De opname van de gemeente

een hersenschim?

(12)

J.G. FIJNVANDRAAT

 

Vr het uur van de verzoeking

Een tweede, meer direkte aanwijzing, dat de gemeente niet door de Grote Verdrukking gaat, hebben we in het woord van de Heer, gericht aan de gelovigen te Filadelfia (Openb. 3 : 7 - 13). De belofte van onze Heiland luidt als volgt:

"Omdat gij het woord van mijn volharding bewaard hebt, zal ik ook u bewaren vr het uur van de verzoeking, die over het hele aardrijk komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen. Ik kom spoedig, houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neemt" (vers 10, 11.).

Bij deze teksten moeten we enkele dingen opmerken.

 

  1. Hier wordt niet de uitdrukking "grote verdrukking" gebruikt, maar het woord "verzoeking". Het gaat wel om dezelfde periode, alleen wordt er een ander aspekt van belicht. Met "verdrukking" wordt gedoeld op de onderdrukking van "het volk" door de vijanden (nu afgezien van de vraag wie het volk vormen) en wel in het bijzonder door de antichrist en zijn trawanten. Met "verzoeking" wordt de verleiding bedoeld, die er van de antichristelijke cultus zal uitgaan. We lezen ervan in Openb. 13 : 13, 14: "En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. En het verleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen, die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest..."

  2. De uitdrukking "die op de aarde wonen", die we n in Openb. 3:10 n in 13:14 tegenkomen, is kenmerkend voor het boek Openbaring. Ze ziet op het mensengeslacht van de eindtijd, dat alleen de aarde als leefterrein kent en God en de hemel heeft afgeschreven. Voor deze mensen komt de verzoeking; zij zullen de antichrist volgen en het beeld aanbidden.

  3. Er staat in Openb. 3 : 10 niet dat de gelovigen bewaard worden voor de verzoeking, maar voor het uur van de verzoeking. De uitdrukking "bewaren voor" komen we precies zo tegen in Joh. 17 : 15: "dat Gij hen bewaart voor de boze". De zin ervan is, dat de gelovigen niet in de macht van de boze vallen. Zo zou bewaren voor de verzoeking inhouden dat de gelovigen in de tijd van de verzoeking bewaard blijven om aan die verzoeking toe te geven. Bewaren voor het uur van de verzoeking moet echter inhouden, dat de gelovigen niet in dat uur komen.

  4. d. Dit bewaren voor het uur van de verzoeking wordt gezien als een beloning op het "bewaren van het woord van mijn volharding", het heeft dus alles te maken met de toekomstverwachting. Dit blijkt ook uit het volgende vers: "Ik kom spoedig". Anders gezegd: de bewaring voor het uur van de verzoeking geschiedt door de komst van de Heer.

 

N. B. Dat de brieven aan de zeven gemeenten in Asia meer zijn dan zeven brieven aan de toenmalige gemeenten daar, blijkt uit het volgende:

- Heel het boek de Openbaring wordt "profetie" genoemd. Dus ook de zeven brieven vallen onder het begrip profetie (1 : 3).

- De zeven brieven worden niet elk naar de gemeente gestuurd waaraan ze gericht zijn, maar alle zeven gaan, tesamen met de rest van het boek, naar elke gemeente (1 : 11.).

- De eenheid van de zeven brieven en de eenheid met het hele boek wordt daardoor duidelijk benadrukt.

- Er waren meer gemeenten in Asia. Het feit dat deze zeven uitgekozen zijn laat zien, dat de brieven meer dan plaatselijk belang hebben, ook meer dan algemeen belang in de zin zoals de brief aan de Romeinen van algemeen belang is. Het aantal 7 geeft aan, dat er een totaalbeeld van de gemeente wordt gegeven.

- Er valt een duidelijke volgorde en een duidelijke onderlinge samenhang op te merken. Zoals de Heilige Geest in dit boek voorgesteld wordt door de zeven Geesten, die voor de troon zijn, zo wordt de ene gemeente voorgesteld door deze zeven gemeenten, waarbij elk een bepaald facet van de gemeente, zoals dat in de loop van de tijden naar voren komt, belicht

- Zo zien we in Thyatire het Roomskatholieke element optreden en in Sardis dat van een dode orthodoxie, enz.
In bijna elke brief wordt de komst van de Heer voorgesteld.

- De morele volgorde is heel duidelijk als we op de hoofdlijn letten; het begint met het verlaten van de eerste liefde en eindigt met een misselijkmakende lauwheid, die tot gevolg heeft het terzijde stellen: "Ik zal u uit mijn mond spuwen". Met andere woorden: de zeven brieven geven een profetische kerkgeschiedenis te zien, vanaf de apostolische eeuw tot aan de eindtijd.

N.B. Zie de Inleiding op "De Falende Gemeente" door J.N. Darby.

Wat hem tegenhoudt weet gij

Voor een derde aanwijzing gaan we naar 2 Thess. 2: 6, 7. We treffen daar de volgende uitspraak aan:

"En nu, gij weet wat (hem) (de mens der zonde, JGF) tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij, die (hem) nu tegenhoudt, (zal dit doen) totdat Hij zal weggenomen worden."

Om de betekenis van deze verzen duidelijk te maken, moeten we eerst iets zeggen over het betoog van de apostel in de voorafgaande verzen.

Er waren mensen, die de gelovigen te Thessalonika hadden wijsgemaakt, dat de verdrukkingen, die ze ondergingen een bewijs waren, dat de dag des Heren aangebroken was. (N.B. of "er al was", hier staat in het Grieks hetzelfde woord als in Rom. 8:38; 1 Kor. 3:22; Gal. 1:4; 1 Kor. 7:26; Hebr. 9:9, dat in die gevallen door "tegenwoordig(e)" is weergegeven). Als deze bewering, die zelfs valselijk onder de naam van Paulus werd verbreid, waar was, zou het onderwijs van deze apostel gegeven in de eerste brief op losse schroeven komen te staan. De apostel opent dit hoofdstuk dan ook met een soort bezwering.

Deze luidt

"En wij bidden u, broeders, ter wille van de komst van onze Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet zo spoedig in uw gemoed geschokt of verschrikt wordt alsof de dag van de Heer er al zou zijn."

 

Laten we nu eens even veronderstellen, dat de algemeen kerkelijke opvatting, dat de gemeente door de Grote Verdrukking moet gaan en de dag des Heren op aarde zal meemaken, juist is, welke reden was er dan voor de Thessalonikers om verschrikt te zijn?? Die dag bracht dan toch de komst van de Heer met zich? Dan zouden ze toch altijd bij de Heer zijn? In plaats van schrik zou blijdschap hun hart moeten vervullen. Of moet een christen soms bang zijn voor die dag en wensen, dat die in zijn dagen nog maar niet aanbreekt... Laat ons nageslacht die dag maar meemaken? Ieder voelt dat dit een onmogelijke konstruktie is. Als we de dag des Heren als gemeente op aarde hebben mee te maken dan betekent het aanbreken van die dag dat de komst van de Heer vlak voor de deur staat en dat kan voor gelovigen alleen maar een reden tot blijdschap zijn. Als echter de opvatting van het chiliasme juist is, namelijk dat de opname van de gemeente voor die tijd moet plaatsvinden, dan is er reden tot schrik als de dag aanbreekt, want dan blijkt het woord van Paulus niet te kloppen. Of jullie uitleg van zijn woorden niet, kan men tegenwerpen, maar daar gaat het nu niet om want we zetten nu eenvoudig twee mogelijkheden naast elkaar. Of Paulus heeft geleerd, dat de gemeente tot de "jongste dag" op aarde blijft of hij heeft geleerd dat de opname voor die tijd plaatsvindt. Heeft hij het eerste geleerd, dan is het geschokt-zijn van de gelovigen te Thessalonika niet verklaarbaar. Of beter gezegd, dan is het onverklaarbaar dat de apostel hen daar niet in andere zin over vermaant. Als de opname echter eerder plaatsvindt, dan is er alle reden om geschokt te zijn door de valse voorstelling van zaken, die de gelovigen te Thessalonika hadden gehoord.

Welnu, de apostel noemt in dit eerste vers van hoofdstuk 2 de "vereniging met Christus" (en dat slaat ontegenzeggelijk terug op wat hij in 1 Thess. 4:15-18 geschreven heeft) als uitgangspunt en zegt, dat ze juist op grond van de leer van de opname niet bevreesd of geschokt moeten zijn.

Oftewel: de leer van de opname had hen al duidelijk kunnen maken, dat de opvatting die hen nu onder valse vlag verkondigd werd, fout was.

 

Vervolgens zet Paulus een aantal toekomstige gebeurtenissen op een rijtje. En wel als volgt:

  1. Aan de dag van de Heer gaat eerst de afval vooraf. Dat is de totale afval van God, zoals we die in Openb. 13 vonden voorgesteld (vgl. Amos 4: 4).

  2. Deze afval gaat gepaard met de openbaring van de mens van de zonde, ook de zoon van het verderf genoemd. Hiermee duidt Paulus de persoon aan, die door Johannes de antichrist genoemd wordt.
    Deze persoon zal zich zetten in de tempel van God en zich vertonen alsof hij God is.
    N. B. De chiliast gelooft in het herstel van Isral. Eerst zal een nationaal herstel plaatsvinden in ongeloof ("maar geest was er nog niet in hen" Ezech. 37 : 8). De tempel zal weer herbouwd en de offerdienst weer ingevoerd worden. In die tempel zal de antichrist zich zetten. Deze uitleg sluit aan bij het woord uit Matth. 24:15 dat "de gruwel van de verwoesting" waarover Danil gesproken heeft zal staan "in de heilige plaats". In de kerkelijke theologie moet men onder de tempel Gods de gemeente als geestelijke tempel verstaan, waarbij het zich zetten in die tempel praktisch niet te verklaren is.
    De apostel had hen in de korte tijd dat hij bij hen was over de toekomstige gebeurtenissen gesproken en het ook over deze antichrist gehad. De gelovigen waren dit echter kennelijk vergeten.

  3. Aan de openbaring van de antichrist staat nog iets in de weg. Paulus spreekt over "wat hem tegenhoudt" (vs. 6) en over "hij die hem tegenhoudt" (vs. 7). Dit verschil in woordgebruik geeft aanleiding te denken aan twee zaken, die dan echter onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten zijn. Van deze tegenhouder zegt Paulus, dat de Thessalonikers weten wie hij op het oog heeft. Over deze tegenhouder is veel gespeculeerd. Velen nemen aan, dat de apostel doelt op de overheid en dan wel in het bijzonder die van het Romeinse Rijk. Als dat rijk zou vallen zou er vrij baan komen voor de antichrist. Dit is echter niet meer dan een gissing, die elke bijbelse argumentatie mist. Het is moeilijk voorstelbaar dat een heidense macht, die net zo satanisch is zou tegenhouden. Satan is niet tegen zichzelf verdeeld. Bovendien is de antichrist in Openb. 13 duidelijk verbonden met het herstelde Romeinse Rijk. En verder is na de val van Rome de antichrist niet openbaar geworden. Wanneer we echter beseffen, dat de apostel met hen gesproken heeft over de opname van de gemeente, daarover geschreven heeft in zijn eerste brief en hen in het openingsvers van dit hoofdstuk daar opnieuw bij bepaalt, is er alle reden aan te nemen, dat de apostel op dit feit teruggrijpt Het heeft dan niets te maken met een zekere geheimzinnigheid waarin Paulus zijn woorden zou hullen, een geheimzinnigheid die zou dienen om de toorn van de machthebbers van het Romeinse Rijk niet op te wekken - maar eenvoudig met het feit, dat hij over de tegenhoudende faktor al genoeg gesproken heeft. Hij hoeft die niet nog eens te noemen.

Hij die in u is

Met het voorgaande is nog niet alles gezegd. Willen we het onderwijs van Gods Woord verstaan, dan moeten we Schrift met Schrift vergelijken. Dat wil zeggen: we moeten gedeelten die over eenzelfde onderwerp handelen met elkaar vergelijken. Welnu, we hebben er al eerder op gewezen, dat niet alleen Paulus, maar ook Johannes over de antichrist heeft geschreven. En er is een gedeelte in de eerste brief van Johannes, dat vrijwel parallel loopt met 2 Thess. 2. Ik doel op 1 Joh. 4: 1 - 6.

 

De parallel tussen beide gedeelten is erg duidelijk:

  1. zowel Paulus als Johannes hebben het over de komende antichrist. Zo als gezegd gebruikt Paulus alleen een andere naam, het gaat echter over dezelfde persoon.

  2. Paulus spreekt over hem als de wetteloze, die openbaar zal worden (vs. 8) en Johannes heeft het over de antichrist, die komen zal (1 Joh. 4: 3).
    Beiden hebben het dus over zijn komst.

  3. Paulus heeft het erover, dat in deze tijd de verborgenheid van de wetteloosheid al werkt, en zo spreekt Johannes over de geest van de antichrist die nu al in de wereld is.

  4. Paulus heeft het over een "hij, die tegenhoudt"; Johannes over "hij, die in u is" (vgl. 1 Kor. 3 : 16; Rom. 8 : 16).

 

In deze tijd openbaart zich die geest in de dwaalleraars, die ontkennen, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is (1 Joh. 4: 3). De kinderen van God weerstaan echter deze dwaalleraars. Johannes zegt dat zo:

"Gij zijt uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat die in u is, groter is dan hij die in de wereld is" (vs. 4).

Hier wordt op dezelfde indirekte manier over een bepaalde macht of persoon gesproken als in 2 Thess. 2. Dat Johannes de Heilige Geest bedoelt, is duidelijk (zie 1 Kor. 3 : 16; Rom. 8: 9; Joh. 14: 17). Dat betekent dus dat de Heilige Geest sterker is dan de antichristelijke geest in de wereld. Het betekent ook dat de algehele verbreiding van de dwaalleer in deze tijd door de Geest nog een halt toegeroepen wordt. De geest van de antichrist mag dan wel in de wereld zijn, de antichrist zelf kan nog niet optreden. De tijd is er niet rijp voor zolang de Heilige Geest de geest van de dwaling weerstaat.

 

Combinatie van de beide schriftplaatsen helpt ons dus om de tegenhouder te identificeren. Het is de Heilige Geest, die sinds de Pinksterdag domicilie heeft gekozen op aarde. Als de periode van de gemeente op aarde voorbij is, zal niet alleen de gemeente opgenomen worden, maar ook de Heilige Geest, die in de gelovigen persoonlijk en in de gemeente als geheel woont (zie Joh. 14: 17). Zo zal de weg vrijgemaakt worden voor de openbaring van de antichrist en het intreden van de afval.