"Zij is Mijn bruid"

(H.J. Hegger, 208 blz. f 19,80. uitg. Evangelische Pers. Postbus 30. Dieren.)

 

W. J. Ouweneel

 

(2)

 

Negatieve aspekten van secundair belang

Voordat we op enkele belangrijkere punten ingaan, noemen we enkele kleinere kwesties.

 

1. Het lijkt een kleinigheid, maar wij zouden liever niet zeggen: "In elke plaats hoort slechts n gemeente van Christus te zijn" (p. 21). Wij zouden liever zeggen: "In elke plaats is slechts n gemeente van God, en hoort n zichtbare uitdrukking van die ene gemeente te zijn" (al kunnen de gelovigen die samen de eenheid van het lichaam van Christus uitdrukken, in n plaats op verschillende punten samenkomen). Alle gelovigen in n plaats vormen de ene gemeente in die plaats (zichtbaar of niet); zij horen uitdrukking aan die eenheid te geven aan de Tafel van de Heer (1 Kor. 10: 16 v).

 

2. H.J.H. spreekt ook nog over de "kerk" in het oude testament (p. 92), hoewel hij scherp onderscheidt dat het lichaam van Christus pas vanaf de pinksterdag bestaat en een geheel ander karakter heeft dan de gelovigen in het oude testament (p. 84). Daarom denk ik dat H.J.H. hier eenvoudig een stukje traditie in zijn spreken invoert; de Schrift spreekt immers nooit over een "kerk" of "gemeente" van vr de pinksterdag. Wel horen we over de "gemeente" van Isral (Hand. 7 : 38), maar dat is de natuurlijke natie, niet de vergadering der gelovigen (uit joden en heidenen) in het oude testament.

 

3. Hoewel H.J.H. goed het verschil tussen Isral en de gemeente en hun respektieve toekomst ziet, onderscheidt hij niet het verschil tussen Isral (speciaal Jeruzalem) als de bruid van de Koning in het vrederijk en de gemeente als de hemelse bruid van het Lam (p. 95). Net als bij punt 2 zien we hier het onderscheiden van een belangrijke Schriftuurlijke waarheid, zonder die nog in alle konsekwenties te hebben doordacht. We weten echter (ook uit een persoonlijk gesprek met H.J.H.) hoezeer hij ervoor open staat in deze dingen verder te groeien. Dat geldt ook voor de uitleg van de Openbaring (p. 95): vanaf hfdst. 4 is de gemeente in de hemel, zodat de gelovigen in Openb. 7, gezien onder de volken op aarde, niets met de gemeente te maken hebben.

 

4. Waarom H.J.H. de apostelen de "organen" van het lichaam van Christus noemt (p. 101), begrijp ik niet. Het woord "organen" komt in dit verband niet in de bijbel voor, wel het woord "leden", maar dat wordt op alle gelovigen toegepast. Wel ziet H.J.H. in dat de apostelen het fundament van de gemeente vormen, maar dat heeft juist meer met het beeld van een huis (Ef. 2: 20) of een stad (Openb. 21 :14) dan met dat van een lichaam te maken. Naast de twaalf apostelen en het bijzondere apostelschap van Paulus stelt H.J.H. terecht dat er ook nog van andere apostelen sprake is, en konkludeert daaruit voorzichtig dat we misschien grote Godsmannen in de geschiedenis (vooral hen die door Gods Geest grote hervormingen tot stand hebben gebracht) ook apostelen mogen noemen. Men kan dit niet weerleggen, maar het is ook niet hard te maken (zie p. 103). In verband met de apostelen zegt H.J.H. dat de profeten "slechts voor een plaatselijke gemeente hun bediening hebben gekregen" (p. 101). Maar hij zal wel willen toegeven dat hij dit niet bijbels kan waar maken. De gaven die Christus gegeven heeft, waartoe ook de profetie hoort (Rom. 12: 6; 1 Kor. 12 : 10), zijn altijd aan de hele gemeente, niet slechts aan een plaatselijke gemeente gegeven (Ef. 4: 11 - 13). De gaven zijn voor de hele gemeente, de dienst van oudste is alleen voor de plaatselijke gemeente (zie onder).

 

5. Is het nu werkelijk zo dat de Schrift niet alleen over de plaatselijke gemeente spreekt, maar ook over huisgemeenten, die een onderdeel van de plaatselijke gemeente vormen maar toch met de naam "gemeente" aangeduid worden? (p. 105v). Ik geef toe dat ik het een moeilijk punt vind, maar de "Schriftbewijzen" (Rom. 16: 5; 1 Kor. 16: 19; Kol. 4: 15; Filem. 2) lijken me niet doorslaggevend: er is geen bewijs dat de huisgemeente van Aquila in Rome zelf was; 1 Kor. 16 : 19 zegt niets; waar de huisgemeente van Nymfas zich bevond, staat niet in Kol. 4; Filemon is misschien het moeilijkst, maar het is niet zeker dat Filemon in Kolosse woonde f dat de huisgemeente van Filemon per se een andere was dan of een deel van "de" gemeente van Kolosse was. Het punt doet overigens niet zo erg veel terzake; ook als we menen dat de Schrift altijd maar over n gemeente in een plaats spreekt, zullen we moeten toegeven dat onze eigen praktijk anders is. Er zijn vele gevallen op aarde waar in n burgerlijke gemeente zich twee of meer "vergaderingen" bevinden, die even zelfstandig optreden als "vergaderingen" in verschillende plaatsen.

 

6. Het mag waar zijn wat H.J.H. zegt, dat "het Woord bij de Reformatie de eerste plaats heeft en het Sakrament (wat een naar woord, waarom ook deze onbijbelse uitdrukking niet afschaffen?) pas daarna komt" (p. 117), maar ik ben in dat opzicht dan maar liever een beetje "rooms" dan "reformatorisch". De Vader "zoekt" aanbidders, geen leraars (Joh. 4: 23); we worden opgeroepen aan God voortdurend een lofoffer te brengen, niet voortdurend te prediken (Hebr. 13 : 15). In alles streeft de christen naar de verheerlijking van God, en waar komt die beter tot uitdrukking dan in de eredienst, in het bijzonder aan de Tafel des Heren?

 

7. Het zou wenselijk zijn, volgens H.J.H. dat sommige broeders zich voor de woordbediening bekwamen door een "grondige akademische opleiding" (p. 128v); maar dat kan hij niet menen. Dat is in strijd met andere uitspraken: "Kennis is in de Bijbel altijd praktisch gericht. Isral kende geen abstrakte theologie of filosofie" (p. 141); "om leraar te zijn heeft men de gave van de kennis (1 Kor. 12: 8) nodig. Dat is de basis van het leraarschap. En nogmaals, dan bedoelt Paulus met die kennis niet een diploma van een theologische fakulteit of van een Bijbelschool, maar de kennis als gave van de Heilige Geest" (p. 144 v). Zo is het! Trouwens, praktisch gezien: (a) akademische opleiding waar? aan een reformatorische hogeschool, met alle leerstellige en formele bezwaren van dien? (b) akademische opleiding waarin? in de wetenschap van de theologie, f in de Schrift? Waar gebeurt dat laatste? Misschien heeft H.J.H. ook dit punt nog niet goed doordacht, vandaar zijn tegenstrijdige uitspraken.

 

8. Waarom berhaupt de zegen uitspreken in de gemeente (p. 162)? Waar zegt de bijbel dat zoiets moet of belangrijk is? H.J.H. zegt dat het uitspreken van een zegen door elke broeder zou kunnen gebeuren, omdat hij zich daarmee niet boven de anderen stelt; maar is dat niet in strijd met Hebr. 7: 7? Het "De Here zegene u" ligt in Num. 6 in de mond van de hogepriester, die daarmee uitdrukkelijk middelaar is tussen God en mensen. Wij hebben vandaag genoeg aan de zegen van nze Hogepriester, voor elkaar kunnen we alleen zegen fbidden.

 

9. Zou er ooit een situatie denkbaar zijn waarin een gemeente stemt of het lot werpt (p. 178)? Loten werden geworpen in Hand. 1, dus vrdat de Heilige Geest werd uitgestort! Daarna horen we er nooit meer over. En zijn we een demokratische vereniging waar besluiten genomen worden bij meerderheid van stemmen, of "gemeente van God" waar de Heilige Geest eenstemmigheid bewerkt (Hand. 15 : 25)?

 

Bezwaren tegen de "Vergadering"

We komen nu eindelijk toe aan de redenen die H.J.H. opgeeft waarom hij zich niet wil aansluiten bij wat hij noemt de "Vergadering van Gelovigen". Nadat hij ettelijke kerkgenootschappen met bijbelse argumenten heeft afgewezen, voelt hij zelf aan hoe "vanzelfsprekend" het zou zijn als hij gemeenschap zocht met de "V.v.G.": "Maar waarom sluit u zich dan niet aan bij de Vergadering van Gelovigen?... Wij kunnen ons voorstellen dat iemand na lezing van dit boek die vraag stelt" (p. 24). Inderdaad komt die vraag voortdurend bij ons op als we het boek doorlezen. H.J.H. geeft drie motieven waarom hij deze stap toch niet zet, en we zullen deze drie motieven zorgvuldig onderzoeken:

1. "De Vergadering der Gelovigen aanvaardt geen door de gemeente aangestelde oudsten. Wij kunnen hen daarin beslist niet volgen" (p. 24 v) - wat H.J.H. dan in hfdst. 8 nader uiteenzet. Hieronder zullen we uitvoeriger trachten zijn argumenten voor het aanstellen van oudsten te weerleggen. In een persoonlijk gesprek met H.J.H. is mij trouwens al gebleken dat zijn "beslist niet" helemaal niet zo beslist is; hij is in feite nog helemaal niet uit het probleem van de oudsten (zie onder). Maar afgezien daarvan: de "Broeders" vormen geen anti-presbyteriale sekte. Zij ontvangen k gelovigen die menen dat de gemeente oudsten behoort aan te stellen (in feite hebben wij verschillende van zulke broeders onder ons). Wij eisen niet dat anderen in dit opzicht onze inzichten delen; wij mogen hoogstens vergen dat gelovigen die met ons dezelfde weg willen gaan, onze inzichten in dit opzicht respekteren en niet zullen trachten de grondslag van ons vergaderen aan te tasten (want die is o.i. hier wel degelijk in het geding; zie onder).

 

2. "De Vergadering der Gelovigen heeft geen geschreven kerkorde, maar bij hen heersen allerlei ongeschreven wetten, die soms nog stringenter worden doorgevoerd dan duidelijk beschreven artikelen van een kerkorde" (p. 25). Dit is een ernstig punt! Als het waar was, zouden wij een sekte zijn. Stellen wij bij toelating inderdaad mr eisen dan de Schrift stelt? Ik heb persoonlijk aan br. Hegger gevraagd of hij mij een aantal van zulke "ongeschreven wetten" kon noemen, maar ik kreeg eigenlijk niets anders te horen dan het voorbeeld dat hij ook in zijn boek laat volgen: "Zo b.v. zou ik beslist niet meer het Woord mogen bedienen in de bestaande kerkinstituten, wanneer ik lid zou worden van de Vergadering der Gelovigen. Maar als gereformeerd predikant heb ik reeds het Woord mogen bedienen in een "ambtelijke" dienst in een Hervormde Gemeente en zelfs in een Gereformeerde Gemeente; en dat ondanks de bepalingen van de DKO die dat eigenlijk verbieden" (p. 25). Bij dit voorbeeld wil ik wel wat kanttekeningen plaatsen:

 

a. Ik houd niet van de uitdrukking "lid van de V.v.G."; deze verraadt toch een niet goed begrijpen van wat de "Broeders" voor ogen staat. Zij accepteren geen (sektarisch aandoende) betiteling en kennen geen leden dan alleen leden van het lichaam van Christus. Zij zijn "niets" dan alleen een verzameling van christenen die willen staan op de grondslag van de eenheid van het lichaam van Christus. H.J.H. heeft me trouwens gezegd dat hij alleen maar bedoeld heeft "deel uitmaken van de gemeenschap die in de wandeling V.v. G. genoemd wordt".

 

b. Wat belangrijker is: is het wel konsekwent dat iemand die zo ageert tegen het exklusieve ambt van predikant en tegen het kerkelijk instituut, zich toch het recht wil voorbehouden in kerken te blijven preken? H.J.H. heeft mij uitgelegd dat hij dat juist niet als "predikant" zou willen doen, maar als broeder onder de broeders; maar hij heeft ook tegenover mij eerlijk toegegeven dat Hervormde of Gereformeerde kerken/gemeenten hem als zodanig (als instituten) uitnodigen, en bovendien niet als "broeder", maar wel degelijk omdat hij "bevoegd" predikant is! Hij ziet zelf wel in dat dit niet konsekwent gedacht is (hij weet ook dat ik dit schrijf).

 

c. Waarom zet hij het woord "ambtelijk" tussen aanhalingstekens? Omdat hij vindt dat er geen principiel verschil is tussen een ambtelijke en een niet-ambtelijke dienst (p. 162); maar wat hij bedoelt is, dat zo'n verschil er niet hoort te zijn! (Net zomin als wij mogen spreken over samenkomsten van de gemeente die geen "gemeentelijke samenkomst" zouden zijn; dat is net zo onjuist.) In de praktijk zijn die verschillen er wl. Ik geloof dan ook dat H.J.H. op dit moment wel inziet dat het n dit boek niet meer aangaat ls predikant (dus ook mt votum, zegen, groet, en alle liturgische randversiering die we in de Schrift niet terugvinden) voor te gaan in een officile dienst van n of andere kerkgenootschap - hoe graag hij ook het Woord zou verkondigen aan gelovigen die zich ook in die kerkgenootschappen bevinden. (We weten hoe ook br. Darby nadat hij al met de broeders broodbrak nog zeker een jaar of zes in allerlei kerken voorging. Het duurde lang voordat de Heer hem daarvan geheel had losgemaakt.)

 

d. Maar - en dat is het hele kernpunt - is er dan voor hen die de weg met de "broeders van de Vergadering" gaan, inderdaad geen mogelijkheid meer het Woord te bedienen onder gelovigen uit andere gemeenschappen? Hier ligt H.J.H.'s grote misverstand. Ten eerste zijn er veel broeders onder "ons" die openbare Bijbellezingen houden, die ook door talloze "andersdenkende" gelovigen bezocht worden. Ten tweede: wanneer een groep gelovigen ls gelovigen (dus niet als kerkgenootschap) een broeder uitnodigt in haar midden een Woorddienst te komen vervullen, zonder dat hij daarbij gebonden zou zijn aan de kerkorde en liturgie van welk genootschap ook en vrij is alles te zeggen wat de Heer hem in het hart geeft, en de broeder krijgt daartoe vrijmoedigheid van de Heer - wie zou dan het recht hebben hem daarin te verhinderen? Hij zal daarbij waken voor datgene wat zijn gemeentelijke positie zou kunnen compromitteren en hij zal de normale gemeentelijke samenkomsten er niet voor verzuimen - maar uiteindelijk is hij alleen tegenover zijn Heer verantwoordelijk.

 

3. Nu het laatste argument van H.J.H.: "Wanneer ik mij zou aansluiten bij de Vergadering der Gelovigen, dan zou ik mij tevens moeten afsluiten van de overige kerken en gemeenschappen. (Bovendien zijn er ook binnen de V.v.G. twee elkaar uitsluitende groepen nl. de Open en de Gesloten Broeders). En ik wil mij niet opnieuw afzetten tegenover allerlei kerken en geloofsgemeenschappen, met wie ik mij verbonden weet in de geloofsovergave aan de ne Here en Zaligmaker..." (p. 25). Dit is zeker het zonderlingste argument, en toen ik hem dat voorhield, heeft br. Hegger ook onmiddellijk toegegeven dat hij zich vergist had. Hij haalt hier namelijk twee dingen door elkaar: kerken en sekten als zodanig enerzijds en individuele gelovigen anderzijds. "Wij" zetten ons inderdaad af tegenover "allerlei kerken en geloofsgemeenschappen", maar - dat is precies wat H.J.H. zelf ook op tientallen bladzijden in zijn boek doet!! Zijn boek had kunnen heten: "Dochters, ik klaag u aan" (nu niet de "moeder", zoals in zijn vroegere boek, maar de "dochters"; vgl. Openb. 17 : 5). Wij voelen ons in dit afzetten tegen genootschappen als zodanig nu juist hartelijk met H.J.H. verbonden! Maar wij zetten ons niet af (net zomin als H.J.H.) tegen allen met wie ook wij ons verbonden weten in de geloofsovergave aan de ene Heer en Heiland. Zij zijn onze broeders en zusters, en onze liefde jegens hen wordt geen ogenblik verminderd door het feit dat zij kerkelijk een onbijbelse weg verkiezen te gaan. Zo hebben wij ook de zgn. "Open Broeders" als broeders even lief, maar al sinds ruim 130 jaar wijzen wij hun onbijbelse gemeentelijke positie radikaal van de hand. Dit derde argument van H.J.H. is dus helemaal geen motief tgen "ons", maar juist n van de sterkste punten die ons geestelijk met hem verbinden! Zoals gezegd, heeft H.J.H. dit intussen al volledig erkend.

 

In het volgende en laatste artikel willen we ingaan op de belangrijkste punten waarin we leerstellig van br. Hegger verschillen.