"Zij is Mijn bruid"

(H.J. Hegger, 208 blz. f 19,80. uitg. Evangelische Pers. Postbus 30. Dieren.)

 

W. J. Ouweneel

 

(slot)

 

Belangrijke verschilpunten

Wanneer wij nu tenslotte ingaan op de belangrijkste leerstellige punten waarin wij van br. Hegger verschillen, dan bedoel ik daarmee geen ogenblik dat het hier om fundamenten van het christelijk geloof (zoals de Persoon en het werk van Christus, of het gezag van de Schrift) zou gaan. Daarin zijn we gelukkig geheel met H.J.H. verbonden. Nee, het gaat om verschilpunten die belangrijk zijn doordat zij in de praktijk een samengaan met H.J.H. (en vele gelovigen die net zo denken als hij) ernstig zouden kunnen bemoeilijken.

Nu moet ik wel uitdrukkelijk zeggen dat H.J.H. zelf in zijn boek op verschillende plaatsen zegt dat hij niet uit deze vragen is. Hij biedt geen definitieve, vaststaande visie, maar een nog maar gedeeltelijk ontwikkelde overtuiging, die hij als vraag aan zijn lezers voorlegt "Dit boek… is geschreven vanuit een diepe overtuiging, die gegroeid is in jarenlang persoonlijk en gezamenlijk luisteren naar de Bijbel en naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Desondanks wil ik dit boek als een vraag voorleggen aan de broeders en zusters… Wij komen nooit uitgedacht over dat wonderbare Woord en slechts "samen met alle heiligen" kunnen wij de volle rijkdom van de liefde van Christus peilen (Ef. 3: 18). Wanneer broeders of zusters menen mijn opvattingen te moeten afwijzen, mag ik hen dan vragen dat alleen te doen met argumenten vanuit de Schrift? Ik moet eerlijk zeggen dat alleen Schriftbewijzen voor mij beslissend zijn" (p. 203 v.). Wel, zo is het voor ons ook; laten we daarom de bedoelde verschilpunten vanuit de Schrift benaderen.

 

1. "Zoals wij het nu zien, menen wij dat die huisgemeente (die H.J.H. voorstaat)... niet samen (moet) komen op de zondagmorgen, zodat daardoor allen in de gelegenheid zijn om de diensten in de (verdeelde) kerkinstituten mee te maken. Wij menen ook dat wij aan niemand, die lid is van een Schriftgetrouwe kerk, ook al doet die dan mee aan de zondige verdeeldheid, de raad zouden moeten geven om zulk een kerkinstituut te verlaten. Wij menen eerder de tegenovergestelde raad te moeten geven: Blijf lid van de kerk, waartoe je behoort en probeer van binnenuit de andere kerkleden bewust te maken van het zondige van de verdeeldheid en van de noodzaak om één te worden" (p. 123).

Dit is één van de citaten die bewijzen hoe zeer H.J.H.’s streven gespeend is van sektarische tendenzen. Het is frappant dat ook de "broeders van de begintijd" met hetzelfde probleem worstelden dat zij de bestaande kerken geen "konkurrentie" wilden aandoen. Toen in 1830 de samenkomsten in Dublin van de huiskamer naar een openbaar lokaal verhuisden, bleven Darby en Bellett uit onrust enige tijd weg, en toen in 1831 de broodbreking in Plymouth verhuisde van een zijvertrek op zondagavond naar een kapel op zondagmorgen, gebeurde dit met tegenzin van Darby en Newton (zie "Het verhaal van de "Broeders", p. 13, 16). Die tegenzin werd snel overwonnen toen bleek dat zij die het bijbels samenkomen van gelovigen hadden leren aanvaarden, er helemaal geen behoefte meer aan hadden kerkdiensten bij te wonen. Integendeel, de "kerkmensen" stroomden in groten getale naar hun samenkomsten toe.

Is het trouwens konsekwent de kerkgenootschappen zoveel te willen "sparen" na zó uitvoerig en grondig hun menselijke instellingen te hebben veroordeeld op grond van de Schrift? Inderdaad: ook wij dringen niemand op dat hij zijn kerk moet verlaten en al helemaal niet dat hij zich "bij ons" zou moeten voegen. Als de Heer zo iemand dat door zijn Woord en Geest niet volkomen duidelijk maakt, heeft het geen enkele betekenis iemand ergens toe over te halen. integendeel: we zouden alleen maar vlees toevoegen daar waar al zoveel vlees is. Maar - we zouden het evenmin wagen tegen iemand te zeggen: Blijf lid van je kerk en probeer dáár te getuigen. Hoe kan ik het verantwoorden iemand aan te sporen te blijven op een plaats die zo duidelijk in strijd met de Schrift is?? Wij dienen iemand nóóit te zeggen wat hij volgens ons doen of laten moet: we kunnen hem alleen uit de Schrift voorstellen wat wijzelf daaruit geleerd hebben en de rest aan Gods Geest overlaten.

2. Zoals we al zagen gelooft br. H.J.H. dat er in de gemeente aangestelde oudsten behoren te zijn. Nu zegt hij vele prachtige dingen over de oudsten waarmee we van harte kunnen instemmen. Ook wij geloven dat de Heer ons door zijn Geest vandaag in de gemeente oudsten of voorgangers geeft, wij herkennen hen en erkennen hen graag (als we geestelijk zijn), ook al gebruiken we gewoonlijk wat andere termen, zoals: "leidende broeders", "vooraanstaande broeders". Maar dat maakt niets uit. Waar het wel om gaat is dit: wij geloven niet dat het bijbels is dat de gemeente die oudsten een formele aanstelling geeft!

Nu is het frappant dat H.J.H. daar zelf ook niet goed uitkomt; dat bleek mij uit zijn boek en uit mijn persoonlijk gesprek met hem. Hij schrijft "We vinden dus nergens een duidelijke richtlijn, hoe de oudsten en diakenen zouden moeten worden aangewezen door de gemeente" (p. 179). Dat is juist! Maar waarom niet een stap verder gegaan? We vinden immers niet eens één aanwijzing in de Schrift dat oudsten zouden moeten worden aangewezen door de gemeente!! Men kan zeggen dat dit een negatief argument is, maar er staan vele positieve bewijzen tegenover.

a. In verreweg de meeste gevallen waarin over oudsten in de gemeente gesproken wordt, vinden we niet vermeld dat zij daartoe officieel aangesteld waren. Voor de "Joodse" gemeenten is dit ook vanzelfsprekend, omdat in Israël een officieel ambt van oudste onbekend was; de oudere mannen die geestelijk waren en levenswijsheid plus leidersgaven hadden, waren vanzelf "de oudsten". Zo was het in de joods-christelijke gemeenten: ook daar erkenden de gelovigen als vanzelf het morele (niet de "Joodse" gemeenten is dit ook vanzelfsprekend, omdat in Israël een officieel aanstelling bekend of nodig was (zie Hand. 11 : 30; 15 + 16; 21 : 18; Jak. 5 : 14; 1 Petr. 5 : 1, 5; vgl. 2 Joh. l; 3 Joh. l). Zo hadden ook de apostelen een "opzienerschap" (Hand. 1 : 20). Ook in de brieven aan de gelovigen uit de heidenen horen we dikwijls over leidinggevende broeders zonder dat van enige aanstelling sprake is; steeds gaat het om het erkennen van het morele gezag dat uitgaat van die oudere broeders die geestelijk zijn en leidersgaven hebben (vgl. Rom. 12 : 8; 1 Kor. 16 : 15 v.; Hebr. 13 : 7, 17; 1 Thess. 5 : 12 v.; vgl. Hand. 15 :22).

 

b. Er zijn maar twee gevallen in het hele nieuwe testament waar wij over een formele aanstelling van oudsten horen; in het eerste geval gebeurt dat door de apostel Paulus (Hand. 14: 23), in het andere geval gebeurt dat door Titus, de afgevaardigde van Paulus, volgens een nauwkeurig omschreven opdracht van de apostel (Tit. 1 : 5). (1 Tim. 3 hoort hier niet bij, want daar is geen sprake van aanstelling, maar alleen van de vereiste kwaliteiten voor het opzienerschap; maar zelfs daar wordt dat niet aan een gemeente, maar aan een gevolmachtigde van de apostel meegedeeld.) Conclusie: voor de aanstelling van oudsten is apostolisch gezag nodig. Nergens wordt gezegd dat de gemeenten zelf hun oudsten kozen, of zeggenschap hadden bij de keuze van oudsten door de apostelen, en in geen enkele brief aan een gemeente wordt over aanstelling van oudsten gesproken. De gemeenten zijn dus absoluut niet bevoegd oudsten aan te stellen; anders had Paulus niet aan Titus maar aan de gemeenten op Kreta, niet aan Timotheüs maar aan de gemeente te Efeze moeten schrijven. De gemeenten erkennen alleen moreel degenen die de Heilige Geest over hen stelt (Hand. 20: 28).

 

c. Dit wordt nog duidelijker als we nagaan waar wčl over "kiezen" door de gemeente gesproken wordt, namelijk waar het gaat over de zorg voor de armen (Hand. 6 : 5; 2 Kor. 8 : 19). De bezitter beslist over zijn bezit: de gemeente beslist wie het geld mag beheren waarover zij verantwoordelijkheid heeft - maar Gód beslist wie er leiding mogen geven in zijn gemeente! Het is ondenkbaar in de Schrift dat een groep mensen van Godswege de bevoegdheid zou hebben zelf de personen te kiezen die hen zouden moeten besturen. Gezag komt altijd van bovenaf: God zond Christus, Deze stelde de apostelen aan, de apostel Paulus machtigde Titus en Timotheüs, en alleen deze personen waren betrokken in de aanstelling van oudsten. Als de gemeente zich toch de bevoegdheid zou toeëigenen oudsten aan te stellen, doet zij precies hetzelfde als de paus die voor zichzelf opeist wat uitsluitend aan Petrus was toevertrouwd. Men kan ook niet zeggen: het was de gemeente nooit verboden oudsten aan te stellen. Stel u voor dat de gemeente álles mocht doen wat haar niet verboden was! De gelovige vraagt niet hoever hij kan gaan zonder Gods verboden te overtreden, maar hij vraagt wat God hem geboden heeft en wat naar de geest van de hele Schrift is.

 

d. Wij hebben vandaag zeker leidinggevende broeders nodig, dat is helemaal het punt niet. In enkele gemeenten in de nieuwtestamentische tijd ontvingen zulke oudsten een formele aanstelling. In onze tijd is dit extra, formele gezag, niet meer nodig, omdat we nu een gezagsorgaan hebben dat daarin voorziet, en wel het voltooide nieuwe testament. Een enkele maal stelde Paulus (we lezen het niet eens van de andere apostelen!) oudsten aan; maar aan het eind van zijn bediening gaf hij de gemeenten over aan het Woord van God (Fil. 2:12 v.). Ook Petrus en Johannes geven bij hun heengaan geen voorschriften over hun opvolging of over de aanstelling van oudsten, maar wijzen alleen terug naar het Woord van God (2 Petr. 1 : 12, 15; 3 : 1 v.; 1 Joh. 2: 21, 24, 27).

Br. Hegger maakt een heel eerlijke en oprechte indruk; hij wil werkelijk onderzoeken wat de Schrift over al deze dingen zegt Daarom is het aandoenlijk te zien hoe hij worstelt met het probleem van de aanstelling. Hij zegt wel: "Wat denkt u van de volgende oplossing?" (p. 174), en geeft daarmee al het onzekere en menselijk gekonstrueerde van zijn visie aan. Maar in feite geeft hij helemaal geen oplossing; hij vertelt ons nergens hoe de gemeente de oudsten kan en moet aanstellen. Hij praat niet over tweetallen die gesteld moeten worden, hij is niet gelukkig met loten of stemmen; hij zegt alleen dat de gemeente moet aanstellen diegenen die de Heilige Geest al metterdaad heeft aangesteld (p. 174 v.)! Waarom die formele aanstelling door de gemeente dan nog nodig is en hoe die dan in zijn werk moet gaan, daarvan zei hij tenslotte tegen mij: "Ik weet het niet". Maar persoonlijk heb ik sterk de indruk dat hij er (als de Heer het wil) wel zal uitkomen.

 

3. De misschien moeilijkste kwestie heb ik tot het laatst bewaard, en dat is het punt van de zogenaamde geestesgaven. H.J.H. zegt o.a.: "Het is merkwaardig, dat men juist in de vroegere opwekkingskringen (b.v. Vergadering der Gelovigen, Maranatha-beweging) soms zo fel is tegen de pinksterbeweging. Ofschoon Paulus God dankt dat hij meer dan alle Korinthiërs in tongen spreekt, wordt het door dergelijke christenen soms voorgesteld of in onze tijd dat spreken in tongen altijd een uiting van occultisme, van duivelse machten, is" - en hij geeft voor deze weerstand dan een psychologische verklaring (p. 197). Maar het is eigenaardig dat hij zich niet afvraagt óf die "opwekkingskringen" misschien ook bijbelse bezwaren tegen de pinksterbeweging hebben! Waarom over psychologische verklaringen spreken voordat men grondig kennis heeft genomen van de Schriftuurlijke bezwaren tegen de pinksterleer? Ik bedoel niet de pinkster-uitwassen, de overaccentuering van wondergaven; daar is H.J.H. ook tegen (p. 170). Hij bidt zelf in zijn binnenkamer "in tongen", maar wil dit niet in de gemeentelijke samenkomst. Maar waarom vraagt hij zich niet af waarom "wij" in het algemeen ook dit in de binnenkamer in tongen bidden afwijzen?

Uit het boek en uit mijn gesprek met H.J.H. is het antwoord duidelijk: door zijn droevige ervaringen in twee kerkgenootschappen is hij vreselijk bang geworden nog maar iets in het nieuwe testament voor "tijdgebonden" te verklaren en daardoor aan Schriftkritiek te doen. Dit brengt hem in het gevaar niet zozeer in het nieuwe testament naar universele beginselen voor de hele periode van het christendom te zoeken, maar het apostolische tijdvak te willen imiteren. Vandaar dat hij graag vandaag nog aangestelde oudsten wil zien (want die waren er toen ook), graag in beperkte zin een zekere kontinuďteit van het apostelschap aanneemt (p. 103), ook vandaag een zekere ruimte voor "openbaringen" laat (zij het niet in de zin van pinkster-profetieën, maar b.v. ingeval van persoonlijke roeping; p. 139), en ook ruimte laat voor de wondergaven.

Toch ontkomt H.J.H. er ook niet aan bepaalde Schriftbeginselen voor tijdgebonden te verklaren. Ook hij eet varkensvlees, want het verbod dat te eten, was "tijdgebonden"; het is opgeheven. Hoe weten we dat? Omdat de Schrift dat zelf duidelijk maakt. Dát is voor hem en voor ons beslissend. En zo geloof ik ook dat de wondergaven beperkt waren tot de apostolische tijd; niet vanwege het verval in de gemeente, maar eenvoudig omdat die gaven na de apostolische tijd niet meer nodig waren. Dat beslissen wij niet, maar dat maakt de Schrift m.i. zelf duidelijk. Ik werk met br. J. Ph. Fijnvandraat aan een uitvoerig boek over deze materie, zodat ik de argumenten voor deze visie nog even uitstel. Ik vat alleen enkele punten heel kort samen, met alle risico's van de beknoptheid

 

a. De tongengave was nimmer bedoeld voor persoonlijk gebed, maar was een teken voor de ongelovigen, en wel (blijkens Jesaja's profetie) ongelovige Joden (1 Kor. 14: 22); wat 1 Kor. 14: 1 - 5 over de tongentaal zegt, heeft niets te maken met de normale bedoeling van deze gave, maar beschrijft juist de verkeerde konsekwenties van een verkeerd gebruik van deze gave (vgl. p. 132).

 

b. De tekengaven waren dus uitdrukkelijk niet ten behoeve van de gelovigen maar van de ongelovigen; ook de gave van gezondmaking was niet voor de gemeente (vgl. p. 148, 151) maar voor ongelovigen. Nimmer werd iemand die al een gelovige was in het nieuwe testament genezen door een gave van gezondmaking, integendeel, velen waren ziek (Paulus, Timotheüs Trófimus, Epafroditus).

 

c. De nieuwtestamentische tekenen waren uitdrukkelijk de "tekenen van de apostel" (2 Kor. 12: 12); zij werden ook alleen verricht door hen óf door degenen die door hen tot geloof gekomen waren (vgl. Mark. 16 : 15 - 20); in feite waren bij deze tekenen altijd Joden betrokken (vgl. 1 Kor. 14: 21 v.); profetieën en kennis gaan door tot de "volmaaktheid", maar de tongen zouden vanzelf ophouden (1 Kor. 13 : 8); zij horen bij de kindsheid van de gemeente (1 Kor. 13 : 11; 14: 19 v.); zij vormen een Goddelijke sanctionering van het woord van de apostelen en waren toen de Hebreeënbrief geschreven werd kennelijk al verleden tijd (Hebr. 2: 3 v.); al in de loop van het boek de Handelingen nemen de tekenen snel af; in de na-apostolische tijd waren ze al volslagen onbekend geworden. Wat overbleef was: het geschreven Woord van God en het licht van de Heilige Geest daarover.

 

d. Er is geen sprake van dat wij zouden menen dat het spreken in tongen vandaag te allen tijde een occulte zaak zou zijn (al blijkt uit de zielzorgerlijke praktijk dat het dat dikwijls wčl is!). Waar het dat kennelijk niet is, hebben wij blijkens uitvoerig onderzoek met een psychologisch verschijnsel te maken dat bij bepaalde typen mensen vrij gemakkelijk ontwikkeld kan worden (zie o.a. J.P. Kildahl: "The Psychology of Speaking in Tongues"). We hoeven dat hier niet uit te werken.

Ik eindig. Leest u zelf het boek van br. Hegger. Lees het kritisch (met een open bijbel) én lees het met een open, ootmoedige instelling. En bid vooral voor hem, dat de Heer hem en allen die zijn boek zullen lezen, de weg moge wijzen die naar zijn Woord en wil is.