Gouden en zilveren vaten

(slot)

J. G. FIJNVANDRAAT

 

Andere opvattingen getoetst

We verhelen niet dat over 2 Tim. 2 nog wel andere opvattingen bestaan. Voor hen, die ermee in aanraking komen is het nuttig deze opvattingen aan de Schrift te toetsen.

Ten eerste is er de gedachte dat bij de vermelding van gouden, zilveren, houten en aarden vaten niet aan een tegenstelling moet worden gedacht. De vier soorten vaten worden dan gewoon naast elkaar gesteld en onderscheiden in vaten tot eer en vaten tot oneer. Op deze onderscheiding alleen zou het aankomen. De gedachte "gelovigen of ongelovigen" moet men volgens deze opvatting hierbij niet in het geding brengen (zie W.J. Hocking).

 

Deze opvatting heeft dit tegen:

1. De symbolische betekenis van het genoemde materiaal, en dus het verband met 1 Kor. 3 moet worden opgegeven. Maar waarom worden er dan verschillende soorten materiaal genoemd?
2. De vier materialen worden per se niet naast elkaar genoemd. De meeste vertalers hebben "niet alleen... maar ook..." of "naast… ook..."
3. Het noemen van het materiaal houdt een kwaliteitsaanduiding in. In dit geval gaat het dus wel degelijk om wat men is, c.q. gelovige of ongelovige.
4. De uitdrukking: "de Heer kent die de zijnen zijn" heeft eveneens te maken met wat men is. Deze kwestie speelt dus terdege een rol. Alleen, we hebben dit aan de Heer over te laten. Voor ons staat het vermeld om duidelijk te maken, dat er van een wantoestand sprake is.

 

Overigens voert deze opvatting tot geen andere konklusie ten aanzien van het "reinigen" zolang men in vers 21 "van dezen" maar terug laat slaan op de vaten tot oneer en niet op "de ongerechtigheid" van vers 19.

 

Slechts gradueel onderscheid

Een andere gedachte is de volgende: "Zoals in elk huis zijn er ook in de gemeente verschillende vaten. Sommige (van de vier) zijn voor eervol gebruik, sommige voor oneervol gebruik. Door zich te reinigen van ongerechtigheid kan men opklimmen wat bestemming betreft."

 

Mijn kommentaar

a. Dat de gemeente met een gewoon huis wordt vergeleken is geen aanbeveling. Het is ermee als met de beschrijving van 1 Kor. 3 vergeleken met die van 1 Petr. 2. Petrus ziet de gemeente - het huis van God - opgebouwd uit levende stenen. Dat is het gebouw, zoals het onder de handen van de Heer gevormd wordt. Van hout e.d. is dan geen sprake. Paulus beschrijft het huis, zoals het onder de werkzaamheid van de mens tot stand komt. Dan wordt gebouwd met goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen. Mag men nu zeggen: "dat is normaal; hout, hooi enz. horen bij de bouw van een (oosters) huis"? Nee, zover mag men de vergelijking niet doortrekken. Het volgende vers maakt duidelijk dat dit brandbare materiaal door het vuur verteerd wordt en dus niet in het geestelijk huis thuishoort.
b. Het verband met Hymeneüs en Filetus wordt hierdoor totaal opgegeven.
c. Vers 21 zou dan niet meer dan een herhaling zijn van vers 19b, wat niet aannemelijk is. Bovendien is de tekst niet gelijk.
d. "Hiervan" of "van deze" zou dan niet terugslaan op het laatst genoemde onderwerp, zoals anders gebruikelijk is.
e. 2 Tim. 3 : 5 leert heel duidelijk het zich afwenden van personen.
f. 2 Tim. 2 : 22 spreekt als tegenstelling met vers 21 van associaties.
g. Deze redenering houdt geen rekening met het feit dat in vers 21 niet gesproken wordt van "vaten tot eer", maar "van vaten tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid". Deze uitgebreide detaillering en nuancering verliest dan totaal zijn waarde.
h. Men zou dan zonder zich te onttrekken aan ongerechtigheid toch een bruikbaar vat kunnen zijn; want vaten tot oneer zijn toch ook nodig. Deze graduele onderscheiding ondermijnt dus zeer beslist de Goddelijke eis van algehele reiniging.
i. Deze theorie houdt geen rekening met het feit dat de persoon en de ongerechtigheid, waarmee hij verbonden is, in de Schrift vereenzelvigd worden.

 

Vergelijk in dit verband het volgende:

1. Als het onkruid in de akker gezaaid wordt staat het in tegenstelling tot het goede zaad, nl. het Woord van God. Later echter wordt het vereenzelvigd met de personen, die deze valse leerstellingen en praktijken hebben aangenomen (verg. Matth. 13 : 24-30 met 37, 38).
2. Iemand, die omgang heeft met een dwaalleraar, heeft gemeenschap met zijn boze werken en is dus verontreinigd (2 Joh. 10, 11).
3. Aanraking door het heilige maakt het onreine of zelfs het neutrale niet rein. Maar aanraking door het onreine maakt wel onrein (Haggai 2: 13, 14). In dit vers is zelfs van een dubbele keten sprake. Een "lijk" is onrein. Iemand die daarmee kontakt heeft wordt het ook. Raakt zo'n persoon op zijn beurt brood, moes enz. aan, dan worden deze laatste eveneens verontreinigd.