkomstig de tijd die hij bij de wijzen nauwkeurig onderzocht had" (vs. 16).

Bijzonder opmerkelijk en leerzaam voor het verstaan van Gods diepe wegen met zijn volk IsraŽl is het feit dat het lijden van het nog zo jonge kind Jezus diepe lijdensconsequenties heeft gehad voor de pasgeboren kinderen in Bethlehem.

 

Geen mens op aarde heeft ooit zo geleden als Christus. Hij was "de man van smarten". Hoe toepasselijk op Hem zijn de woorden van de profeet Jeremia in Klaagliederen 1 : 12: "Aanschouwt en ziet of er een smart is gelijk mijn smart". Maar er is ook geen volk ter wereld dat zo geleden heeft en nog lijden moet als het volk van IsraŽl. In de verzen 17 en 18 laat de evangelist MattheŁs dan ook duidelijk zien dat de smart en de radeloosheid van de ouders van de vermoorde kinderen in Bethlehem in een veel groter verband moeten worden beschouwd. "Toen werd vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia, die zei: "Een stem is in Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel beweende haar kinderen en wilde zich niet laten troosten, omdat zij niet meer zijn".

Deze verzen zijn een citaat uit Jeremia 31, waar we een ontroerende beschrijving vinden van het herstel van IsraŽl. In dit hoofdstuk wordt Rachel genoemd als de stammoeder zowel van Jozefs als van Benjamins nakomelingen, d.w.z. zowel van de bewoners van het tien-stammenrijk (EfraÔm, Manasse) als van het tweestammenrijk (Benjamin). Ze wordt daar voorgesteld als zich bevindend te Rama, dat ligt op de grens van beide rijken, wenend over de wegvoering in ballingschap van haar kinderen. De profeet ziet haar als de eenzaam achtergeblevene, die van al de door haar zo vurig begeerde kinderen is beroofd. Dit beeld van de beroofde Rachel roept de evangelist zijn lezers voor de geest om hun de betekenis van Bethlehems kindermoord te doen verstaan. Zoals de wereldmacht in de dagen van Jeremia het zaad van Jakob benauwde, zo komt zij nu in de persoon van Herodes de Edomiet tegen Rachels en Jakobs kinderen op. En tenslotte zal de Antichrist in een tijd van ongekende benauwdheid voor Jakob trachten IsraŽl om te brengen.

Wat Satan als overste van deze wereld echter ook tegen IsraŽl als Gods volk moge beramen in de grote worsteling tussen Jakob en Ezau, IsraŽl en de volken, IsraŽl zal de overhand behouden. Daarom wordt Rachel ook getroost in Jer. 31 : 16 met de woorden "Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen, want er is loon voor uw arbeidÖ er is hoop voor uw toekomst". IsraŽl kan niet door de wereld en het zaad van de slang worden overwonnen. Christus ontvlucht uit de handen van Herodes; daarin ligt ook voor IsraŽl als de radeloze Rachel de verlossing uit haar smart, als zij zich wil laten troosten.

Toen Rachel stierf, werd Benjamin, wiens naam betekent "zoon der rechterhand" (beeld van Christus) in Bethlehem geboren (Gen. 35 : 18). Als IsraŽl volkomen aan het einde zal zijn van zijn natuurlijk kunnen - en dat zal niet zonder uiterst pijnlijke barensweeŽn gaan - dan zal Christus de zaken ter hand nemen en tot een ongekend goed einde brengen.