Elihu, een model dienstknecht

(slot)

J. Ph. Fijnvandraat

 

10. Elihu zag niemand naar de ogen!

Anderen naar de ogen zien is een veel voorkomende zonde in de dienst van de Heer! Hoe vaak wordt er met twee maten gemeten. Iemand hoort, dat br. X in de vergadering te Y vanwege zijn optreden met tuchtmaatregelen van de zijde van de vergadering te maken kreeg - en neemt dat zonder meer aan. Maar zodra het een goede kennis of vriend van hem betreft, kan hij de maatregelen van die vergadering niet aanvaarden als hij niet eerst grondig op de hoogte is gesteld van alle details en terdege onderzoek heeft kunnen doen!

Hoeveel moeilijkheden zijn alleen door deze manier van reageren al gerezen! Mozes prijst het terecht in Levi, dat deze stam "van zijn vader en zijn moeder zei: Ik zie hen niet; en zijn broeders wilde hij niet kennen" (Deut. 33 : 9).

Christus heeft gezegd: "Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, kan mijn discipel niet zijn" (Matth. 10:37). Hoe kunnen sommige mensen iemand ook vleien en naar de ogen zien, alleen om eigen positie te verstevigen. Omgekeerd kunnen ook leidinggevende gelovigen de massa naar de ogen zien, om hun positie zeker te stellen. Het is een beginsel, dat in de parlementaire democratie tot de gebruikelijke politiek behoort. Het is onder gelovigen wereldgelijkvormigheid, als zij deze methoden overnemen in hun verkeer onder elkaar!

Elihu kon getuigen: "Ik zal niemand naar de ogen zien en geen mens vleien, want vleien kan ik niet, ras zou mijn Maker mij wegnemen." (32:22). Letterlijk luidt de tekst volgens W. Kelly: "Ik zal aan geen mens vleiende titels geven". Nu - wat dat betreft weet niet alleen de maatschappij, maar ook de christenheid er wat van! Christus zei: "Noem niemand uw vader op de aarde, want Eén is uw Vader..." maar honderden miljoenen, die zich christen noemen, spreken niet slechts van de Paus als "Vader", maar zelfs als "Heilige Vader"!

En al hebben protestanten dan geen Paus, er zijn tienduizenden mensen die op aarde in Gods gemeente als "dominee" ("here") worden aangesproken in onderscheiding van de andere leden van Gods gemeente. Binnen de gemeenschap van Gods kinderen zouden titels geen enkele rol behoren te spelen. Of iemand een graad in de godgeleerdheid bezit behoort daar van even weinig betekenis te zijn als het vakdiploma smeden of het diploma kraamhulp! Wie God wil dienen moet niemand naar de ogen zien en zich niet laten beïnvloeden door familie- of vriendschapsrelaties, noch ook door posities of titels.

 

11. Elihu verhief zich niet boven de ander, maar maakte zich één met hem

"Zie, voor God ben ik aan u gelijk, ook ik ben uit leem afgeknepen" (33:6) en "Zie God is groot, en wij begrijpen hem niet" (36 : 26), zijn uitlatingen die dit heel duidelijk tonen. Het grote Voorbeeld hebben we in de Zoon van God zelf. Om ons te redden is Hij "vlees geworden en heeft onder ons gewoond".

Een fout van Westerse zendelingen is vaak geweest, dat zij zich niet één maakten met de mensen in wier cultuur zij het evangelie kwamen brengen, maar integendeel deze mensen hun Westerse cultuur gingen opdringen en zo onnodige barrières hebben opgeworpen voor een goede verbreiding van het evangelie. Maar ook onder gelovigen in het Westen is het van belang zich één te maken met de ander.

Jaren geleden zat een aantal broeders en zusters - merendeels ontwikkelde mensen - keurig in het zondagse costuum ten huize van een gelovige fabrikant Een landarbeider kwam deze fabrikant een broederlijk bezoek brengen. Het was een man van weinig ontwikkeling en hij kwam zoals hij was, op klompen en in zijn blauwe kiel. De gastheer stond zelf op om hem in de vestibule welkom te heten. Toen hij daarna met zijn gast weer in de kamer verscheen, stond hij in zijn overhemd.

Daar zijn gast geen colbert droeg, maar in zijn blauwe kiel was gekomen, stelde onze fabrikant hem direct op zijn gemak, door zijn eigen jasje aan de kapstok te hangen. Deze man kende de les, die ook in het optreden van Elihu ligt opgesloten: - je één maken met de ander.

Bovenal is dit van belang, als men anderen moet vermanen. Wie dat gaat doen in de geest van: "Jij hebt dat en dat gedaan (gezegd) en daar deugt niks van, je bent een bedrieger" - heeft van deze les nog weinig begrepen. Hij moet zich niet verbazen als zijn vermaan niets uitricht, zelfs al heeft hij 100 % gelijk.

Wie tucht wil uitoefenen zonder zich één te maken met de overtreder, wordt daarin zelfs door God niet erkend, zoals moge blijken uit de twee-voudige nederlaag van het volk Israël in de tucht over de stam Benjamin, beschreven in Richteren 20. Hun ijver om "het kwaad in Israël uit te roeien" (20:13) was een vleselijke ijver. God deed hen tot twee maal toe de nederlaag lijden (20 : 21 en 25).

Niet alleen moesten zij erkennen, dat Benjamin hun broeder was (daartoe kwamen ze eerst na de eerste nederlaag!); neen, er moest nog meer gebeuren. Zij zelf moesten zich verootmoedigen voor de Heer en traag worden om te toornen. Pas als zij brand- en vredeoffers hebben geofferd en hebben gevast en bidden: "Zal ik optrekken tegen mijn broeder Benjamin of zal ik het nalaten..." - (20:28), dan geeft God hen kracht tot deze tucht. In hun vasten hadden zij zich niet alleen met woorden, maar ook met de daad op één lijn gesteld met hun broeders. Het optreden van Elihu maakte Job rijp om te gaan luisteren naar God zelf - het geheim lag daarin, dat Elihu zich met Job wist één te maken.

 

12. Elihu wilde de eer van God handhaven én het heil van Job zoeken

Vele gelovigen ijveren voor de eer van God. Toen zich onder gelovigen in Engeland in de vorige eeuw scheuringen voordeden, kon men de kreet "For the honour of the Lord" ("Om de eer van de Heer") beluisteren.

En laten we duidelijk stellen: we hebben als gelovigen persoonlijk en gemeenschappelijk de Heer te eren. Maar hoe doen we dat? Als er kwaad onder gelovigen openbaar wordt is dat tot oneer van de Heer. Dat bozen uit het midden moeten worden verwijderd leert ons 1 Cor. 5 : 13 duidelijk. Maar daarmee is de oneer niet weggenomen - integendeel, het is en blijft een oneervolle zaak, dat het kwaad zich voordeed. En niet de boze alleen, maar wij allen hebben dan daarin schuld. Men kan die schuld belijden, maar de oneervolle gevolgen blijven liggen. Als zich onder ons de noodzaak van de uiterste tuchtoefening voordoet, is dat alleen om een verdere ontering van de naam van de Heer te voorkomen. Scheuringen zijn soms niet te vermijden, maar daarom zijn ze nog niet tot eer van de Heer. Elke evangelist kan u vertellen, hoe ze tot schade zijn voor het evangelie en hoe de naam van God er om gelasterd wordt! Natuurlijk hebben we God te eren door het kwade ook kwaad te noemen en te handelen naar zijn Woord. Maar elk triomfantelijk gevoel van: "Wij strijden voor de eer van de Heer" en: "We hebben nog nooit zulke mooie samenkomsten gehad als nu..." is daarbij uit de boze!

Als zich kwaad onder ons voordoet is dat juist een nederlaag en een reden tot verootmoediging. Het wegdoen van het kwaad doet de nederlaag niet teniet, het voorkomt alleen een nog grotere nederlaag. Als we dat meer beseften, zouden we ook bewaard blijven voor eenzijdigheid. De eer van de Heer moet altijd bij ons voorop staan - maar het heil en het herstel van een gelovige die fout gegaan is, is daar onlosmakelijk mee verbonden. Wie de eer van God zoekt zonder daarbij het herstel van mensen op het oog te hebben, bereikt steevast het tegenovergestelde van zijn streven en speelt de duivel in de kaart. Genadeloosheid is altijd tot oneer van God.

Elihu bleef bewaard voor een dergelijke houding. Hij zocht de eer van God: "Zie daarin hebt gij ongelijk, antwoord ik u, want God is meerder dan een sterveling..." (33: 12; zie ook 34: 17; 36 : 5, 23-25). Maar hij zocht ook het hart en geweten van Job te bereiken: " ... Waarom hebt gij tegen Hem getwist…?" (33 : 13; zie ook 33 : 31 -33; 34: 16 en 35 : 2 - 8).

 

13. Elihu wist van oordeel en van genade

Hij spreekt niet alleen van Gods gerechtigheid en heiligheid en majesteit, maar ook van Gods verlossing en bevrijding. Hij richt het hart van Job op Gods genade, zie o.a. 36: 15-16, 22-30.

 

14. Elihu sprak van de Middelaar

Natuurlijk kon Elihu niet over Christus als Middelaar spreken zoals wij. Maar hij kende de noodzaak van een Middelaar, zoals blijkt uit de woorden van 33 : 23: "Indien er een boodschapper hem terzijde stond, een Middelaar, één uit duizend, om een mens zijn plicht te tonen (nl. zichzelf in oprechtheid te veroordelen), dan zal Hij zich zijner erbarmen en zeggen: "Bevrijd hem... de losprijs heb ik gevonden" (36 : 23-24 in de vertaling van J. N. Darby).

Wat een voorrecht hebben wij, dat we mogen getuigen: "En hij is het zoenoffer voor onze zonden, en niet voor onze zonden alleen, maar ook voor de hele wereld" (1 Joh. 2: 2).

Laat ons dienen van God bovenal gericht zijn op het vestigen van de aandacht op onze Here Jezus Christus!