Elihu, een model dienstknecht

(3)

J. Ph. Fijnvandraat

 

III. Een jonge man spreekt wijsheid!

Dat Elihu in zijn dienst uitblinkt boven oude en ervaren mannen als Elifaz, Bildad en Zofar kwam maar niet "vanzelf". Integendeel, daaraan lagen zeer bijzondere dingen ten grondslag. Ze komen duidelijk naar voren uit zijn woorden, zoals die voor ons staan opgetekend in Job 32-36. Ik licht er een aantal van zulke zaken uit.

 

1. Een jonge man, gekenmerkt door bescheidenheid!

"Ik ben nog jong en gij zijt hoog bejaard; daarom schroomde ik…" (32: 6). Op zeer gepaste manier treedt deze jonge man op. Hij toonde door zijn houding zijn respect. Waardoor was hij in staat dat op zo'n overtuigende wijze te doen, dat men bereid was hem aan te horen? Hoe betoonde hij zijn respect?

 

2. Een jonge man met geduld

"Geduld" is bepaald niet de meest kenmerkende eigenschap van een mens in zijn jonge jaren. Een geweldige dadendrang drijft dan vaak ons leven. Niet voor niets spreken de Duitsers over een "Sturm-und-Drang" periode! Elihu was daar niet vreemd aan! Hij zat barstens vol!! "Ik ben vol woorden, de geest in mijn binnenste dringt mij; zie, mijn binnenste is als wijn, die men geen uitweg geeft; als nieuwe zakken zou het bersten" (32 : 18 - 19).

Desondanks presteerde deze jonge man het zeventien of achttien moeilijke redevoeringen oplettend aan te horen! Hij heeft daarbij echt niet geïnterrumpeerd met de opmerking die een jonge man eens tijdens een bijbellezing door de zaal wierp: "Wanneer hou je nou eens op met drammen". Waarschijnlijk heeft ook Elihu, alvorens naar deze twaalf redevoeringen te luisteren, een hele week zwijgend bij Job gezeten. (Hij kwam blijkbaar niet "van buiten", zoals de drie oude vrienden, maar woonde wellicht in Jobs omgeving; zie 2 : 11 en 32 : 1-6). In ieder geval: - deze jonge man toonde veel geduld! God stelt geen prijs op de werkzaamheid van het vlees, de werkzaamheid van de natuurlijke mens - al Gods dienstknechten in de Schrift hebben een les in geduld gehad. Mozes moest eerst veertig jaar achter de schapen. Paulus was drie jaar in Arabië en vele jaren in Tarsus/Antiochië voordat God hem op zendingsreis stuurde.

 

3. Hij wachtte op de juiste tijd

Dat geduld was nodig om duidelijk Gods tijd van spreken te onderscheiden. Hoeveel brokken zijn er door gelovigen gemaakt omdat men niet geduldig kon wachten op Gods tijd en zodoende ook die tijd niet leerde onderscheiden! Ondanks het feit dat Elihu in toorn geraakte, toen hij zag hoe drie oude gelovigen faalden en ook Job fouten maakte, wist hij te wachten op Gods tijd. Scheuringen onder gelovigen zouden zijn voorkomen, als men maar meer geleerd had om bij het zien van de fouten van anderen te wachten op Gods tijd. "Doch toen Elihu zag dat er in de mond van de drie mannen geen antwoord meer was…" 32:5; - toen dus kennelijk de mogelijkheden van anderen uitgeput waren... toen, en niet eerder ging Elihu tot aktie over! Kunnen we niet allemaal wat van Elihu leren in dit opzicht? Een opmerkelijke jongeman!

 

4. Hij luisterde alvorens te spreken

Volledigheidshalve herhaal ik deze zaak. Deze jonge man plaatste de gouden appels van zijn spreken op de zilveren gebeeldhouwde schalen van zijn zwijgend luisteren!

Hoe goed hij geluisterd had, blijkt hieruit, dat hij op meesterlijke wijze ingaat op de fouten van de anderen. In 33:6-7 zien we, hoe hij de onbarmhartige houding van Elifaz, die zich verhief op zijn mystieke ervaringen, heeft doorzien (vgl. 4:8, 14-16; 5:3, 27). Tegenover Bildads beroep op de traditie plaatst hij, dat God rechtstreeks tot de mens wil spreken en dat op verschillende wijzen doet en wijst hij op het handelen van God (33:14-15 en 29).

Tegenover Zofars aanmatigend beroep op zijn kennis van de geheimenissen van Gods wijsheid en zijn daardoor "verdubbelde inzicht" (!) plaatst hij de wijsheid van de bescheidenheid: "Hebt gij iets te zeggen (Job), antwoord mij; spreek, want ik zou u graag gelijk geven. Zo niet, luister gij dan naar mij..." (33 : 32).

En aan Job toont hij, dat de rampen hem niet hebben getroffen vanwege zijn verleden, d.w.z. vanwege boze daden dan zou nl. geen mens in leven blijven (34: 14 -15); maar dat zijn kwaad openbaar werd in het heden, nl. uit de boze woorden, die Job tot God had gericht (34 : 34 - 37).

Ja, Elihu had terdege geluisterd en afgewogen!

 

5. Een jonge man die in deze zaak niet te betichten viel!

Het is een puur menselijke trek om in anderen te veroordelen wat bij onszelf wordt gevonden - vooral wie jong is loopt gevaar in deze "psychologische" strik te stappen! (Zie voor dit verschijnsel Rom. 2: 1 - 3). Wat Elihu betreft hij viel niet te betichten in deze zaak en had van Job geen verwijt te vrezen: "Tegen mij heeft hij (Job) geen woord ingebracht" (32 : 14).

 

6. Elihu kon spreken, omdat hij het spreken van God kende!

Elihu beroept zich niet op mystieke ervaringen zoals Elifaz, die beweerde dat na nachtgezichten, tijdens nachtelijke overpeinzingen "een geest hem was voorbijgegleden, die zijn haren had ten berge doen rijzen". Integendeel - Hij kende dát spreken van God, waarvan God zich zeer vaak bediende in de oudtestamentische tijden, toen Gods Woord, de bijbel, nog niet compleet was. Een spreken dat God trouwens - als het om praktische zaken gaat - ook nu soms gebruikt, nl. het spreken in een droom, een "nachtgezicht". Zie bijv. Hand. 16 : 9. Elihu wist van zulke ervaringen en had er een praktische les uit geleerd (33: 14 - 18). De algemene les is wel deze, - een goed dienstknecht van God moet de "vertrouwelijke omgang" met God kennen die haar grond vindt in het omgaan met Gods Woord!

 

7. Elihu had geleerd de leiding van Gods Geest te onderscheiden

Hij getuigde: "De Geest Gods heeft mij gemaakt, de adem van de Almachtige doet mij leven" (33 : 4) en: "de adem van de Almachtige geeft inzicht" (32 : 8), in verband met de woorden die hij ging spreken. In zeker opzicht is dit waar voor ieder kind van God. Het is immers de Geest van God, die Gods Woord op ons hart en geweten toepaste, waardoor wij tot de reddende kennis van de Here Jezus Christus zijn gekomen. Toch waren we wellicht toen daarbij te zeer met onszelf en onze schuld bezig, en werden we daarna zo vervuld van de verlossing die we in Christus vonden, dat we weinig aandacht hebben geschonken aan de manier waarop God ons tot deze inzichten bracht. Veelal moeten we, nadat we tot geloof gekomen zijn, nog leren de stem van Gods Geest te onderscheiden. Voor veel christenen komt daar nog de moeilijkheid bij, dat men reeds in de Reformatie en in al de eeuwen daarna het Woord van God uit 1 Kor. 12:14 naast zich neer heeft gelegd. Men heeft de door de apostel voorgeschreven orde in de onderlinge bijeenkomst van de gelovigen vervangen door een menselijke organisatie van de "eredienst" waarbij men niet schroomde zelfs de bewoordingen van de gebeden voor te schrijven! Op die manier heeft men de vrije werking van de Heilige Geest aan banden gelegd. Het gevolg hiervan nu is weer, dat vele christenen nimmer in de gelegenheid zijn om te leren hoe de Heilige Geest spreekt, door deel te nemen aan samenkomsten, waar die leiding van de Geest normaal is. Zelf heb ik als jong christen de leiding van de Heilige Geest leren onderscheiden in de samenkomsten van gelovigen, die bijeenkwamen op de grondslag van eenheid en gemeenschap, die door God aan de eerste christelijke gemeenten werd aangewezen door de apostelen. Daar waar men de orde, die de eerste brief aan de Korinthiërs voorschrijft, eerbiedigt en er in de samenkomsten een biddend afwachten is van wat de Geest wil werken, kunnen jong-bekeerde gelovigen leren de stem van Gods Geest te verstaan.

Laten we toch die geweldige leerschool zoeken! We zullen dan ontdekken, dat het niet om iets mystieks gaat, maar om een broodnuchtere werkelijkheid - een andere broeder geeft het lied op, leest een Schriftwoord of spreekt in een gebed de gedachten uit, die mij in dezelfde ogenblikken bezig houden - en met mij alle anderen die, in de bijeenkomst aanwezig, zich bezig houden met de Heer.

 

8. Elihu kende zijn grenzen

Hij sprak alleen over die dingen die hij wist (32 : 17). Hij kon zeggen: "Mijn kennis geven mijn lippen zuiver weer" (33: 3; vert. J.N.D.). Wie een dienst voor God wil doen, moet nooit verder willen springen dan zijn polsstok lang is! Wie niet getrouwd is, moet niet gaan spreken over zaken die het huwelijksleven betreffen. Wie geen kinderen heeft, late het spreken over opvoeding en orde in het gezin maar liever over aan hen, die wel kinderen hebben.

We kunnen alleen dienen met dat wat ons geestelijk eigendom is geworden - en dat is geen kwestie van intellectuele kennis alleen, maar van geestelijke ervaring in die kennis.

"Ieder schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen gemaakt is, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen tevoorschijn brengt" (Matth. 13:52). Ook schriftgeleerden moeten voortbrengen uit wat hun schat is geworden het principe is in de hele Schrift steeds weer hetzelfde! (Vergel. 2 Kor. 1 : 4).

 

9. Elihu sprak, omdat hij er vol van was

Het ging Elihu beslist niet zoals die predikant, die zondags in de middag zich regelmatig ergerde aan een ouderling die in slaap viel onder de preek, de man opzocht en hem aanraadde, voor de preek begon wat snuiftabak in de neus te doen om wakker te kunnen blijven. De man reageerde droogweg met "Zou dominee niet wat meer snuif in de preek kunnen doen?" Willen we met kracht dienen in een zaak, dan moet die zaak ons hart hebben - we moeten er vol van zijn! Zo was het met Elihu: "Ik ben vol woorden, de geest in mijn binnenste dringt mij" (32:18). Als ons hart niet bewogen is in de dienst die we moeten verrichten - ook al gaat het niet om een bedienen van het Woord - dan wordt ons dienen koud en bloedeloos.